Nr. 10/00271
Mr. Hofstee
Zitting: 4 oktober 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Verzoeker is bij arrest van 1 mei 2002 door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1. "Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen; meermalen gepleegd" en 2. "Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof de zaak inhoudelijk heeft behandeld zonder dat een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep aan de raadsman van verzoeker is gezonden en dat het Hof ter terechtzitting heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of art. 51 Sv is nageleefd.
4. Op 23 januari 2002 heeft het eerste onderzoek ter terechtzitting van het Hof plaatsgevonden. Op deze terechtzitting is verzoeker niet verschenen, zo valt in het desbetreffende proces-verbaal te lezen. Dat proces-verbaal vermeldt voorts:
"De bode deelt mede dat mr Huurdeman hem telefonisch heeft medegedeeld dat hij niet op de hoogte was van de zitting, aangezien hij geen afschrift van de dagvaarding heeft ontvangen. In verband daarmee verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden.
Naar aanleiding van het door de raadsman van verdachte, mr Huurdeman, advocaat te Amsterdam, gedaan verzoek schorst het hof, gehoord de advocaat-generaal, het onderzoek voor onbepaalde tijd in het belang van de verdediging, met bevel tot oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman van verdachte."
5. Vervolgens is verzoeker opgeroepen voor de (tweede) terechtzitting van 17 april 2002. Deze oproeping is op 25 maart 2002 aan de griffier van de Rechtbank Arnhem betekend. Gezien de gedingstukken (voor zover in cassatie voorhanden) is er geen kennisgeving van deze oproeping aan mr. Huurdeman gezonden. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van 17 april 2002 is verzoeker (ook) op die zitting niet verschenen en had kennelijk er zich geen raadsman namens verzoeker gemeld. Het Hof heeft toen het tegen verzoeker verleende verstek gehandhaafd en de zaak inhoudelijk behandeld.
6. Artikel 51 Sv luidt:
"Ten aanzien van de bevoegdheid van den raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van een afschrift daarvan vinden de artikelen 30-34 overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman onverwijld afschrift."
7. Uit de gedingstukken blijkt dat mr. Huurdeman in eerste aanleg verzoeker heeft bijgestaan als raadsman en dat hij telefonisch contact heeft gehad met de bode voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2002. Daaruit volgt echter niet dat mr. Huurdeman (dus) ook in hoger beroep de raadsman van verzoeker zou zijn, waarbij ik in aanmerking neem dat uit geen enkel gedingstuk blijkt dat mr. Huurdeman zich in hoger beroep opnieuw heeft gesteld als raadsman van verzoeker.(1)
8. Ik meen dan ook dat in het onderhavige geval er geen afschrift van de oproeping dan wel een kennisgeving daarvan aan mr. Huurdeman hoefde te worden gezonden en dat het Hof niet was gehouden ambtshalve te onderzoeken of art. 51 Sv wel was nageleefd.(2)
9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 25 april 1989, LJN AD0737, NJ 1989, 690 en Melai-Groenhuijsen, Het Wetboek van Strafvordering, aant. 3 op art. 39 (bewerkt door prof mr T. Prakken; bij t/m 1 augustus 2000).
2 Melai-Groenhuijsen, a.w., aant. 3 en 7 op art. 51 (bewerkt door prof mr T. Prakken; bij t/m 1 augustus 2000). Vgl. ook HR 20 november 2001, LJN AD4400, HR 25 februari 2003, LJN AF1937, NJ 2003, 541 en HR 14 april 1981, LJN AC3523, NJ 1981, 446.