Nr. 10/02668(1)
Mr. Silvis
Zitting 6 maart 2012
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is bij arrest van 1 november 2005 door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek.
2. Namens verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, nu de bewijsmiddelen niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker opzettelijk een hoeveelheid van "een materiaal bevattende MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA en/of N-ethyl MDA" heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd.
4. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 13 mei 2003, in Nederland, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of een hoeveelheid cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en tenamfetamine en MDMA en N-ethyl-MDA en amfetamine telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."
5. Zorgvuldige lezing van de bewijsmiddelen leert dat daarin - voor zover voor het middel van belang - enkel wordt gesproken over XTC-pillen en XTC. De begrippen MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA en/of N-ethyl MDA komen nergens in de gebezigde bewijsmiddelen voor. Onder de benaming XTC worden ook middelen verkocht met andere werkzame bestanddelen. Het bewezenverklaarde kan derhalve niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen.(2)
6. Het middel is dus terecht voorgesteld.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terug- dan wel verwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen verdachte 10/02675, waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Vgl. HR 25 november 2003, LJN: AM2764; HR 15 november 2005, LJN: AU3482.