Nr. 11/03409 J
Mr. Hofstee
Zitting: 20 maart 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 1 april 2011 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen, voorwaardelijk.
2. Namens verzoeker heeft mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Voor zover voor de bespreking van de middelen van belang, geef ik eerst de bewezenverklaring, het ter terechtzitting door de verdediging gevoerde verweer en 's Hofs verwerping daarvan weer.
4. Ten laste van verzoeker is door het Hof bewezen verklaard dat:
"hij op 16 februari 2010 in Nederland G. Wilders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op een (algemeen toegankelijke) profielensite, te weten www.hyves.nl, onder de gebruikersnaam [A] die Wilders via voornoemde website een bericht gestuurd, met de tekst "deze homo mag zo snel snel naar de euromast gaan, erop gaan klimmen en dan zo springen, 6 salto's achteruit maken en landen op z'n linkeroog. Dan ga ik naar z'n mama, pak ik haar hoofd en sla haar omdat ze zo'n kind heeft gemaakt. Dan maak ik een milkshake van de overblijfselen van geertje en dwing z'n mama het op te drinken. Perfecte straf! Maar ja OOKAL wordt dit homootje gekozen, binnen 1 week liggen z'n hersenen op de grond.", van welke tekst die Wilders kennis heeft gekregen."
5. Ter terechtzitting van het Hof van 18 maart 2011 is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal namens verzoeker het volgende verweer gevoerd:
"De raadsman voert het woord tot verdediging.
Het eerste deel van de tenlastegelegde tekst bevat geen enkele bedreiging. En de laatste zin van de tekst kan hoogstens worden aangemerkt als een voorspelling of was bedoeld als misplaatste grap. De verdachte zou daarom moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging."
6. Het Hof heeft in zijn bestreden arrest het verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de door de verdachte verzonden tekst niet gekwalificeerd kan worden als bedreiging, maar hoogstens aangemerkt kan worden als een voorspelling en bedoeld was als een slechte grap. De verdachte zou daarom moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van dit verweer.
Het hof overweegt dat het voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging, dat de bedreiging van dien aard is en onder zulke omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat er sprake was van opzet op bedreiging. Gelet op de inhoud van het dossier en het ter terechtzitting in hoger beroep verhandelde is naar 's hofs oordeel in de onderhavige zaak aan deze vereisten voldaan. Evenals de rechtbank is het hof immers van oordeel dat de tekst als één geheel moet worden beschouwd, waarin duidelijk sprake is van een ik-figuur (zijnde de verdachte als afzender) die zich richt tot G. Wilders en waarin - vooral in de afsluiting - een bedreiging is vervat. Door het schriftelijke en anonieme karakter van de boodschap moet de verdachte beseft hebben dat de ontvanger de boodschap niet als een grap zou interpreteren, te meer nu de inhoud van het bericht daartoe geen enkel aanknopingspunt biedt, maar dat Wilders het bericht zou opvatten als een bedreiging, mede gelet op andere bedreigingen waarvan algemeen bekend is dat die in het verleden jegens Wilders zijn geuit en de gebleken veiligheidsrisico's voor hem, die persoonsbeveiliging nodig hebben gemaakt. Een bericht als het onderhavige, hoe klein en onbeduidend volgens de verdachte ook, is onder de voornoemde feitelijke omstandigheden dan ook wel degelijk een bedreiging."
7. Het eerste middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht luidt dat het Hof op straffe van nietigheid het hierboven onder 5. weergegeven verweer heeft gepasseerd. Volgens de tweede klacht is er sprake van nietigheid, nu, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet is voldaan aan de vereisten voor toepassing van art. 285, eerste lid, Sr, te weten: (1) een bedreiging met een misdrijf als bedoeld in dat artikellid, die van zodanige aard is dat bij de betrokkene redelijke vrees kon ontstaan en (2) gedaan is onder zodanige omstandigheden dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Daarbij voert de steller van het middel aan dat volgens de tenlastelegging verzoeker een bedreiging zou hebben geuit door middel van de volgende woorden: "Deze homo mag zo snel snel naar de euromast gaan, erop gaan klimmen en dan zo springen, 6 salto's achteruit maken en landen op z'n linkeroog. Dan ga ik naar z'n mama, pak ik haar hoofd en sla haar omdat ze zo'n kind heeft gemaakt. Dan maak ik een milkshake van de overblijfselen van geertje en dwing z'n mama het op te drinken". Nu het Hof van oordeel is dat "vooral in de afsluiting" een bedreiging is vervat, gaat verzoeker ervan uit dat met de afsluiting de vorenstaande laatste volzin wordt bedoeld.
8. De eerste klacht mist feitelijke grondslag, nu het Hof blijkens zijn onder 6. opgenomen overwegingen voornoemd verweer van de verdediging niet heeft gepasseerd, maar daarop juist uitdrukkelijk heeft gerespondeerd.
9. Wat de tweede klacht betreft, stel ik vooreerst vast dat de raadsman de in de tenlastelegging feitelijk omschreven bedreiging wel heel selectief en onvolledig heeft weergegeven. Door hem is immers daaruit juist het indringende slotakkoord weggelaten, inhoudend: "Perfecte straf! Maar ja OOKAL wordt dit homootje gekozen, binnen 1 week liggen z'n hersenen op de grond." Het behoeft verder geen betoog dat het Hof dáárop heeft gedoeld met zijn overweging dat vooral in de afsluiting (van het bewezen verklaarde) een bedreiging is vervat.
10. Voor het overige heeft met betrekking tot de tweede klacht het navolgende te gelden. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.(1) Daarop is het opzet van de dader gericht. Ook strekt het opzet ertoe dat de bedreiging daadwerkelijk bij de bedreigde aankomt. Over de vraag wanneer van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht kan worden gesproken, heeft de Hoge Raad talrijke arresten gewezen. Doorgaans gaat het om zaken waarin de dader verbaal bedreigend is geweest. Uit de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad valt af te leiden dat niet vereist is "dat komt vast te staan dat bij de bedreigde daadwerkelijk de vrees voor aantasting van de persoonlijke vrijheid is opgewekt" (HR 3 februari 2004, LJN AN9309). En direct daaropvolgend overweegt de Hoge Raad: "Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen". De beantwoording van de vraag of sprake is van bedreiging, laat zich dus in belangrijke mate objectiveren en dient te worden beoordeeld aan de hand van de concreet vastgestelde aspecten van het voorliggende geval.(2) Ook blijkens latere rechtspraak van de Hoge Raad vormt deze objectivering de aan te leggen maatstaf.(3) De aard van de uitlatingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan zullen duidelijk moeten maken of de laakbare woordkeus dient te worden aangemerkt als een bedreiging, dan wel kan worden afgedaan als bijvoorbeeld bangmakerij, een misplaatste grap of een scherts.(4)
11. Volgens de steller van het middel heeft verzoeker niet aangegeven dat hij Wilders zelf iets zou willen aandoen, terwijl de in de tenlastelegging geschetste situatie onrealistisch en tevergeefs grappig bedoeld is en slechts een voorspelling inhoudt.(5) Ik zie dat anders. In het licht van het vorenstaande meen ik dat de inhoud van het (ten laste gelegde en bewezen verklaarde) aan Wilders gerichte en gestuurde bericht van verzoeker niet anders kan worden verstaan dan als een bedreiging tegen diens leven gericht in de zin van art. 285, eerste lid, Sr. De tekst van het bericht duidt er immers op dat Wilders de dood zal vinden. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat naar luid van het bericht de hersenen van Wilders binnen 1 week op de grond liggen, en dat verzoeker een milkshake van de overblijfselen van geertje maakt en z'n mama dwingt het op te drinken. Kortom, de aard van de uitlatingen en de inhoud van de gebezigde woorden vormen mijns inziens al in objectieve redelijkheid een bedreiging. En deze wordt versterkt door - zoals ook het Hof heeft overwogen - het schriftelijke en anonieme karakter van het geschrift. Het Hof heeft daaraan nog enkele andere omstandigheden toegevoegd, te weten dat in het verleden andere bedreigingen jegens Wilders zijn geuit, voor hem veiligheidsrisico's zijn gebleken en deze eerdere bedreigingen al persoonsbeveiliging voor hem nodig hebben gemaakt.
12. Nu het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en evenmin onbegrijpelijk is, faalt het middel.
13. Het tweede middel behelst de klacht dat het hiervoor onder 5 weergegeven verweer een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt behelst en dat het Hof de verwerping hiervan expliciet had moeten motiveren.
14. Namens verzoeker is op de terechtzitting van het Hof slechts aangevoerd dat sprake is van een voorspelling of misplaatste grap. Hierin kan geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden gelezen, dat, wanneer het een verplichting tot beantwoording wil scheppen, duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie moet zijn.(6) Gelet hierop heeft het Hof de verwerping van het verweer toereikend gemotiveerd.
15. Het middel faalt.
16. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie onder meer HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005, 448, HR 18 april 2006, LJN AV4824, NJ 2006, 397 m.nt. Buruma en HR 25 januari 2011, LJN BP1834.
2 Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink (NLR), aant. 4 bij artikel 285 Sr (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse, bij t/m 01-06-2010).
3 Ik wijs onder meer op: HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005/448 (rov. 3.3); HR 4 december 2007, LJN BB7104 (rov. 5.3.1 en 5.3.2); HR 10 mei 2005, LJN AT1802 (rov. 3.3); en HR 28 maart 2006, LJN AV4191 (rov. 3.4).
4 Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 18 april 2006, LJN AV4824, NJ 2006/397 m.nt. Buruma.
5 Vgl. echter HR 15 december 2009, LJN BJ7237, NJ 2010/22, rov. 3.2: voor zover het middel berust op de opvatting dat die bepaling slechts ziet op bedreiging met een door de 'bedreiger' zelf te plegen misdrijf, faalt het. Die opvatting is onjuist.
6 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.7.1., m.nt. Buruma, en HR 9 januari 2007, LJN AZ2184, NJ 2007, 124, rov. 3.4. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2009, p. 186.