Nr. 11/01571
Mr. Vellinga
Zitting: 28 augustus 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1. "Overtreding van art. 8 van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "Overtreding van art. 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 3 "Als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken (feit 1 en 2) en tot hechtenis voor de duur van 2 weken (feit 3). Voorts heeft het Hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van (in totaal) 12 maanden (feiten 1, 2 en 3).
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans dat het Hof niet heeft blijk gegeven een onderzoek te hebben ingesteld naar de ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
4. De op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg om te verschijnen op de terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 25 maart 2005, houdt in dat die dagvaarding op 11 februari 2010 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
(ii) Het vonnis van de Politierechter van 25 maart 2010 houdt in dat de verdachte bij verstek wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 36 uren, subsidiair 18 dagen hechtenis en tot hechtenis voor de duur van 2 weken en voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van (in totaal) 10 maanden.
(iii) Een "akte rechtsmiddel" houdt in dat [betrokkene 1], ambtenaar ter griffie van de Rechtbank te Maastricht op 6 augustus 2010 ter griffie van de Rechtbank te Maastricht is verschenen en - daartoe gemachtigd blijkens de aan de akte gehechte volmacht - heeft verklaard beroep in te stellen tegen het eindvonnis van 25 maart 2010 in de zaak tegen de verdachte.
(iv) Een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2011 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat het vonnis van de Politierechter te Maastricht van 25 maart 2010 op 9 april 2010 onherroepelijk is geworden en dat de bij dat vonnis opgelegde hechtenis in de periode van 17 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 is tenuitvoergelegd.
(v) Het arrest van het Hof houdt in dat de verdachte bij verstek wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken en tot hechtenis voor de duur van 2 weken en voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van (in totaal) 12 maanden.
5. Ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder a, Sv moet het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld, indien de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is betekend.
6. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg aan de verdachte in persoon is uitgereikt, de Politierechter op 25 maart 2010 uitspraak heeft gedaan en de verdachte eerst op 6 augustus 2010 hoger beroep heeft ingesteld, heeft het Hof de verdachte ten onrechte ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.(1) Het middel klaagt daarover terecht.
7. Ik heb mij nog wel afgevraagd of het voorgaande ook tot cassatie moet leiden, nu het de verdachte zelf is die in cassatie opkomt tegen het oordeel van het Hof om hem in het door hem ingestelde hoger beroep te ontvangen. Het heeft er alle schijn van dat het cassatieberoep voornamelijk is ingegeven door de (fors) hogere straf die in appèl aan de verdachte is opgelegd. In plaats van de door de Politierechter opgelegde werkstraf van 36 uren en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van (in totaal) 10 maanden, legt het Hof immers een gevangenisstraf van 5 weken op en een rijontzegging van (in totaal) 12 maanden. Het lijkt dus niet een te gewaagde veronderstelling dat de verdachte door het instellen van het onderhavige beroep in cassatie alsnog de realisering van het aan het instellen van hoger beroep verbonden, door hem (aanvankelijk) geaccepteerde risico op een hogere straf poogt ongedaan te maken. Daar staat echter tegenover dat termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel van openbare orde zijn(2) en als zodanig door de rechter ambtshalve dienen te worden toegepast. Zij beogen zowel ten behoeve van het Openbaar Ministerie als ten behoeve van de verdachte duidelijkheid te scheppen over de vraag of een vonnis of arrest voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Ook verdachtes belang is dus bij naleving van die termijnen in het geding, al zal hij daarvan door de beperkte mogelijkheden voor verontschuldigbaarheid van overschrijding van die termijnen doorgaans meer last dan vreugde van ondervinden.
8. Met het geschetste karakter van de termijnen voor rechtsmiddelen is voorts niet verenigbaar dat het Openbaar Ministerie, zoals in het onderhavige geval, door een te laat ingesteld appel van de verdachte in staat wordt gesteld een hogere straf te eisen (en opgelegd te krijgen) dan in eerste aanleg is opgelegd hoewel het Openbaar Ministerie zelf niet in hoger beroep is gekomen. Bovendien heeft de verdachte door tenuitvoerlegging van de in eerste aanleg opgelegde hechtenis reeds aan den lijve ondervonden dat tegen het vonnis van de Politierechter geen rechtsmiddel meer openstond. Ook in zoverre kan van het ontbreken van ieder rechtens te respecteren belang bij het beroep in cassatie dus niet worden gesproken.
9. Het middel slaagt.
10. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen en - met vernietiging van de bestreden uitspraak - de verdachte alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7264, NJ 2008, 15.
2 HR 28 maart 1995, NJ 1995, 500, m.nt. Sch.