Nr. 09/03610
Mr. Machielse
Zitting 13 maart 2012
Aanvullende conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 6 augustus 2009 wegens "In een geval, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden.
2. Mr. M.J. van de Laar, advocaat te Eindhoven, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Op 29 november 2011 concludeerde ik tot vernietiging van het bestreden arrest omdat naar mijn oordeel het eerste voorgestelde middel doel trof. De overige klachten in de schriftuur heb ik toen niet meer besproken. Op 7 februari 2012 heeft de Hoge Raad evenwel beslist dat het eerste middel, voor zover dat betoogde dat het hof in strijd met artikel 341, vierde lid, Sv de bewezenverklaring uitsluitend heeft gebaseerd op verklaringen van verdachte, feitelijke grondslag mist en daarom faalt. De Hoge Raad heeft de AG in de gelegenheid gesteld zich alsnog uit te laten over de in de conclusie niet besproken klachten. Vandaar deze aanvullende conclusie.
4.1. Het eerste middel behelst voorts de klacht dat uit de bewijsconstructie niet kan volgen dat de verklaring die verdachte ter terechtzitting van de Rechtbank Roermond van 30 oktober 2007 heeft afgelegd vals en in strijd met de waarheid is, noch dat verdachte met het door artikel 207 Sr verlangde opzet heeft gehandeld. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat op 2 juli 2005 geen feestje heeft plaatsgevonden of dat [betrokkene 1] niet op dat feestje is geweest. Uit de gebezigde bewijsmiddelen is niet af te leiden dat verdachte bewust valselijk heeft verklaard. Naar beste weten van verdachte heeft het verjaardagsfeestje plaatsgevonden op 2 juli 2005.
4.2. Dat het verjaardagspartijtje niet op 2 juli 2005 heeft plaatsgevonden staat inderdaad niet onomstotelijk vast. Uit bewijsmiddel 4 is slechts af te leiden dat verdachte niet meer zeker was van de datum toen de rechter haar met nadruk over de datum bevroeg. Dat de broer van verdachte niet bij het verjaardagspartijtje is geweest is evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden. Ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2009 heeft verdachte verklaard dat zij, als getuige ter terechtzitting van de rechtbank Roermond, niet twijfelde dat de datum van het feestje 2 juli 2005 was. Zij wist dat het feestje viel tijdens haar verhuizing en zij heeft op 1 juli 2005 de sleutel van haar nieuwe huis in [plaats B] gekregen. Uit de verklaringen van verdachte is af te leiden dat zij reconstructief tot deze datum is gekomen. Zij werd hierin bevestigd door uitlatingen van haar schoonzus. Twijfel sloeg toe toen de rechter maar bleef vragen over de datum.
4.3. Waarin schuilt nu de valsheid van haar verklaring? Wanneer het verjaardagspartijtje heeft plaatsgevonden staat niet vast. Onder 1 van de bewijsoverwegingen in het verkorte arrest heeft het hof wel overwogen dat verdachte is gehoord in de strafzaak tegen haar broer die werd verdacht van een poging tot diefstal met geweld in de gemeente Venlo op 2 juli 2005, maar het hof vermeldt niet aan welk wettig bewijsmiddel het dit gegeven heeft ontleend. Evenmin heeft het hof vastgesteld dat de broer van verdachte onherroepelijk voor dit feit is veroordeeld. In ieder geval is niet bewezen dat het partijtje zeker niet op 2 juli 2005 is geweest. De enige onjuistheid in de verklaring van verdachte zou kunnen zijn dat zij heeft gezegd er zeker van te zijn dat de datum 2 juli 2005 was, omdat zij twijfelde toen zij haar verklaring tekende.
4.4. Veroordeling voor meineed (artikel 207 Sr) verlangt dat de getuige opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd.(1) Voorwaardelijk opzet is voldoende.(2) Dan zal wel moeten vaststaan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft beseft en op de koop toegenomen dat zij een onjuiste verklaring heeft afgelegd.
De bewezenverklaring is mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd ontoereikend gemotiveerd. Zie het vergelijkbare HR 17 november 2009, LJN BJ8621, waarin een getuige ook stellige uitspraken onder ede deed maar in een later verhoor toegaf het niet meer te hebben geweten toen hij als getuige werd gehoord.
Beide onderdelen van het eerste middel treffen doel.
5.1. Het tweede middel klaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 17 augustus 2009 is het cassatieberoep ingesteld en de stukken zijn eerst op 24 november 2010 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
5.2. De in het middel gestelde data zijn correct. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is aldus met zeven maanden en zeven dagen overschreden. Als de Hoge Raad voor het overige het cassatieberoep verwerpt zal deze schending van de redelijke termijn dienen te worden gecompenseerd door een vermindering van de opgelegde straf.
6. De twee thans besproken klachten van het eerste middel zijn mijns inziens terecht voorgesteld. Dat dient tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden. Als de Hoge Raad deze conclusie niet deelt is in ieder geval het tweede middel doeltreffend. Dat zal moeten leiden tot een verlaging van de opgelegde straf.
7. Deze conclusie strekt primair tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch en subsidiair tot vermindering van de opgelegde straf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie bijv. HR 6 juli 2010, LJN BM5085; HR 30 mei 2006, LJN AV2343.
2 HR 7 februari 2006, NJ 2007, 396 m.nt. de Jong.