Nr. 10/03796
Mr. Hofstee
Zitting: 6 september 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Verzoeker is bij arrest van 19 februari 2010 door het Gerechtshof te Arnhem wegens "In een geval, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof in de motivering van de strafoplegging ten onrechte zich heeft gebaseerd op informatie die niet uit het strafdossier blijkt, noch ter terechtzitting is besproken.
4. Het Hof heeft in zijn bestreden arrest onder het kopje "Oplegging van straf en/of maatregel" het volgende overwogen:
"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat het een zeer ernstig feit betreft. Het afleggen van een meinedige verklaring ondermijnt het rechtssysteem. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is een passende en aangewezen straf.
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een geheel voorwaardelijke straf, dan wel een werkstraf, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, op te leggen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte samen met een compagnon, [betrokkene 1], een bedrijf heeft: [A] B.V. dat deze compagnon onlangs overleden is en dat verdachte de zaak nu alleen draaiende houdt. Indien hij in detentie zou moeten verblijven, zou dat het einde van het bedrijf betekenen, aldus de raadsvrouw.
Het hof heeft op grond van een openbare bron, de Kamer van Koophandel, vastgesteld dat de firma [A] gefailleerd is. Niet aannemelijk is derhalve geworden dat verdachte in verband met zijn werk en inkomsten geen gevangenisstraf zou kunnen ondergaan. Ook overigens is het hof geen reden bekend geworden waarom aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou kunnen worden opgelegd.
Het hof merkt in dit verband bovendien op het, gelet op de ernst van de zaak, niet gewenst te achten indien verdachte, gelet op de relatief beperkte door van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, de mogelijkheid van elektronisch toezicht zou worden vergund. Het hof zal daarom bepalen dat de vrijheidsstraf moet worden ten uitvoer gelegd in een penitentiaire inrichting."
5. Van belang is hier het bepaalde in art. 301, vierde lid Sv, inhoudend dat ten bezware van de verdachte geen acht wordt geslagen op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is meegedeeld. Onder dergelijke stukken zijn te begrijpen "stukken welke van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel".(1)
6. De processen-verbaal van de terechtzittingen van het Hof, noch de stukken waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld, houden iets in waaruit kan worden afgeleid dat het gegeven dat het bedrijf waarvoor verzoeker werkzaam is volgens de Kamer van Koophandel is gefailleerd, aan de orde is gekomen. Nu het Hof dit gegeven redengevend heeft geacht voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, is in de onderhavige zaak mijns inziens sprake van een bron waarop krachtens art. 301, vierde lid, Sv ten bezware van verzoeker geen acht had mogen worden geslagen. Daaraan doet niet af dat het hier een aan een openbare bron ontleend gegeven betreft, omdat de juistheid daarvan - zo dit aan verzoeker was voorgehouden - eventueel betwist had kunnen worden. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de steller van het middel heeft opgemerkt dat, desgevraagd, van de zijde van de verdediging toegelicht had kunnen worden dat verzoeker de onderneming [A] B.V. als eenmanszaak onder eigen naam heeft voortgezet.
7. Het middel slaagt.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 26 mei 1998, LJN ZD1050, NJ 1998, 713.