Nr. 11/03844
Mr. Vellinga
Zitting: 10 april 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "medeplegen van moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel, zes middelen van cassatie voorgesteld. Op 23 januari 2012 heeft verdachte een brief aan de rechter-commissaris geschreven. Deze brief is doorgestuurd naar de Hoge Raad. Omdat de brief niet afkomstig is van een raadsman kan daarop in cassatie geen acht worden geslagen.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie wegens schending van het in art. 54 SUO neergelegde ne-bis-in-idem-beginsel heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
4. Het Hof heeft het gevoerde verweer dat in strijd met art. 54 SUO is gehandeld als volgt verworpen:
"Het hof is voorts van oordeel dat er geen sprake is van schending van het in artikel 54 SUO neergelegde ne-bis-in-idem-beginsel, van het vertrouwensbeginsel, van artikel 5 EVRM of van strijd met het bepaalde in artikel 255 Sv.
Daarbij overweegt het hof allereerst dat het niet aan de Nederlandse rechter is om te beoordelen of de Bulgaarse rechter in deze de uitlevering van verdachte had moeten weigeren wegens strijd met het verbod op dubbele vervolging voor hetzelfde feit. Vaststaat dat zowel de rechtbank te Sliven als het gerechtshof te Burgas de uitlevering van verdachte hebben goedgekeurd. Deze beslissingen van gerechtelijke autoriteiten van een andere Overeenkomstsluitende Staat heeft de Nederlandse rechter te respecteren.
Het hof overweegt ten tweede dat de beslissing van de officier van justitie te Sliven van 16 maart 2006 naar zijn oordeel geen onherroepelijk vonnis is als bedoeld in artikel 54 SUO en in de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Of een "vonnis" (waarbij op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG ook beslissingen als de onderhavige van bevoegde justitiële autoriteiten moeten worden begrepen) als bedoeld in artikel 54 SUO onherroepelijk is, wordt bepaald door het recht van de lidstaat waar dit vonnis is gewezen (zie onder meer Hof van Justitie, 16 november 2010 in de zaak Mantello).
Er is door de beslissing van de officier van justitie van 16 maart 2006, zo neemt het hof onder meer aan op grond van de inhoud van het schrijven van de officier van justitie over de uitleg van het Bulgaarse recht in deze van 17 september 2010, naar Bulgaars recht geen onherroepelijk einde gekomen aan de strafvervolging van verdachte. Het hof overweegt daarbij dat het, anders dan de verdediging kennelijk meent, niet zo is dat de officier van justitie zijn eigen beslissing verdedigt of nader invult en dat daarom geen belang aan de inhoud van de brief van de officier van justitie moet worden gehecht, maar dat de officier uitlegt hoe in deze het Bulgaarse recht luidt. Het enkele feit dat die uitleg gegeven wordt door degene die beslissing van 16 maart 2006 heeft genomen, brengt nog niet mee dat die uitleg daarom niet correct of onbetrouwbaar zou zijn.
Daarbij is voorts van belang in ogenschouw te nemen dat uit de inhoud van de hiervoor geciteerde beslissing van de Bulgaarse officier van justitie te Sliven kan worden afgeleid, dat de beslissing om de strafvervolging tegen verdachte te staken ingegeven zijn door de bewijsrechtelijke regels zoals die kennelijk gelden in het Bulgaarse recht. Die regels, zo begrijpt het hof, brengen met zich dat in Nederland vergaard bewijs in de zaak tegen een medeverdachte, in Bulgarije niet gebruikt kan worden maar dat het bewijs opnieuw moet worden vergaard en gepresenteerd in Bulgarije in de zaak tegen verdachte zelf. Nu die bewijsvergaring middels aan Nederland gerichte rechtshulpverzoeken niet tot resultaten bleek te kunnen leiden, is de vervolging in Bulgarije gestaakt. Tot een inhoudelijke beoordeling die een definitief einde aan de strafvervolging van verdachte zou maken, is het in Bulgarije niet gekomen, terwijl ook geen sprake is van amnestie of verjaring.
(...)
Door de verdediging is nog een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Dit beroep gaat niet op. Eventueel opgewerkt vertrouwen dat verdachte niet verder zou worden vervolgd in Bulgarije strekt zich niet uit tot een latere beslissing van het openbaar ministerie in Nederland. De verdediging kon geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de Bulgaarse beslissing in die zin dat hij niet in Nederland meer zou worden vervolgd."
5. In de kern genomen komt het middel op tegen het oordeel van het Hof dat verdachte niet ter zake de onderhavige ten laste gelegde feiten reeds in Bulgarije bij onherroepelijk vonnis, als bedoeld in art. 54 SUO, is berecht.
6. Art. 54 SUO luidt:
"Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden."
7. Het Hof van Justitie van de EG/EU heeft in de gevoegde zaken van 11 februari 2003, C-187/01 en C-385/01, LJN AF4470, NJ 2004, 194, m.nt. JR (Gözütok en Brügge) met betrekking tot de uitleg van het begrip 'bij onherroepelijk vonnis (..) berecht' in de zin van art. 54 SUO overwogen:
"9
Gözütok is een Turks onderdaan die al enkele jaren in Nederland woont. Hij beheert in de gemeente Heerlen een snackbar genaamd 'Coffee- and Teahouse Schorpioen'.
10
In het kader van twee huiszoekingen in dit etablissement op 12 januari en 11 februari 1996 heeft de Nederlandse politie 1 kg Hasjiesj, 1,5 kg marihuana en 41 hasjiesjsigaretten respectievelijk 56 g hasjiesj, 200 g marihuana en 10 hasjiesjsigaretten aangetroffen en in beslag genomen.
11
Blijkens het dossier is de strafvervolging die tegen Gözütok in Nederland was ingesteld ter zake van de beslagleggingen op 12 januari en 11 februari 1996 beëindigd nadat verdachte de transactievoorstellen van het openbaar ministerie had aanvaard en de in het kader daarvan door het ministerie gevorderde bedragen van respectievelijk 3000 NLG en 750 NLG had voldaan.
(...)
19
Brügge, een te Rheinbach (Duitsland) wonende Duitse onderdaan, wordt door het Belgische openbaar ministerie vervolgd wegens het feit dat hij op 9 oktober 1997 te Oostduinkerke (België) in strijd met de artikelen 392, 398, lid 1, en 399, lid 1, van het Belgische strafwetboek B. Leliaert opzettelijk slagen of verwondingen heeft toegebracht die ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hadden.
20
Voor de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne, rechtsprekend in correctionele zaken, waarvoor Brügge is gedaagd, heeft Leliaert zich burgerlijke partij gesteld en vergoeding van morele schade ten bedrage van 20 000 BEF gevorderd, vermeerderd met interessen vanaf 9 oktober 1997.
21
In het kader van het onderzoek dat de Staatsanwaltschaft Bonn (openbaar ministerie te Bonn) (Duitsland) tegen Brügge had gelast omtrent de feiten waarvoor Brügge voor de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne was gedaagd, is Brügge bij brief van 22 juli 1998 een minnelijke schikking aangeboden tegen betaling van een bedrag van 1000 DEM. Aangezien Brügge op 13 augustus 1998 het voorgestelde bedrag heeft betaald, heeft het Duitse openbaar ministerie de strafvervolging beëindigd.
(...)
De prejudiciële vragen
25
Met hun vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in hoofdzaak te vernemen of het in artikel 54 SUO verankerde beginsel ne bis in idem mede toepasselijk is op procedures tot beëindiging van strafvervolging zoals aan de orde in de hoofdzaken.
26
Uit de bewoordingen van artikel 54 SUO blijkt reeds, dat iemand in een lidstaat kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten als waarvoor hij 'bij onherroepelijk vonnis' in een andere lidstaat is berecht.
27
Een procedure tot beëindiging van strafvervolging zoals aan de orde in de hoofdzaken is een procedure waarbij het openbaar ministerie op basis van een machtiging door de betrokken nationale rechtsorde besluit, de strafvervolging van een verdachte te beëindigen nadat deze heeft voldaan aan bepaalde voorwaarden, onder meer nadat hij een door het openbaar ministerie vastgestelde geldsom heeft betaald.
28
Derhalve moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat in het kader van een dergelijke procedure de strafvervolging wordt beëindigd door een beslissing die afkomstig is van een autoriteit die in de betrokken nationale rechtsorde deelneemt aan de strafrechtsbedeling.
29
In de tweede plaats zij vastgesteld dat een dergelijke procedure de aan de verdachte verweten strafbare gedraging bestraft, aangezien de gevolgen ervan zoals die in de toepasselijke nationale wetgeving zijn voorzien slechts intreden wanneer de verdachte zich ertoe verbindt bepaalde door het openbaar ministerie opgelegde verplichtingen na te komen.
30
In die omstandigheden moet worden geconcludeerd dat wanneer na een procedure zoals die in de hoofdzaken de strafvervolging definitief is beëindigd, de betrokkene moet worden geacht ter zake van de hem verweten feiten 'bij onherroepelijk vonnis [te zijn] berecht' in de zin van artikel 54 SUO. Wanneer de verdachte aan de hem opgelegde verplichtingen heeft voldaan, moet bovendien de in het kader van de procedure tot beëindiging van strafvervolging opgelegde straf worden geacht reeds te zijn 'ondergaan' in de zin van voormelde bepaling.
31
De omstandigheid dat in een dergelijke procedure geen rechter tussenkomt en dat de beslissing waartoe de procedure leidt, geen vonnis is, doet aan deze uitlegging niet af. Dergelijke procedure- en vormaspecten kunnen immers geen invloed hebben op de in de punten 28 en 29 van dit arrest beschreven gevolgen van deze procedure, die, nu artikel 54 SUO niet uitdrukkelijk anders bepaalt, toereikend moeten worden geacht voor de toepasselijkheid van het in deze bepaling neergelegde beginsel ne bis in idem."
8. Uit deze uitspraak, in het bijzonder par. 30, volgt dat ook wanneer een strafprocedure definitief is beëindigd door een beslissing van het openbaar ministerie de betrokkene moet worden geacht ter zake van de hem verweten feiten 'bij onherroepelijk vonnis [te zijn] berecht' in de zin van artikel 54 SUO.
9. Met betrekking tot de vraag of een vonnis als bedoeld in art. 54 SUO heeft te gelden als onherroepelijk in de zin van die bepaling is voorts van belang hetgeen het Hof van Justitie van de EG/EU overwoog in zijn arrest van 16 november 2010, C-261/09, LJN BO5860, NJ 2011, 86 ( Mantello):
(...)
Beantwoording van de prejudiciële vragen
32.
Met zijn prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of hij zich in omstandigheden als die in het hoofdgeding op grond van artikel 3 , punt 2, van het kaderbesluit mag verzetten tegen de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel.
33.
Uit de eerste vraag, die erop gericht is te vernemen of het in artikel 3 , punt 2, opgenomen begrip 'dezelfde feiten' een autonoom Unierechtelijk begrip is, blijkt namelijk dat de verwijzende rechter meent dat hij Mantello moet overleveren indien dit begrip uitsluitend wordt beoordeeld naar het recht van de uitvaardigende lidstaat of naar dat van de uitvoerende lidstaat. (...)
35.
Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het kaderbesluit, zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 1, leden 1 en 2 , en uit de punten 5 en 7 van de considerans ervan, tot doel heeft het multilaterale uitleveringssysteem tussen de lidstaten te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten van veroordeelde of verdachte personen voor tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of vervolging (arrest van 6 oktober 2009, Wolzenburg, C-123/08, Jurispr. p. I-9621, punt 56 ( NJ 2009/591 ; red .)).
36.
Het beginsel van wederzijdse erkenning, dat de basis vormt voor het kaderbesluit, impliceert krachtens artikel 1, lid 2 , van dit besluit dat de lidstaten in beginsel gehouden zijn gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel (arrest van 1 december 2008, Leymann en Pustovarov, C-388/08 PPU, Jurispr. p. I-8983, punt 51 ( NJ 2009/394 ; red .)).
37.
De lidstaten kunnen namelijk de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel slechts weigeren in de in artikel 3 van het kaderbesluit voorziene gevallen van verplichte weigering van de tenuitvoerlegging en in de in artikel 4 van het kaderbesluit opgesomde gevallen (zie in die zin arrest Leymann en Pustovarov, reeds aangehaald, punt 51).
38.
(...)
40.
Daar artikel 54 SUO en artikel 3, punt 2, van het kaderbesluit dezelfde doelstelling hebben, namelijk vermijden dat een persoon opnieuw strafrechtelijk wordt vervolgd of veroordeeld wegens dezelfde feiten, moet ervan worden uitgegaan dat de in het kader van de SUO gegeven uitlegging van dit begrip eveneens in de context van het kaderbesluit geldt.
41.
Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit ervan in kennis wordt gesteld dat er in een lidstaat een onherroepelijk vonnis bestaat voor 'dezelfde feiten' als die waarop het haar voorgelegde Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, moet deze autoriteit overeenkomstig artikel 3 , punt 2, van het kaderbesluit de tenuitvoerlegging van dit aanhoudingsbevel weigeren, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat.
42. (...)
45.
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat een gezochte persoon wordt geacht reeds onherroepelijk te zijn berecht ter zake van dezelfde feiten in de zin van artikel 3 , punt 2, van het kaderbesluit wanneer na een strafprocedure de strafvervolging definitief is beëindigd (zie naar analogie arresten van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge, C-187/01 en C-385/01, Jurispr. p. I-1345, punt 30 ( NJ 2004/194 ; red .), en 22 december 2008, Turanský, C-491/07, Jurispr. p. I-11039, punt 32 ( NJ 2009/511 ; red .)) of wanneer de rechterlijke instanties van een lidstaat een beslissing hebben genomen waarmee een verdachte definitief wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten (zie naar analogie reeds aangehaalde arresten Van Straaten, punt 61, en Turanský, punt 33).
46.
Of een in artikel 3 , punt 2, van het kaderbesluit bedoeld vonnis 'onherroepelijk' is, wordt bepaald door het recht van de lidstaat waar dit vonnis is gewezen.
47.
Een beslissing die volgens het recht van de lidstaat die een strafprocedure tegen een persoon heeft ingeleid, de strafvervolging op nationaal niveau voor bepaalde feiten niet onherroepelijk beëindigt, kan dus in beginsel geen procedurele belemmering zijn voor de inleiding of de voortzetting van een strafprocedure wegens dezelfde feiten tegen deze persoon in een lidstaat van de Unie (zie naar analogie arrest Turanský, reeds aangehaald, punt 36).
48.
Net als het geval is in het in artikel 57 SUO bedoelde kader van samenwerking, kan een uitvoerende rechterlijke autoriteit op grond van artikel 15, lid 2 , van het kaderbesluit de rechterlijke instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan een beslissing is genomen, verzoeken om juridische informatie over de precieze aard van deze beslissing teneinde vast te stellen of deze krachtens het nationale recht van die staat moet worden geacht de strafvordering op nationaal niveau definitief te hebben beëindigd (zie naar analogie arrest Turanský, reeds aangehaald, punt 37).
49.
(...)
50.
In omstandigheden als die in het hoofdgeding, waarin de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in antwoord op een door de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend verzoek om informatie in de zin van artikel 15, lid 2 , van het kaderbesluit, uitdrukkelijk heeft vastgesteld en toegelicht dat haar eerdere vonnis geen betrekking had op de in het aanhoudingsbevel omschreven feiten en dus niet in de weg stond aan de in dat aanhoudingsbevel bedoelde vervolging, moest deze uitvoerende rechterlijke autoriteit dan ook alle gevolgen trekken uit de beoordeling die de uitvaardigende rechtelijke autoriteit in haar antwoord heeft verricht.
51. (...)"
10. Uit de paragrafen 40 en 46 van deze uitspraak, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat de vraag of een vonnis in de zin van art. 54 SUO "onherroepelijk" is, wordt bepaald door het recht van de lidstaat waar dit vonnis is gewezen.
11. Het Hof heeft op basis van de in het arrest geciteerde brief van de Officier van Justitie te Sliven van 17 september 2010 geoordeeld dat naar Bulgaars recht met de beslissing van de Officier van Justitie van 16 maart 2006 geen onherroepelijk einde is gekomen aan de strafvervolging van verdachte. Deze brief, zoals door het Hof in het arrest geciteerd, houdt onder meer het volgende in:
"De strafzaak is geseponeerd middels een beschikking van de officier van justitie wegens gebrek aan bewijs. (...) Het seponeren van een strafrechtelijk onderzoek door de officier van justitie is in de Republiek Bulgarije niet onherroepelijk voor zover de reden voor het seponeren niet het verjaren van het strafrechtelijk onderzoek of amnestie is. In het geval er sprake is van nieuwe feiten en bewijsmiddelen in deze zaak is het mogelijk dat het strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte] in de Republiek Bulgarije wordt heropend en dat hij volgens de Bulgaarse wetgeving aan strafvervolging wordt onderworpen."
12. In aanmerking genomen hetgeen is overwogen in par. 40 van het arrest in de hiervoor aangehaalde zaak Mantello, vindt dit oordeel steun in de door het Hof aangehaalde beslissing van de door het Gerechtshof te Burgas bevestigde beslissing van de Rechtbank te Sliven d.d. 21 maart 2008 waarbij overlevering(1) van de verdachte aan Nederland toelaatbaar is verklaard. Art. 3, punt 2, van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ) houdt immers in dat tenuitvoerlegging van een Europees Aanhoudingsbevel moet worden geweigerd "als uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat." Die situatie deed zich kennelijk volgens de Rechtbank te Sliven niet voor.
13. Uit het voorgaande volgt dat het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting heeft kunnen oordelen dat verdachte in Bulgarije niet bij onherroepelijk vonnis is berecht als bedoeld in art. 54 SUO.
14. De toelichting op het middel bevat nog de stelling dat het Hof had moeten doen blijken in zijn overwegingen te hebben betrokken het eventueel opgewekte vertrouwen dat het OM in Nederland de strafvervolging niet zou hervatten omdat de overdracht van de strafvervolging aan Bulgarije daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het arrest bevat een bespreking van een beroep op het door de beslissing van de Bulgaarse autoriteiten (eventueel) opgewekt vertrouwen. Dat de verdediging ter invulling van het beroep op het vertrouwensbeginsel tevens zou hebben gewezen op door Nederland opgewekt vertrouwen hieruit voortvloeiende dat Nederland door overdracht van de zaak aan Bulgarije en strafvervolging aldaar, de verdachte niet alsnog zou vervolgen, lees ik niet in de pleitnota's die ter terechtzittingen van 16 juni 2010 en 2 december 2010 zijn overgelegd. Het Hof was daarom ook niet gehouden op dit - eerst in cassatie aangedragen - punt in te gaan.
15. Het middel faalt.
16. Het tweede middel klaagt dat het Hof zonder opgave van redenen heeft nagelaten de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die geen gehoor hebben gegeven aan de oproep om voor de rechter-commissaris te verschijnen, opnieuw op te roepen, terwijl de verdediging geen afstand had gedaan van deze getuigen.
17. Bij tussenarrest van 10 september 2009 heeft het Hof het verzoek van de verdediging om onder meer [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen toegewezen en de zaak (onder meer) daartoe verwezen naar de rechter-commissaris. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 maart 2010 houdt, voor zover hier relevant, in:
"De advocaat-generaal deelt mede - zakelijk weergegeven - als volgt:
De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn niet gehoord. Deze getuigen zijn onvindbaar. De rechter-commissaris heeft onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van de getuigen. Hieruit is gebleken dat [getuige 1] bij familie in Turkije zou verblijven. Hieromtrent is contact opgenomen met de Turkse liaison officier, die heeft medegedeeld dat het mogelijk is om naar aanleiding van een achternaam de verblijfplaats van een persoon op te sporen. Daarbij zijn echter ook de namen en geboortedata van de ouders nodig. Deze gegevens zijn onbekend. De naam [van getuige 1] komt veel voor. Bovendien bestaat geen indicatie waar [getuige 1] zich in Turkije ophoudt. Voorts is geen enkel aanknopingspunt gevonden voor een woon- en/of verblijfplaats van de getuige [getuige 2].
De raadsman van verdachte voert aan - zakelijk weergegeven - als volgt:
Ik ben van mening dat het kabinet rechter-commissaris uitgebreid onderzoek heeft gedaan. Ik acht het spijtig dat de getuigen [getuige 1 en 2] niet achterhaald zijn. Ik heb geen namen en geboortedata van de ouders van de getuige [getuige 1]. Ik doe geen afstand van deze getuigen"
18. Blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen na 26 maart 2010, de tussenarresten en het eindarrest heeft het Hof niet een hernieuwde oproeping van genoemde getuigen bevolen noch gemotiveerd aangegeven waarom hiervan werd afgezien.
19. Beveelt een rechter op de voet van art. 315 jo. 415 Sv op verzoek van de verdediging de oproeping van een getuige en verschijnt deze getuige op een nadere terechtzitting niet, dan dient de rechter aan de hand van het bepaalde in art. 287 jo. 415 Sv(2) te beslissen hoe te handelen. Is de oproeping van de getuige verzuimd of geweigerd en acht de verdediging oproeping wenselijk dan wel is een opgeroepen getuige niet verschenen, dan dient hernieuwde oproeping van de getuige plaats te vinden, tenzij bij met redenen omklede beslissing van het (opnieuw) oproepen van de getuige wordt afgezien.
20. Verdachtes raadsman heeft te kennen gegeven geen afstand te doen van de kennelijk niet voor horen door de rechter-commissaris opgeroepen getuigen [getuige 1 en 2]. Het Hof heeft hierin kennelijk geen verzoek gezien tot het (opnieuw) oproepen van deze getuigen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat verdachtes raadsman constateert dat er uitgebreid onderzoek is gedaan naar de verblijfplaats van de getuigen en hij geen aanknopingspunten geeft voor verder onderzoek. Daarop stuit het middel af.
21. Voor het geval de uitlating van verdachtes raadsman bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat verdachtes raadsman heeft verzocht om het (alsnog) oproepen van deze getuigen(3) diene het volgende.
22. Maatstaf voor de beoordeling van een verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 415 Sv is ingevolge art. 418, derde lid, Sv of de noodzaak daarvan is gebleken (HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626 rov. 3.3.1, zoals in HR 25 maart 2008, LJN BC6007, NJ 2008, 210 aangevuld met "ingevolge art. 418, derde lid, Sv"). Die maatstaf, zo oordeelde de Hoge Raad onder verwijzing naar onder meer art. 418 lid 3 Sv, geldt eveneens wanneer na toewijzing van een dergelijk verzoek ter terechtzitting en verwijzing naar de rechter-commissaris, na vergeefse oproeping voor een verhoor bij de rechter-commissaris, op een volgende terechtzitting opnieuw wordt verzocht de betreffende getuige te horen (HR 25 maart 2008, LJN BC6007, NJ 2008, 210). In HR 22 december 2009, LJN BJ3295, NJ 2010, 192, m.nt. J.M. Reijntjes oordeelde de Hoge Raad echter dat onder een "niet bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige of deskundige" als bedoeld in art. 418 lid 3 Sv slechts kan worden verstaan een getuige of deskundige die niet bij appelschriftuur is opgegeven, maar van wie opgave is gedaan overeenkomstig art. 414 in verbinding met art. 263 Sv. Daaruit moet kennelijk worden opgemaakt dat de Hoge Raad is teruggekomen op zijn oordeel dat art. 418 lid 3 Sv van toepassing is op de beoordeling van een verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 415 Sv. Dienovereenkomstig overwoog de Hoge Raad in zijn iets eerder gewezen arrest van 3 november 2009, LJN BK1798, NJ 2009, 553 ten aanzien van de procedure in hoger beroep reeds:
"Getuigen die na een bevel als bedoeld in art. 315, eerste lid, Sv niet zijn verschenen, moeten worden aangemerkt als "niet verschenen getuigen" als genoemd in art. 287, derde lid, Sv en in art. 288, eerste lid, Sv. Dat betekent dat die bepalingen van toepassing zijn in het geval dat de oproeping door het openbaar ministerie is verzuimd dan wel indien de getuige aan de bevolen oproeping of hernieuwde oproeping geen gevolg geeft."
Mogelijk ligt aan de door mij vermoede wijziging van uitleg van art. 418 lid 3 Sv ten grondslag dat de Hoge Raad niet heeft gewild dat er verschil in maatstaf zou bestaan tussen eerste aanleg en hoger beroep voor wat betreft de beoordeling van de situatie dat een getuige, van wie op de voet van art. 315 Sv de oproeping is bevolen, op een nadere terechtzitting niet verschijnt.
23. Zoals uit het voorgaande moge blijken en bevestiging vindt in regelmatig hanteren van de onjuiste maatstaf bij de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen zoals deze blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad, zou het uit een oogpunt van heldere en efficiënte rechtspleging overweging verdienen dat de Hoge Raad zijn rechtspraak nog eens voor de in de praktijk regelmatig voorkomende situaties samenvat.
24. Vooropgesteld dat de uitlating van verdachtes raadsman bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat verdachtes raadsman heeft verzocht om het (alsnog) oproepen van deze getuigen, had het Hof dus op de voet van art. 287 lid 3 Sv op straffe van nietigheid (art. 330 Sv) aan de hand van de in art. 288 lid 1 Sv vermelde maatstaven, waaronder het verdedigingscriterium, dienen te beslissen over het verzoek van de raadsman.(4)
25. Nu evenwel verdachtes raadsman, hoewel daartoe op nadere terechtzittingen de gelegenheid bestond, niet is teruggekomen op het verzuim te beslissen op een verzoek tot het horen van bedoelde getuigen en hij in zijn pleidooi ter terechtzitting van 16 juni 2010 slechts constateert dat de getuigen niet gehoord zijn(5), moet het ervoor worden gehouden dat hij het verzoek heeft laten varen en heeft de verdachte dus geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft beslist omtrent het verzoek.(6) Derhalve behoeft het middel niet tot cassatie te leiden, ook al zou bedoelde uitlating van verdachtes raadsman bezwaarlijk anders kunnen worden verstaan dan dat verdachtes raadsman heeft verzocht om het (alsnog) oproepen van deze getuigen.
26. Het middel faalt c.q. is tevergeefs voorgedragen.
27. Het derde middel klaagt dat het Hof het arrest, dat geen verkort arrest in de zin van art. 365a jo 415 Sv is, op ontoelaatbare wijze heeft aangevuld met bewijsmiddelen.
28. Het Hof heeft, zoals in het middel wordt betoogd, geen verkort arrest gewezen, maar een uitgewerkt arrest volgens de zogenaamde promis-methode. Niettemin heeft het Hof voorzien in een aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv. In een dergelijke aanvulling voorziet de wet in een geval als het onderhavige, waarin immers geen verkort arrest is gewezen, niet. De aanvulling bewijsmiddelen zal dus buiten beschouwing moeten blijven.(7) Tot vernietiging van het arrest hoeft het niet te leiden.
29. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
30. Het vierde middel komt met verschillende bewijsklachten op tegen de bewezenverklaring.
31. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 28 juni 2003 te Tiel op de Rijksweg A15, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader opzettelijk na een (kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen op voornoemde [slachtoffer] schoten, waaronder twee 'nekschoten' hebben afgevuurd en voornoemde [slachtoffer] hebben achtergelaten op de rijbaan van de A15, waarna het lichaam van voornoemde [slachtoffer] meerdere keren is overreden door voertuigen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden"
32. Het Hof heeft in zijn bewijsoverwegingen onder meer het volgende overwogen:
"De vraag die door het hof beantwoord moet worden is of verdachte de mededader van [getuige 3] is geweest. In het dossier bevinden zich een aantal getuigenverklaringen waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de moord naar voren komt. Het hof zal (de relevante delen uit) die verklaringen eerst weergeven, waarna het hof in zal gaan op de betrouwbaarheid van die getuigenverklaringen.
33. Na deze bewijsoverweging heeft het Hof onder het kopje Getuigenverklaringen relevante delen uit de verklaringen van de volgende getuigen weergegeven: [getuige 4], [getuige 3], [getuige 5], [getuige 2], [getuige 1], [getuige 6] en [getuige 7].
34. De eerste drie klachten hebben betrekking op de verklaring van [getuige 4], zoals door het Hof in het arrest als volgt is weergegeven(8):
"[Getuige 4] heeft tegenover de politie verklaard dat hij ongeveer 20 dagen tot een maand voor 27 juni 2003 is gebeld door [getuige 3]. [Getuige 3] vroeg [getuige 4] of deze iemand in Den Haag wist die geld nodig had. [Getuige 3] zei dat hij één zaak had en dat 'als hij die geregeld had, hij het land moest verlaten'. [Getuige 3] zei dat hij bij een persoon tegoeden had die gevorderd moesten worden. Na een tijdje is [getuige 4] met [getuige 7] naar café [A] in Gorinchem gegaan. [Getuige 4] heeft met verdachte - die door [getuige 4] [verdachte] wordt genoemd - en [getuige 3] aan een tafel gezeten. [Getuige 7] en verdachte spraken Bulgaars met elkaar. [Getuige 4] heeft gezien dat [getuige 3] een groot geldbedrag aan verdachte gaf. Verdachte heeft dit geld afgegeven aan [getuige 7], om het geld aan de familie van verdachte te geven."
35. Geklaagd wordt dat (i) het Hof de verklaring van [getuige 4] heeft gedenatureerd nu het Hof de indruk wekt dat [getuige 4] uit eigen waarneming heeft verklaard dat verdachte het geld aan [getuige 7] gaf om het geld aan verdachtes familie te geven, terwijl [getuige 4] heeft verklaard dat hij een Bulgaarse vriendin heeft en zodoende een aantal Bulgaarse woorden kent en dat hij begreep dat [getuige 7] het geld aan verdachtes familie moest geven, (ii) de verklaring van [getuige 4] niets behelst dat op medeplegen van moord door verdachte wijst en (iii) de verklaring onvolledig is, nu het Hof zou hebben weggelaten dat [getuige 4] voorts zou hebben verklaard dat toen hij het geld zag, hij dacht dat verdachte "de vrouwen compleet aan [getuige 3] verkocht zou hebben".
36. De eerste klacht faalt. De getuige heeft met zijn verklaring over zijn (beperkte) kennis van de Bulgaarse taal de redenen van wetenschap gegeven voor de tussen verdachte en [getuige 7] afgesproken bestemming van het geld. Deze redenen van wetenschap hebben ertoe geleid dat het Hof heeft geoordeeld dat de verklaring van [getuige 4] over de bestemming van het geld betrouwbaar is. Van denaturering is geen sprake.
37. De tweede klacht faalt eveneens. Het Hof heeft verdachtes betrokkenheid bij de moord afgeleid uit de verklaringen van verschillende getuigen. Deze verklaringen, waaronder die van [getuige 4], dienen niet los van elkaar te worden gelezen, maar in onderling verband en samenhang.
38. Ook de derde klacht faalt. Het Hof heeft dit gedeelte van [getuige 4]s verklaring kennelijk niet geloofwaardig geacht. Gelet op de vrijheid die de feitenrechter toekomt in de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal, stond het het Hof vrij om de verklaring van [getuige 4] over de bestemming van het geld voor het bewijs te gebruiken en dat niet te doen ten aanzien van [getuige 4]s verklaring over de achtergrond van het geldbedrag. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(9)
39. De volgende drie klachten hebben betrekking op de verklaring van [getuige 3], zoals door het Hof in het arrest als volgt is weergegeven: .
"[Getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij vanuit zijn café in Gorinchem samen met een Bulgaar [slachtoffer] heeft opgehaald. Ze zijn vervolgens met z'n drieën naar de snelweg te Tiel gereden. Daar zijn ze op de vluchtstrook van de rijbaan gestopt. Ze zijn daar uitgestapt, en er is, volgens [getuige 3] door die Bulgaarse man op [slachtoffer] geschoten en [slachtoffer] is daar achtergelaten. Daarna zijn [getuige 3] en de Bulgaar teruggereden naar het café van [getuige 3] in Gorinchem. Onderweg terug naar het café heeft [getuige 3] gebeld met [getuige 5] die zich op dat moment in het café van [getuige 3] bevond. [Getuige 3] heeft toen [getuige 5] gevraagd de zijdeur van het café open te laten. Toen zij daar aankwamen, waren [getuige 2], [getuige 5] en [getuige 1] aanwezig. De Bulgaar heeft nog gebeld met de telefoon van [getuige 3]. Hij heeft schone kleren gekregen en mocht blijven slapen. De Bulgaar is echter via het balkon weggegaan. [Getuige 3] heeft verdachte voor 70 tot 90 procent herkend als de onbekende Bulgaar waarover hij heeft verklaard."
40. Geklaagd wordt dat (i) [getuige 3] niet als door hemzelf waargenomen feit heeft verklaard "De Bulgaar is echter via het balkon weggegaan", maar blijkens diens verklaring "De kamer waar de man sliep heeft een balkon. Het dak van mijn keuken is daar onder. Hij moet daar op gesprongen zijn en zo misschien via de boom zijn weggegaan." de conclusie heeft getrokken dat de Bulgaar via het balkon is weggegaan. Voorts wordt geklaagd (ii) dat [getuige 3] niet zou hebben verklaard dat door de Bulgaarse man op het slachtoffer is geschoten en het slachtoffer daar is achtergelaten, maar dat de man het slachtoffer achterna ging, dat hij schoten hoorde, dat hij verder niets meer heeft kunnen zien en dat hij dacht dat de man (de Bulgaar) het slachtoffer niet had kunnen krijgen. Daarnaast (iii) wordt geklaagd dat de verklaring van [getuige 3] onvoldoende gegevens bevat om de rol van de Bulgaarse man als medeplegen te typeren en dat er onzekerheid is in de herkenning door [getuige 3] van verdachte als die Bulgaarse man.
41. Het Hof heeft kennelijk op grond van verdachtes kennelijk voor het bewijs gebezigde verklaring dat hij het café via het balkon heeft verlaten(10) geoordeeld en kunnen oordelen dat de door [getuige 3] getrokken conclusie dat de verdachte via het balkon is weggegaan terecht is getrokken. Aldus kan de in de verklaring van [getuige 3] vervatte conclusie worden vereenzelvigd met een conclusie die het Hof zelf heeft getrokken en behoeft de omstandigheid dat de verklaring van [getuige 3] een conclusie bevatte niet tot cassatie te leiden.(11)
42. De tweede klacht is terecht voorgesteld. Door de verklaring van [getuige 3] weer te geven als in het arrest vermeld heeft het Hof aan de verklaring van [getuige 3] een andere betekenis gegeven dan overeenstemt met hetgeen [getuige 3] heeft verklaard. Diens verklaring tegenover de rechter-commissaris luidde immers - voor zover van belang -:
"De man ging [slachtoffer] achterna. Op het moment dat ik zag dat [slachtoffer] de vangrail over was gegaan, waarover ik zojuist heb verklaard had de man al op mij geschoten. Ik hoorde schoten en verder heb ik niets meer gezien. Ik ben in de tussentijd naar mijn auto gelopen, en probeerde de sleutels in het contact te steken. De sleutelbos viel op de grond. Toen ik de sleutels op pakte was de man alweer terug. Hij ging in de auto zitten met een wapen in de hand. Hij hield de hand met het wapen op zijn benen. Ik heb de motor gestart, hij zei rijd. Ik weet niet hoever we gereden zijn. Ik vroeg waarom hij dit deed. Ik zei je hebt de ruit van mijn auto kapot geslagen. Ik wilde dat weekend op reis gaan naar Turkije. Ik dacht dat hij [slachtoffer] niet had kunnen krijgen."(12)
Dat de Bulgaarse man op [slachtoffer] heeft geschoten valt in de verklaring van [getuige 3] niet te lezen. Nu dat wel is bewezenverklaard, raakt het onderhavige gebrek het hart van de bewijsvoering.
43. De klacht dat de verklaring van [getuige 3] onvoldoende gegevens bevat om medeplegen aan te kunnen nemen, faalt. Zoals hiervoor onder 37 is opgemerkt, heeft het Hof verdachtes betrokkenheid bij de moord afgeleid uit de verklaringen van verschillende getuigen en dienen de getuigenverklaringen niet los van elkaar te worden gelezen, maar in onderling verband en samenhang.
44. Het middel formuleert drie klachten over de verklaring van [getuige 5], zoals door het Hof in het arrest als volgt is weergegeven:
"[getuige 5] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [getuige 3] hem in de nacht van 28 juni 2003 in het café belde met het verzoek om de zijdeur voor [getuige 3] open te laten. Enige tijd na dat telefoontje kwam [getuige 3] samen met een Bulgaarse man het café binnen. [Getuige 2] en [getuige 1] waren op dat moment ook aanwezig. Het leek alsof er bloedvlekken op de kleding van de Bulgaarse man zaten. Toen [getuige 3] binnenkwam, stuurde hij [getuige 5], [getuige 2] en [getuige 1] gelijk naar boven. De volgende dag hoorde [getuige 5] van [getuige 2] en [getuige 1] dat de Bulgaar was gevlucht."
45. Geklaagd wordt (i) dat uit de verklaringen van [getuige 5] niet volgt dat hij met de "Bulgaarse man" verdachte op het oog had, (ii) voorts dat de verklaring dat "het leek alsof er bloedvlekken op de kleding van de Bulgaarse man zaten" onvoldoende duidelijk aangeeft of het hier om een eigen waarneming dan wel een gissing gaat en (iii) dat de verklaring dat hij van [getuige 2] en [getuige 1] had gehoord dat de Bulgaar was gevlucht, voor de bewezenverklaring van het medeplegen van moord niets oplevert.
46. De verklaring dat "het leek alsof er bloedvlekken op de kleding van de Bulgaarse man zaten" betreft een eigen waarneming. Hiermee geeft de getuige aan dat op de kleding rode vlekken zaten, die naar uiterlijke waarneming lijken op bloedvlekken. De tweede klacht gaat dus niet op. De overige klachten miskennen dat het Hof verdachtes betrokkenheid bij de moord heeft afgeleid uit de verklaringen van verschillende getuigen en dat de getuigenverklaringen niet los van elkaar dienen te worden gelezen, maar in onderling verband en samenhang.
47. Ten aanzien van de verklaring van [getuige 2] wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het Hof deze relevant acht voor de bewezenverklaring. Daartoe wordt erop gewezen dat die verklaring niets behelst waaruit kan worden opgemaakt welke van de drie Bulgaren die [getuige 2] de avond ervoor heeft gezien, "de Bulgaar is".
48. De verklaring van [getuige 2] is door het Hof in het arrest als volgt weergegeven:
"[Getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris (deels) onder ede verklaard dat hij zich die desbetreffende nacht ook in het café van [getuige 3] bevond. Hij heeft verklaard dat [getuige 3] die nacht rond 02.30 uur naar hem toekwam en vroeg naar kleding. [Getuige 2] zag bloed op het lichaam en de kleren van de Bulgaar. Hij heeft de Bulgaar kleren gegeven. Hij heeft deze Bulgaar goed gezien. Hij herkende hem meteen, deze Bulgaar was namelijk in de avonduren ook als klant in het café geweest. [Getuige 2] moest van [getuige 3] naar boven. Na een tijdje kwam [getuige 3] in de kamer van [getuige 2] en vertelde dat de Bulgaar was gevlucht. [Getuige 2] heeft de Bulgaar herkend van de avond ervoor, op 27 juni 2003. Hij was toen met twee andere Bulgaren. [Getuige 3] is toen nog bij hen aan tafel gaan zitten."
49. Ook deze klacht gaat eraan voorbij dat het Hof verdachtes betrokkenheid bij de moord heeft afgeleid uit de verklaringen van verschillende getuigen en dat de getuigenverklaringen niet los van elkaar dienen te worden gelezen, maar in onderling verband en samenhang.
50. Het middel behelst voorts klachten over de overweging van het Hof betreffende de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1]. Deze overweging luidt als volgt:
"Ten aanzien van de herkenning van verdachte door getuige [getuige 1] is het hof eveneens van oordeel dat hier kritisch mee om dient te worden gegaan, nu deze getuige naar eigen zeggen alcohol en drugs had gebruikt op het moment dat hij de Bulgaar 's nachts heeft gezien. [Getuige 1] heeft omtrent de herkenning tegenover de politie het volgende verklaard:
"Ik heb één persoon voor 100 procent herkend als de persoon die die nacht samen met [getuige 3] is gekomen. Ik vergeet een gezicht niet snel als ik eenmaal een gezicht heb gezien. Ik herken hem aan zijn gezicht en dan vooral aan zijn oren en de vorm van zijn kaak. Toen had hij iets langer haar. Ik heb me de hele tijd er mee bezig gehouden hoe hij er uit zag. Het beeld dat ik in mijn gedachten had van die persoon die bij [getuige 3] was die nacht waarover ik verklaard had, werd bevestigd toen ik die persoon op de foto zag die ik zojuist heb aangewezen bij de fotoconfrontatie. Omdat hij zo binnenkwam, kijk je op het gezicht van die persoon en dat heeft mijn aandacht getrokken. Die avond tussen 21.00 en 22.00 uur zaten zij, waaronder deze man van de foto om de tafel in het café van [getuige 3]. Dit was de eerste keer dat ik deze man gezien heb. Die persoon passeerde mij, zodat ik hem precies kon zien.
Ik kon hem goed in zijn gezicht zien. Ik denk dat hij mij passeerde op nog geen afstand van een halve meter.
Gelet op bovenstaande gedetailleerde uitleg bij de herkenning en bij gebrek aan gegevens dat [getuige 1] zodanig onder invloed was van alcohol en/of drugs dat hij verdachte niet heeft kunnen herkennen, is het hof van oordeel dat de herkenning als voldoende betrouwbaar voor het bewijs kan worden gebezigd."
51. Geklaagd wordt dat de weerlegging van het beroep op onbetrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] onbegrijpelijk is. Daarbij wordt erop gewezen dat de verklaring van [getuige 1] geen bijzondere kenmerken van de verdachte bevat waaraan [getuige 1] deze heeft herkend terwijl voorts niet valt in te zien hoe een gebrek aan gegevens over de mate van invloed waaronder [getuige 1] verkeerde aan de betrouwbaarheid van diens verklaring kan bijdragen.
52. Anders dan in de toelichting op het middel besloten ligt behoeft de herkenning van de verdachte gelet op hetgeen [getuige 1] daarover heeft opgemerkt in de door het Hof overigens geschetste omstandigheden van het geval niet in de weg te staan aan de betrouwbaarheid daarvan. Eveneens anders dan in de toelichting op het middel besloten ligt, heeft het Hof het ontbreken van gegevens over de mate van invloed van alcohol en drugs waaronder [getuige 1] ten tijde van de herkenning van verdachte verkeerde, niet aan de betrouwbaarheid van diens verklaring ten grondslag gelegd doch slechts geoordeeld dat niet gebleken is dat die invloed zo groot was dat deze aan de betrouwbaarheid van diens verklaring in de weg stond. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt gesteld staat dus niet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof over de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] in de weg.
53. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] wordt geklaagd dat deze verklaringen niets behelzen dat duidt op moord op het niveau van medeplegen. Deze verklaringen luiden, zoals in het arrest is weergegeven:
"[Getuige 6]
[Getuige 6] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 29 juni 2003 telefonisch contact heeft gehad met verdachte. Verdachte vertelde hem toen dat hij in de bus zat en onderweg was naar Bulgarije.
[Getuige 7]
[Getuige 7] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 17 juli 2003 is gebeld door [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) die vroeg naar het telefoonnummer van [getuige 3] uit Gorinchem. [Getuige 7] heeft doorgegeven dat [getuige 3] niet tevreden was en dat hij het geld terug wilde hebben."
54. Ook deze klachten gaat eraan voorbij dat het Hof verdachtes betrokkenheid bij de moord heeft afgeleid uit de verklaringen van verschillende getuigen en dat de getuigenverklaringen niet los van elkaar dienen te worden gelezen, maar in onderling verband en samenhang.
55. Het middel klaagt er voorts over dat het Hof geen enkele vaststelling heeft gedaan over de herkomst en de ouderdom van de vlekken op de kleding van de Bulgaar, terwijl het oordeel dat verdachte als huurmoordenaar is opgetreden, louter van speculatieve aard is.
56. Waarom het ontbreken van enige vaststelling over de herkomst en de ouderdom van de vlekken op de kleding van de Bulgaar aan toereikende motivering van bewezenverklaring in de weg zou staan wordt niet duidelijk gemaakt. Het optreden van verdachte als huurmoordenaar heeft het Hof aannemelijk geacht op grond van de verklaringen van [getuige 4] en is dus niet van louter speculatieve aard. Ook deze klachten gaan dus niet op.
57. Gelet op de samenhang tussen de voor het bewijs gebezigde verklaringen, is de bewezenverklaring - zo geen sprake zou zijn van het gebrek in de weergave van de voor het bewijs essentiële verklaring van [getuige 3] (zie punt 42) - toereikend gemotiveerd.
58. Het middel slaagt voor zover wordt geklaagd over de samenvatting door het Hof van de verklaring van [getuige 3] over het schieten op het slachtoffer. Voor het overige faalt het middel.
59. Het vijfde middel klaagt dat het Hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de (on)betrouwbaarheid en onbruikbaarheid van de verklaring van [getuige 4], door die verklaring voor het bewijs te bezigen terwijl dit gebruik onvoldoende is gemotiveerd omdat andere bewijsmiddelen die de verklaring op essentiële onderdelen steunen, ontbreken.
60. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat een verklaring, waar van de betrouwbaarheid is betwist, slechts dan voor het bewijs mag worden gebruikt als deze verklaring op essentiële, de kern van het verwijt rakende, onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Hiermee stelt het middel een eis die het recht niet kent.
61. Het middel faalt.
62. Het zesde middel behelst de klacht dat de door het Hof opgelegde straf in het licht van de door het Hof genoemde omstandigheden verbazing wekt.
63. Het arrest houdt ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf het volgende in:
"De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens medeplegen van moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren. De rechtbank Arnhem heeft de verdachte wegens medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden. Verdachte is in hoger beroep gekomen.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens medeplegen van moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.
Het hof heeft net als de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - de navolgende omstandigheden.
Verdachte heeft samen met medeverdachte [getuige 3] het slachtoffer [slachtoffer] op uiterst gruwelijke wijze vermoord. Wat voor [getuige 3] precies het motief is geweest is niet duidelijk.
Ten aanzien van verdachte is aannemelijk dat hij louter op grond van een geldelijk motief als huurmoordenaar is opgetreden en dat hij samen met [getuige 3] het slachtoffer [slachtoffer] heeft geliquideerd.
Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van geen respect voor het leven van een medemens. Er is onpeilbaar leed toegebracht aan de familieleden van [slachtoffer]. Aan te nemen valt dat zij dat leed en de mede als gevolg daarvan ontstane psychische schade nog lang, mogelijk de rest van hun leven, zullen ervaren.
Het ernstige gevolg van het bewezenverklaarde en de wijze waarop het bewezenverklaarde handelen is uitgevoerd, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen, en voor diegenen die op de een of andere wijze getuige zijn geweest van het incident in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Er is sprake van grof en dodelijk geweld op de openbare weg, waarbij onschuldige voorbijgangers (die nota bene buiten hun schuld over het lichaam van [slachtoffer] heen zijn gereden) bij het besef wat hun was overkomen ernstig geschrokken zijn.
Moord, zoals in het onderhavige geval bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.
Het hof is van oordeel dat, gezien de hiervoor geschetste omstandigheden waaronder de moord is gepleegd, in beginsel een gevangenisstraf van 15 jaar op zijn plaats zou zijn geweest.
Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de tijd die verdachte in Bulgaarse voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (ongeveer 10 maanden). Verder is van belang dat verdachte al geruime tijd onder de dreiging van strafvervolging heeft moeten leven. Ook is relevant dat [getuige 3] onherroepelijk tot 13 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Tenslotte speelt in het voordeel van verdachte mee dat hij als first-offender heeft te gelden.
Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, in ogenschouw nemend, is het hof van oordeel dat een straf van 13 jaar passend en geboden is, met aftrek van de tijd die verdachte zowel in uitleveringsdetentie in Bulgarije en in verzekering en voorlopige hechtenis in Nederland heeft bevonden.
Het hof is van oordeel dat tussen het tijdstip van het aanvangen van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en het tijdstip van de uitspraak van de strafzaak in hoger beroep een groot tijdsverloop zit, doch het hof acht dit tijdsverloop niet zodanig dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Daarbij is van belang dat de verdachte naar Bulgarije is gevlucht en de strafvervolging naar dat land is overgedragen geweest. Het tijdsverloop dat is verstreken sinds de verdachte in uitleveringsdetentie kwam te verkeren, acht hof, mede gelet op het vele (nadere) onderzoek ook op verzoek van de verdediging, niet zodanig lang dat sprake is van schending van de redelijke termijn."
64. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het, in het licht van de genoemde omstandigheden en in het licht van de omstandigheden die zijn betrokken bij de oplegging van straf aan [getuige 3], verbazing wekt dat het Hof tot een gevangenisstraf is gekomen die overeenkomt met de aan [getuige 3] opgelegde straf. Bij de oplegging van de straf aan [getuige 3] is rekening gehouden met het feit dat hij reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven, terwijl bij de oplegging van de straf aan verdachte is betrokken dat verdachte niet eerder is veroordeeld, dat hij 10 maanden in Bulgarije in hechtenis heeft doorgebracht en dat hij al geruime tijd onder de dreiging van strafvervolging heeft moeten leven.
65. Zijdens verdachte is niet gesteld en door het Hof is ook niet vastgesteld dat bij de bepaling van de aan [getuige 3] opgelegde straf rekening is gehouden met het feit dat hij reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsmisdrijven. Derhalve mist het middel feitelijke grondslag.
66. Overigens is de strafmotivering, in aanmerking genomen dat het Hof verdachte als huurmoordenaar ziet en over de motieven van mededader [getuige 3] niets kon vaststellen, niet onbegrijpelijk, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat [getuige 3] eerder geweldsmisdrijven zou hebben gepleegd.
67. Het middel faalt.
68. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
69. Het vierde middel slaagt voor zover wordt geklaagd over de weergave van de verklaring van [getuige 3]. Voor het overige falen de middelen.
70. Het derde, het vijfde en het zesde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering, zoals ook het vierde middel voor zover dit faalt.
71. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Het Hof spreekt per abuis van uitlevering.
2 HR 3 november 2009, LJN BK1798, NJ 2009, 553, rov. 2.4.
3 Volgens Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 13 op art. 316 Sv (bijgewerkt tot 1 april 2004) komt het horen van getuigen door een gedelegeerd rechter/raadsheer niet in de plaats van het horen van getuigen ter terechtzitting. Voorts wordt gesteld dat het praktijk is dat het horen van getuigen door de rechter-commissaris dikwijls wordt opgedragen vanuit de verwachting dat er nadien, conform art. 288 lid 3, door de OvJ en verdachte mee zal worden ingestemd dat van oproeping of hernieuwde oproeping zal worden afgezien. Zie voor een ander standpunt de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 8 september 2009, LJN BI4059, punt 17: "Het Hof is wel bevoegd maar niet verplicht om alsnog uitvoering van de oorspronkelijke onderzoeksopdracht te bevelen. De verdediging die erop staat dat de getuige wordt gehoord, zal daarom opnieuw moeten verzoeken."
4 Zo ook C.P.J. Scheele, Het beoordelen van getuigenverzoeken: een leidraad voor de praktijk, Strafblad 2011, p. 62-72, in het bijzonder p. 64.
5 Pleitnota, p. 24.
6 Vgl. HR 11 maart 2008, LJN BC4460, rov. 3.4.
7 Zie HR 31 januari 2012, LJN BT6453 waarin net als in casu sprake was van een uitgewerkt arrest. Uit het arrest volgt dat de Hoge Raad de aanvulling bewijsmiddelen buiten beschouwing heeft gelaten. Zie voorts HR 15 maart 2011, LJN BP1284, NJ 2001, 137, waarin van een iets ander geval sprake was: in de bewijsmotivering in het verkorte arrest waren geen vindplaatsen van bewijsmiddelen opgenomen terwijl in de aanvulling op het verkorte arrest alleen de bewijsmiddelen werden genoemd maar de inhoud daarvan niet werd weergegeven. Dat kon volgens de Hoge Raad niet door de beugel: wordt een verkort arrest gewezen dan dient de aanvulling de inhoud van de bewijsmiddelen te bevatten, niet louter de aanduiding van de bewijsmiddelen.
8 In deze en de hierna volgende weergaven van de getuigenverklaringen heb ik omwille van de leesbaarheid de voetnoten niet opgenomen.
9 Vgl. o.a. HR 1 april 2003, NJ 2003, 553, rov. 3.3.
10 Arrest, p. 12, onder verwijzing naar de verklaring van de verdachte op p. 306 en p. 307 van het proces-verbaal.
11 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Kluwer 2011, zevende druk, p. 695 en daar aangehaalde rechtspraak.
12 Proces-verbaal, p. 173.