ECLI:NL:PHR:2012:BX6948

ECLI:NL:PHR:2012:BX6948, Parket bij de Hoge Raad, 23-10-2012, 12/01962 H

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 23-10-2012
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12/01962 H
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2012:BX6948
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Herziening. Aanvrage ongegrond.

Uitspraak

Nr. 12/01962 H

Mr. Machielse

Zitting 28 augustus 2012

Conclusie inzake:

[Aanvraagster]

1. Herziening wordt gevraagd van het vonnis van 17 mei 2010 waarbij de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam aanvraagster wegens openbare dronkenschap, gepleegd op 22 november 2008, heeft veroordeeld tot een geldboete van € 90,- subsidiair één dag hechtenis (parketnummer 13/717039-09) en van het vonnis van dezelfde datum en dezelfde rechter waarbij aanvraagster wegens het door het bevoegd gezag naar haar naam gevraagd, een valse naam, voornaam, geboortedatum, geboorteplaats, adres waarop zij in de basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene staat ingeschreven of woon- of verblijfplaats opgeven, ook gepleegd op 22 november 2008, is veroordeeld tot een geldboete van € 330,- subsidiair zes dagen hechtenis (parketnummer 13/716825-09).(1)

2. De aanvraag berust op de stelling dat er sprake is van een persoonsverwisseling; niet aanvraagster maar een ander heeft de overtredingen begaan waarvoor aanvraagster bij genoemde vonnissen is veroordeeld. Ter staving van deze stelling is bij de aanvraag een brief gevoegd gedateerd 11 februari 2012, waarin inspecteur van politie [verbalisant 1] verklaart dat klaagster niet de vrouw is die op 22 november 2008 bij die overtredingen betrokken was.

3. Als grondslag voor herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens art. 457 lid 1 aanhef en onder 2 Sv slechts dienen een door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheid van feitelijke aard die bij het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken en die het ernstig vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring van het OM of toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling (een zogenaamd novum). Oftewel, er moet sprake zijn van een nieuw gebleken omstandigheid die reeds bestond voordat de rechter uitspraak deed maar waarmee die rechter ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting niet bekend is geweest.(2)

4. Hoewel van beide vonnissen waarvan herziening wordt gevraagd slechts de aantekening mondeling vonnis beschikbaar is, kan uit de stukken het volgende feitencomplex gedestilleerd worden.

In de vroege ochtend van 22 november 2008 hielden brigadier van politie [verbalisant 2] en hoofdagent van politie [verbalisant 3] op de Jan van Galenstraat in Amsterdam een vrouw staande terzake van een vechtpartij in een bus en het in kennelijke staat van dronkenschap zich op de openbare weg bevinden. De vrouw verklaarde geen identiteitsbewijs bij zich te hebben. Daarnaar gevraagd gaf zij in eerste instantie op te zijn [aanvraagster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] en wonend op de [a-straat 1] in [woonplaats]. Uit onderzoek bleek dat opgegeven geboortedatum en huisnummer niet klopten.(3) Hierop is de vrouw aangehouden terzake van het opgeven van valse personalia en meegenomen naar politiebureau Raampoort, waar zij werd voorgeleid aan hulpofficier van justitie [verbalisant 1]. Op het bureau bleek de vrouw een rijbewijs (nr. [001]) bij zich te hebben op naam van [aanvraagster], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats], wonend op de [a-straat 2] in [woonplaats]. Uit de stukken blijkt niet dat de betrokken politieambtenaren op 22 november 2008 hebben geconstateerd dat de foto op het rijbewijs niet overeenkwam met het uiterlijk van de vrouw die zij voor zich hadden. Op 17 december 2009 heeft aanklaagster aangifte gedaan van de vermissing van dit rijbewijs sinds 25 november 2009, een datum dus die valt na de feiten waarvoor aanklaagster is veroordeeld.

5. De kantonrechter heeft de zaak met parketnummer 13/716825-09 (opgeven van valse personalia) ter zitting behandeld op 15 december 2009, 7 januari 2010 en 17 mei 2010. Op de laatste twee zittingen werd ook de zaak met parketnummer 13/717039-09 (openbare dronkenschap) behandeld. In beide zaken is sprake van een procedure op tegenspraak.

Ter zitting van 15 december 2009 heeft aanvraagster verklaard dat iemand anders op 22 november 2008 tegen de politie haar naam heeft opgegeven en zich met haar rijbewijs heeft gelegitimeerd, en:

"Ik ben hiervoor naar het politiebureau op de Marnixstraat geweest en zij hebben daar aangegeven dat ik inderdaad niet degene was die ze destijds hebben aangehouden. Het betreffende meisje zou 18 of 19 zijn geweest. Ik heb toen de boete niet hoeven betalen. Ik ben mijn tas met daarin mijn rijbewijs twee keer kwijtgeraakt. (...)"

De kantonrechter heeft hierop het onderzoek geschorst en de zaak aangehouden, teneinde aanvraagster in gelegenheid te stellen ter zitting aan te tonen dat haar tas gestolen is geweest.

Ter zitting van 7 januari 2010 heeft aanvraagster volhard bij de verklaring die zij op 15 december 2009 had afgelegd en heeft zij verklaard dat zij dus ook niet degene is die op 22 november 2008 is staande gehouden vanwege openbare dronkenschap.(4) De kantonrechter heeft de zaak opnieuw aangehouden, met de opdracht aan het OM verbalisant [verbalisant 2] op te roepen om hem ter zake van de beide zaken te horen en hem met verdachte te confronteren.(5)

Op de zitting van 17 mei 2010, waarvan geen proces-verbaal is opgemaakt, is aanvraagster niet verschenen. Dit blijkt uit de aantekeningen mondeling vonnis. Verbalisant [verbalisant 2] is dus niet ter zitting met verdachte kunnen worden geconfronteerd. Of hij een verklaring heeft afgelegd blijft ongewis.

6. De bij de aanvraag gevoegde brief van inspecteur van politie [verbalisant 1] aan aanvraagster d.d. 11 februari 2012 houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in.

Op 22 november 2008 is op bureau Raampoort aan hem voorgeleid een vrouw met een stevig postuur en een Noord-Afrikaans uiterlijk, die onder de invloed was van alcohol en betrokken was geweest bij een vechtpartij. Bij de fouillering van deze verdachte werd een rijbewijs aangetroffen. [Verbalisant 1] heeft dit rijbewijs niet zelf gezien en kan dus niet verklaren over de gelijkenis tussen de verdachte en de foto in het rijbewijs. Verbalisant [verbalisant 2] heeft aan de hand van het rijbewijs op naam van [aanvraagster], geboren [geboortedatum] 1982, de identiteit van de verdachte vastgesteld en een bekeuring uitgeschreven, waarna de verdachte is heengezonden. Op 12 februari 2009 verscheen op bureau Raampoort een vrouw die zich met een rijbewijs(6) identificeerde als [aanvraagster], geboren [geboortedatum] 1982. Zij, aanvraagster, vertelde [verbalisant 1] dat zij bekeuringen had ontvangen voor feiten die zij niet had begaan. [Verbalisant 1], die zich het bovenomschreven voorval met de dronken vrouw toen nog goed herinnerde, zag dat aanvraagster geheel niet leek op de in 2008 aangehouden dronken vrouw. Zij had een normaal postuur en zij vertoonde een zeer goede gelijkenis met de foto op haar rijbewijs. [Verbalisant 1] heeft tegen aanvraagster gezegd dat hij de betrokken verbalisant zou benaderen, omdat het voor hem duidelijk was dat de op 22 november 2008 aangehouden verdachte een vals of vervalst rijbewijs had gebruikt. Diezelfde dag heeft [verbalisant 1] daartoe een email gestuurd aan verbalisant [verbalisant 2], met het verzoek aanvraagster binnen 14 dagen een reactie te sturen. Vervolgens is [verbalisant 1] ervan uitgegaan dat de bekeuringen zouden worden ingetrokken. In februari 2012 heeft aanvraagster zich opnieuw tot [verbalisant 1] gewend. [Verbalisant 1] verklaart ervan overtuigd te zijn dat aanvraagster niet de vrouw is die in 2008 is aangehouden wegens openbare dronkenschap en het opgeven van een valse naam.

Ook bij de aanvraag gevoegd is de email van 12 februari 2009 waarin [verbalisant 1] zijn collega [verbalisant 2] meldt dat hij het rijbewijs van [aanvraagster] in handen heeft gehad en dat zij naar zijn mening zeker niet de eerder aangehouden persoon is en hem verzoekt met [aanvraagster] contact op te nemen. Uit de aanvraag noch uit enig ander stuk blijkt dat [verbalisant 2] op deze mail heeft gereageerd of naar aanleiding daarvan contact heeft opgenomen met aanvraagster.

7. De aanvraag en de bijgevoegde correspondentie behelzen naar mijn oordeel geen novum in bovenbedoelde zin. Naar de kern genomen verschilt de verklaring van [verbalisant 1], dat op 22 november 2008 iemand anders zich als aanvraagster heeft voorgedaan, namelijk niet van hetgeen aanvraagster ter terechtzitting van de kantonrechter op 15 december 2009 al heeft aangevoerd: dat zij het niet is geweest en dat haar ook op het politiebureau is medegedeeld dat zij niet degene is die op 22 november 2008 is aangehouden. Uit het verloop van het proces blijkt dat de kantonrechter rekening heeft gehouden met deze ter zitting aan de orde gestelde omstandigheid. Hij heeft immers verbalisant [verbalisant 2] doen oproepen, om hem ter zitting te horen en met aanvraagster te confronteren. Dat die confrontatie niet heeft kunnen plaatshebben, omdat aanvraagster op de zitting van 17 mei 2010 verstek liet gaan, kan haar in het kader van deze herzieningsprocedure niet worden tegenworpen.(7) Waar het om gaat is dat van de in de aanvraag gestelde omstandigheid niet kan worden gezegd dat deze de kantonrechter die de veroordelingen heeft uitgesproken niet bekend was.(8)

8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag ongegrond zal verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Tegen beide vonnissen stelde aanvraagster hoger beroep in. Het hof Amsterdam verklaarde haar bij verstekarrest van 23 februari 2011 daarin niet-ontvankelijk, omdat het beroep te laat was ingesteld.

2 Vgl. bv. HR 9 januari 2007, LJN AZ3582; HR 8 april 2008, LJN BC8786; HR 1 juli 2008, LJN BD5013. Zie ook Corstens/Borgers (2011). Het Nederlands strafprocesrecht. Deventer: Kluwer, p. 840 en Melai/Groenhuijsen e.a. Wetboek van strafvordering, aantekening 6.7 bij art. 457 Sv (bijgewerkt tot 1 oktober 2006).

3 De toelichting bij het incident in mutatierapport 2008325603-1 vermeldt dat de verdachte na controle ook een verkeerde achternaam opgaf. Mij is niet duidelijk waarop dit is gebaseerd. Blijkens het proces-verbaal (nr. 22.11.2008.0545.15196) heeft de verdachte ook in eerste instantie de achternaam [achternaam aanvraagster] opgegeven.

4 Het proces-verbaal van deze zitting houdt niets in omtrent het overleggen van stukken met betrekking tot de diefstal van de tas van aanvraagster.

5 Uit de stukken blijkt dat [verbalisant 2] de oproeping om 17 mei 2010 als getuige ter terechtzitting van de kantonrechter te verschijnen op 25 maart 2010 heeft ontvangen.

6 Op die dag zou aanvraagster nog beschikt kunnen hebben over het rijbewijs nr. [001]. Zij is dat immers eerst op 25 november 2009 kwijtgeraakt.

7 Melai/Groenhuijsen, aantekening 6.7 bij art. 457 Sv (bijgewerkt tot 1 oktober 2006).

8 Vgl. HR 14 september 2004, LJN AR2109; HR 20 maart 2007, LJN BA0995.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2012/1365
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?