11/04678
Mr. F.F. Langemeijer
23 december 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
1. [Verweerster 1],
2. [Verweerster 2],
3. [Verweerder 3],
4. [Verweerster 4],
5. [Verweerder 5],
6. [Verweerster 6],
7. [Verweerder 7],
1. In deze zaak wordt volstaan met een verkorte conclusie. Bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 6 september 2011 is [verzoeker] (hierna: de gefailleerde) op verzoek van [verweeder] c.s. in staat van faillissement verklaard.
2. Bij een op 12 september 2011 bij het hof ingekomen verzoekschrift heeft de gefailleerde hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij arrest van 20 oktober 2011 heeft het hof hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.
3. Bij verzoekschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 25 oktober 2011, heeft een advocaat die kantoor houdt te Utrecht namens de gefailleerde beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof.
4. Het cassatieverzoekschrift voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv. Het is niet getekend door een advocaat bij de Hoge Raad(1). Dit gebrek kon binnen twee weken worden hersteld door indiening van een exemplaar van hetzelfde verzoekschrift, alsnog getekend door een advocaat bij de Hoge Raad(2). Het verzuim is evenwel niet hersteld. Op deze grond kan de gefailleerde niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep.
5. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Blijkens de rolkaart is de betrokken advocaat op 27 oktober 2011 telefonisch door de griffie op dit vormverzuim geattendeerd.
2 HR 14 oktober 2011 (LJN: BT7586), NJ 2011/479; HR 10 juli 2009 (LJN BI0773), NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders.