Nr. 11/05186 B
Mr. Vellinga
Zitting: 3 juli 2012
Conclusie inzake:
[Verzoekster=de veroordeelde]
1. De Rechtbank te Utrecht heeft verzoekster bij beschikking van 25 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard in haar op de voet van art. 575, derde lid, Sv aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
2. Namens verzoekster heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie merk ik het volgende op.
4. Onder de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevindt zich een akte rechtsmiddel met daaraan gehecht een brief d.d. 8 november 2011 van mr. B.A.S. van Leeuwen gericht aan de strafgriffie van de Rechtbank te Utrecht. Deze brief houdt in als mededeling van verdachtes raadsman aan de griffier dat verzoekster zich niet kan verenigen met de beschikking en zij hem heeft "verzocht om namens haar cassatie in te stellen bij de Hoge Raad der Nederlanden". Voorts houdt de brief in dat de raadsman de griffie van de Rechtbank Utrecht machtigt om "namens cliënte voormeld en haar advocaat" cassatie in te stellen. Dit doet de vraag rijzen of hiermee is voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010, 102 aan een dergelijke volmacht gestelde eis dat deze moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte, of zoals in casu verzoekster, bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van dat beroep.
5. Uit HR 1 november 2011, LJN BT6444 en HR 3 april 2012, LJN BV9108 volgt dat een verklaring dat de raadsman namens zijn cliënt het rechtsmiddel aanwendt, niet kan gelden als een verklaring dat hij door zijn cliënt bepaaldelijk gevolmachtigd is om het rechtsmiddel aan te wenden.(1) De onderhavige volmacht van de advocaat houdt echter bovendien in dat verzoekster hem heeft verzocht om namens haar cassatie in te stellen. Ik meen dat daarin gelezen kan worden dat de raadsman door verzoekster bepaaldelijk is gevolmachtigd om cassatie in te stellen.
6. Voor deze welwillende lezing van de brief van de raadsman aan de griffier pleit dat de Hoge Raad blijkens zijn arrest van 29 mei 2012, LJN BW6670 bij de lezing van de verklaring van de raadsman enige coulance betracht. Volgens de Hoge Raad kon de verklaring van de raadsman dat hij een griffiemedewerker "uitdrukkelijk als gevolmachtigde [machtigt] beroep in cassatie in te stellen" immers aldus worden verstaan dat de raadsman verklaart dat hij "door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd" tot het instellen van dat beroep.
7. Gelet op het vorenstaande meen ik dat de inhoud van de volmacht niet in de weg staat aan ontvankelijkheid van verzoeksters beroep in cassatie.
8. Ingevolge art. 575, derde lid, Sv is verzoekster in haar cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het dossier bevinden zich geen stukken waaruit kan volgen dat verzoekster op haar desbetreffende verplichting is gewezen of dat aan de verplichting tot consignatie is voldaan. Uit namens mij op 13 juni 2012 telefonisch ingewonnen inlichtingen bij de Rechtbank te Utrecht volgt dat verzoekster niet is gewezen op haar verplichting en dat zij evenmin aan deze verplichting heeft voldaan. Bij schrijven van 13 juni 2012 heeft de Rechtbank te Utrecht deze informatie bevestigd. Aan een voorwaarde voor ontvankelijkheid van het beroep in cassatie is dus (nog) niet voldaan.
9. Het voorgaande brengt mee dat ik (vooralsnog) niet aan bespreking van de middelen toekom.
10. Gelet op het vorenstaande concludeer ik dat de Hoge Raad - overeenkomstig HR 22 september 2009, LJN BJ7993 - in een tussenbeschikking zal bepalen dat verzoekster alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld aan haar verplichting tot consignatie te voldoen door binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn nadat de Griffier van de Rechtbank te Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, alsnog een door de Griffier van de Rechtbank te bepalen bedrag, bestaande in het verschuldigde bedrag en al de kosten, ter griffie van de Rechtbank te Utrecht bij wijze van consignatie te betalen en dat iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.(2)
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 In HR 1 november 2011, LJN BT6444 hield de volmacht van de raadsman aan de griffie in dat de raadsman de medewerkers van de griffie machtigde "om voor en namens mij c.q. mijn cliënt" cassatie in te stellen. De volmacht in HR 3 april 2012, LJN BV9108 hield in dat de raadsman "namens mijn cliënt" de griffie machtigde om cassatie in te stellen.
2 Overigens belet niets verzoekster om nogmaals een bezwaarschrift in te dienen. Dat verzoekster door de Rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard had er immers mee te maken dat de situatie waar art. 575 lid 3 Sv op ziet, zich naar het oordeel van de Rechtbank (nog) niet voordeed.