Nr. 10/05531
Mr. Vegter
Zitting 28 februari 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 14 december 2010 wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 (negen) weken.
2. Mr. K.E. Wielinga, advocaat te Leeuwarden, heeft cassatie ingesteld en bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Beide middelen betreffen het vormverzuim van de politie om de aangehouden verdachte bij gelegenheid van zijn eerste verhoor te wijzen op zijn recht een raadsman te consulteren. Het eerste middel klaagt er over dat die eerste verklaring van verdachte voor het bewijs is gebruikt, terwijl deze daarvan uitgesloten had moeten worden. Het tweede middel klaagt over het ontbreken van een gemotiveerde beslissing naar aanleiding van het verweer dat de eerste verklaring van verdachte van het bewijs dient te worden uitgesloten. Beide middelen worden gezamenlijk besproken.
4.Voor zover van belang heeft de raadsman ter terechtzitting van het Hof van 30 november 2010 het volgende aangevoerd: "Mijn cliƫnt is niet gewezen op zijn recht een raadsman te consulteren voor zijn eerste verhoor. De door hem afgelegde verklaring dient dan ook van het bewijs te worden uitgesloten." Er is echter genoeg bewijs over om tot een bewezenverklaring te komen. De aanvulling als bedoeld in artikel 365a, tweede lid, Sv bevat naast de aangifte een verklaring van verdachte waarin hij het feit in ieder geval gedeeltelijk erkent.
5. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de (belastende) verklaring die de verdachte bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de politie heeft afgelegd bruikbaar is voor het bewijs, ook al is hij voorafgaand aan dit verhoor niet in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen. Dat oordeel is in het geheel niet toegelicht, terwijl de enkele omstandigheid dat verdachte ter terechtzitting van het Hof een soortgelijke verklaring heeft afgelegd nog niet meebrengt dat verklaring tegenover de politie bruikbaar is.(1) De verklaring van verdachte kon zonder toelichting in ieder geval niet voor het bewijs worden gebruikt. Gelet op artikel 359a Sv was in geval van gebruik van de verklaring een nadere toelichting geboden. De omstandigheid dat de raadsman ter zitting van het Hof te kennen geeft dat er ook zonder gebruik te maken van de verklaring van verdachte tegenover de politie voldoende bewijs is en dus niet om vrijspraak vraagt, maakt dit niet anders. Beide middelen slagen.
6. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009,/349 m.nt. Schalken, HR 21 december 2010, LJN BN9293, RvdW 2011/100 en HR 17 januari 2012, LJN BU4227.