Nr. 11/00650 B
Mr. Vellinga
Zitting: 25 oktober 2011
Conclusie inzake:
[Klager]
1. Bij beschikking van 30 december 2010 heeft de Rechtbank te Arnhem het klaagschrift van klager tegen de inbeslagneming van een bedrag aan geld, een auto en sieraden ongegrond verklaard.
2. Namens klager heeft mr. J.H.D. van Onna, advocaat te Nijmegen, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. De Rechtbank heeft de ongegrondverklaring van het klaagschrift als volgt gemotiveerd:
"Uit het klaagschrift van klager blijkt dat hij, aldus zijn stelling, een bedrag van f. 89.750,-- op legale wijze heeft verkregen. Dit bedrag omgerekend naar euro's behelst € 40.726,--. Begin 2010 heeft klager bij een officiële dealer een Mercedes personenauto aangekocht voor een bedrag van € 17.000,--. Dit zou betekenen dat klager van het aldus hem legaal ontvangen geld een bedrag van € 23.726,-- zou overhouden.
Uit het klaagschrift blijkt voorts dat het binnen de beroepsgroep van klager gebruikelijk is dat er contant betaalt wordt en gelden niet op een bankrekening worden gezet. Uit door klager overgelegde verklaringen kan blijken dat hij in 1986/1987 geld heeft ontvangen in verband met de overdracht van zijn sloopterrein en ongeveer 13 jaar geleden geld van de verkoop van zijn woonwagen. Op basis van de inhoud van het klaagschrift kan het geld zich niet door bijvoorbeeld rentebijschrijving vermeerderd hebben nu klager het geld contact bij zich hield. Voorts zou het heel aannemelijk zijn indien het geld minder zou zijn geworden nu klager ook stelt dat hij juist het inbeslaggenomen geld gebruikt naast de door zijn echtgenote te ontvangen WAO-uitkering.
Enige verklaring hoe het komt dat klager op zijn hoogst een bedrag van € 23.726,-- onder zich gehad kan hebben terwijl bij hem een bedrag van € 101.600,-- in beslag is genomen wordt niet gegeven. De stelling van klager dat hij per jaar € 7000,-- spaarde, welk geld verkregen zou zijn uit de handel in oud ijzer, wordt op geen enkele wijze onderbouwd.
Op grond van het voorgaande, maar ook op basis van het door de officier van justitie ingebrachte proces-verbaal van politie, is het heel wel mogelijk dat een rechter, later oordelend over de strafzaak jegens klager, de verbeurdverklaring van het beslag zal uitspreken."
4. Het oordeel van de Rechtbank moet kennelijk als volgt worden verstaan. Omdat klager op zijn hoogst een bedrag van € 23.726,-- onder zich gehad kan hebben terwijl bij hem een bedrag van € 101.600,-- in beslag is genomen bestaat er een redelijk vermoeden dat klager zich aan - zoals door de officier van justitie is gesteld - witwassen heeft schuldig gemaakt. Daarom is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen voorwerpen - het bedrag van € 101.600,--, de auto en de sieraden - verbeurd zal verklaren.
5. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank er zonder meer aan is voorbijgegaan dat door klager is aangevoerd dat de onder hem inbeslaggenomen sieraden erfstukken zijn en derhalve de bestreden beschikking onvoldoende met redenen is omkleed.
6. Door zonder meer voorbij te gaan aan bedoeld verweer roept de bestreden beschikking de vraag op waarom de inbeslaggenomen sieraden zich lenen voor verbeurdverklaring. Dit geldt temeer nu is aangevoerd dat bij een tweede huiszoeking bij klager inbeslaggenomen sieraden aan hem zijn teruggegeven. Derhalve is de bestreden beschikking onvoldoende met redenen omkleed.
7. Het middel slaagt.
8. Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank er zonder meer aan is voorbijgegaan dat door klager is aangevoerd dat de onder hem inbeslaggenomen auto betaald is uit legale inkomsten en derhalve de bestreden beschikking onvoldoende met redenen is omkleed.
9. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat de Rechtbank er in haar motivering van de ongegrondverklaring van het beklag vanuit is gegaan dat de auto is betaald uit legale inkomsten, nu immers de Rechtbank de aanschafkosten van de auto in mindering heeft gebracht op de legale inkomsten van klager.
10. Voor zover wordt geklaagd dat de Rechtbank ervan is uitgegaan dat klager de auto heeft betaald uit legale inkomsten berust het middel op verkeerde lezing van de overwegingen van de Rechtbank. De Rechtbank overweegt slechts dat uitgaande van klagers stelling dat hij een bedrag van - omgerekend - € 40.726,-- op legale wijze heeft verkregen en daarvan een bedrag van € 17.000,-- heeft besteed aan de aanschaf van de auto, klager van het door hem beweerdelijk legaal ontvangen geld een bedrag van € 23.726,-- zou moeten hebben overhouden, en niet, zoals onder hem aangetroffen, een bedrag van € 101.600,--.
11. Niettemin is de Rechtbank geheel voorbijgegaan aan klagers stelling dat hij de auto heeft betaald uit legale inkomsten en deze heeft gekocht bij een officiële dealer. Daarmee roept de bestreden beschikking de vraag op waarom de inbeslaggenomen auto zich leent voor verbeurdverklaring.
12. Het middel slaagt.
13. Het derde middel klaagt dat de afwijzing van het klaagschrift voor zover gericht tegen de inbeslagneming van het bedrag van € 101.600,-- onvoldoende is gemotiveerd nu onder klager een bedrag van € 101.600,-- is aangetroffen, de Rechtbank er in haar overwegingen vanuit gaat dat klager een bedrag van € 23.726,-- op legale wijze heeft verkregen en de Rechtbank toch het klaagschrift voor het gehele bedrag van € 101.600,-- afwijst.
14. Het oordeel van de Rechtbank komt erop neer dat klager voor een deel van het bij hem gevonden bedrag aan contanten een verklaring kan geven, voor het grootste deel niet en er derhalve van moet worden uitgegaan dat het gehele bedrag als voorwerp van witwassen voor verbeurdverklaring in aanmerking komt. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk nu de Rechtbank in het midden laat of zij de verklaring van de verdachte over de legale herkomst van het bedrag van € 40.726,-- aannemelijk acht of niet.
15. Het middel slaagt.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG