ECLI:NL:PHR:2012:BX8507

ECLI:NL:PHR:2012:BX8507, Parket bij de Hoge Raad, 06-11-2012, 11/03284

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 06-11-2012
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11/03284
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2023
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2012:BX8507
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Oordeel Hof dat aan de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in de eerste cassatieprocedure geen nadere gevolgen hoeven te worden verbonden. De HR herhaalt de toepasselijke overweging uit HR LJN BD2578 (rov. 3.7). Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de (relatief) beperkte overschrijding van de redelijke termijn tijdens de eerste cassatiefase en door de voortvarende behandeling van de zaak na terugwijzing door de HR geen verdere gevolgen hoeven te worden verbonden aan de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De klacht dat de inzendtermijn is overschreden is gegrond.

Uitspraak

Nr. 11/03284

Mr. Vellinga

Zitting:11 september 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 4 januari 2011, nr. 09/2673 - door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Medeplegen van moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren. Voorts bevat het arrest een bijkomende beslissing, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, acht middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van een door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de omvang van het hoger beroep en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging gevoerd verweer.

4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair betoogd, verkort en zakelijk weergegeven, dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vervolging voor zover die betrekking heeft op het - kort gezegd - medeplegen van moord dan wel subsidiair dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het volmachtformulier dat door de verdachte is gebruikt bij het instellen van zijn cassatieberoep bevat ten onrechte geen verwijzing naar de in artikel 429 van het Wetboek van Strafvordering voorziene mogelijkheid het cassatieberoep te beperken. Er is te dien aanzien sprake van een justitiële tekortkoming omdat van een justitiabele niet verlangd kan worden dat die van de mogelijkheden op de hoogte is en niet kan worden aangenomen dat de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn beperkingrecht als bedoeld in artikel 429 voornoemd. Daar komt bij dat het advocaat generaal tegen de eerdere vrijspraak van medeplegen moord door het hof bij arrest van 25 juni 2009 geen cassatieberoep heeft ingesteld. De advocaat-generaal handelt door thans terug te komen op het daarmee rechtens relevante opgewekte vertrouwen dat hij die vrijspraak accepteerde, in strijd met beginselen van een goede procesorde. De overwegingen van het hof ter zake van de eerdere vrijspraak doen overigens goed recht aan de feiten.

Het hof verwerpt de gevoerde verweren en overweegt te dien aanzien als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 januari 2011 het arrest van dit hof van 25 juni 2009 vernietigd en beslist dat de zaak teruggewezen moest worden naar dit hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Ingevolge die verwijzingsopdracht dient dit hof op de grondslag van de inleidende dagvaarding het onderzoek in zijn geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, wat er van mogelijke tekortkomingen aan het door de verdachte gebruikte volmachtformulier om cassatie aan te tekenen ook zij. Het hof komt onder de gegeven omstandigheden aan een beoordeling van het ter zake door de raadsman aangevoerde niet toe.

Anders dan de raadman kennelijk meent, brengt het enkele feit dat door de advocaat-generaal geen cassatieberoep is ingesteld tegen het eerdere arrest van het hof niet mee dat een door de advocaat-generaal rechtens relevant opgewekt vertrouwen als door de raadsman is betoogd, moet worden aangenomen. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep die een dergelijke conclusie rechtvaardigen."

5. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat het Hof voorbij is gegaan aan het door verdachtes raadsman gesignaleerde gebrek in het formulier door middel waarvan de verdachte cassatie heeft ingesteld.

6. Het Hof heeft geoordeeld dat aan dit gebrek voorbij kan worden gegaan. Dit oordeel acht ik juist. Verdachte werd in cassatie bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman die hem er op heeft kunnen wijzen dat voor hem de mogelijkheid bestond het cassatieberoep tot een gedeelte van het arrest te beperken (vgl. art. 429 Sv)(1) door dit ten dele in te trekken (art. 453, 454 Sv) en hem daarbij te adviseren.

7. In aanmerking genomen dat het door de verdachte op de voet van art. 451a Sv onbeperkt(2) ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 juni 2009, noch door de verdachte (op de wijze bedoeld in art. 454 lid 4 Sv), noch door zijn raadsman, ten aanzien van het primair, impliciet primair, tenlastegelegde, was ingetrokken(3), en de Hoge Raad bij arrest van 4 januari 2011 de zaak (zonder beperking) heeft teruggewezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, geeft 's Hofs oordeel dat hij ingevolge de verwijzingsopdracht in genoemd arrest gehouden was op de grondslag van de inleidende dagvaarding het onderzoek in zijn geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien - en derhalve aan de beoordeling van het door de raadsman dienaangaande aangevoerde niet toekomt - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.(4)

8. Dat laatste geldt eveneens voor 's Hofs oordeel dat het enkele feit dat door de advocaat-generaal bij het Hof geen cassatieberoep is ingesteld tegen het eerdere arrest van het Hof niet meebrengt dat door deze het rechtens relevant vertrouwen was gewekt dat hij de vrijspraak van moord accepteerde, en wel reeds daarom niet omdat na verwijzing een nieuw onderzoek ter terechtzitting plaatsvindt en niet valt uit te sluiten dat dit aanleiding geeft tot een ander oordeel dan het onderzoek ter terechtzitting zoals dit voorafgaand aan het beroep in cassatie heeft plaatsgevonden.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede, het derde en het vierde middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

11. Het vijfde middel komt op tegen 's Hofs overweging ten aanzien van het causale verband.

12. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"Medeplegen, voorbedachte raad en voorwaardelijk opzet

(...)

De raadsman heeft voorts betoogd - verkort en zakelijk weergegeven - dat de reële mogelijkheid van een postmortale fractuur van de hoorntjes van het strottenhoofd van [slachtoffer] er toe dient te leiden dat geopteerd moet worden voor de zogenaamde cascade-oorzaak van de dood van het slachtoffer zoals door de arts en forensisch medisch onderzoeker verbonden aan Independent Forensic Services mevrouw S.J.M. Eikelenboom-Schieveld is omschreven.

(...)

Het hof is van oordeel dat, op grond van het obductieverslag van 22 december 2005 opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, de inhoud van het rapport van van 29 mei 2008 opgemaakt door S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, arts en forensisch medisch onderzoeker verbonden aan Indipendent Forensic Services en de verklaringen die beide deskundigen Maes en Eikelboom-Schieveld op 16 oktober 2008 ter terechtzitting in hoger beroep hebben afgelegd, genoegzaam is komen vast te staan dat het slachtoffer is overleden als gevolg van het door de verdachte en [medeverdachte] toegepaste geweld.

Door te handelen als hiervoor omschreven is de dood van [slachtoffer] naar het oordeel van het hof redelijkerwijs toe te rekenen aan de verdachte en [medeverdachte]."

13. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof het blijkens zijn nadere bewijsoverweging voor het bewijs van het causale verband redengevend geachte rapport van arts en forensisch medisch onderzoeker Eikelenboom-Schieveld en de door arts en patholoog Maes en Eikelenboom-Schieveld ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2008 afgelegde verklaringen onder de bewijsmiddelen had dienen op te nemen. Ook wordt aangevoerd dat het Hof door in algemene zin te verwijzen naar de inhoud van het rapport van 29 mei 2008 en de ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2008 afgelegde verklaringen, niet met voldoende mate van nauwkeurigheid de redengevende feiten en omstandigheden heeft aangeduid, die het aan dat rapport en die verklaringen heeft ontleend. Voorts wordt geklaagd dat de verwerping van het verweer van de verdediging dat een cascade als doodsoorzaak moet worden aangemerkt ontoereikend is gemotiveerd.

14. In aanmerking genomen dat het Hof als bewijsmiddel 25 heeft gebezigd het obductieverslag van 22 december 2005, opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, moet de gewraakte overweging van het Hof aldus worden begrepen dat het rapport van arts en forensisch medisch onderzoeker Eikelenboom-Schieveld en de door arts en patholoog Maes en Eikelenboom-Schieveld ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2008 afgelegde verklaringen het Hof niet tot een andere opvatting over de wijze van het intreden van de dood hebben gebracht dan in genoemd obductieverslag vervat. Het Hof heeft het rapport van arts en forensisch medisch onderzoeker Eikelenboom-Schieveld en de door arts en patholoog Maes en Eikelenboom-Schieveld ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2008 afgelegde verklaringen dus niet voor het bewijs gebezigd. In zoverre faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

15. Voorts heeft het Hof de verwerping van het verweer van de verdediging dat een cascade als doodsoorzaak moet worden aangemerkt toereikend gemotiveerd. De overwegingen van het Hof moeten immers aldus worden begrepen dat ook indien de dood zou zijn ingetreden op een wijze als in het rapport van 29 mei 2008 geschetst, dit er niet aan in de weg staat dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de verdachte en zijn mededader als gevolg van de door hen gepleegde geweldshandelingen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

16. Het middel faalt. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

17. Het zesde en het zevende middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

18. Het achtste middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat gelet op de (relatief) beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn in de eerste cassatiefase en de voortvarende behandeling van de zaak nadien geen verdere gevolgen hoeven te worden verbonden aan deze termijnoverschrijding, onbegrijpelijk is.

19. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat dit oordeel van het Hof onbegrijpelijk is omdat de redelijke termijn met een maand is overschreden.

20. Het Hof heeft aan deze termijnoverschrijding geen gevolgen verbonden "gelet op de (relatief)beperkte mate van overschrijding en de voortvarende behandeling van de zaak nadien". Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

21. Voorts bevat het middel de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de huidige cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat - te weten iets meer dan zes maanden na het instellen van het cassatieberoep - door het Hof zijn ingezonden.

22. In de toelichting op het middel wordt met juistheid gesteld dat tussen de datum waarop cassatie is ingesteld, 22 juli 2011, en de datum van ontvangst van de stukken door de griffier van de Hoge Raad, 10 februari 2012, meer dan zes maanden zijn verstreken. In aanmerking genomen dat verdachte zich ten tijde van het instellen van het beroep in cassatie in voorlopige hechtenis bevond, brengt hetgeen is overwogen in HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3 in beginsel mee, dat strafvermindering moet worden toegepast. Daarbij neem ik in aanmerking dat niet valt te verwachten dat de Hoge Raad de onderhavige zaak zal afdoen binnen veertien maanden na het instellen van het beroep in cassatie en genoemde overschrijding van de redelijke termijn dus niet wordt gecompenseerd door voortvarende afdoening (vgl. HR 8 mei 2012, LJN BW6999 (niet gepubliceerd)).

23. Daar staat echter het volgende tegenover. In HR 28 augustus 2012, LJN BX3868 waren aan de verdachte, feitelijk leidinggever van door een rechtspersoon gepleegde strafbare feiten, ter zake van bij de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde overtredingen een geldboete van € 500 en 21 geldboetes van € 900 opgelegd, dus geldboetes tot een totaal bedrag van bijna € 20.000. In deze zaak was de inzendingstermijn met achteneenhalve maand overschreden, de termijn van afdoening door de Hoge Raad met bijna twee maanden. De Hoge Raad constateerde - dat zal gelet op HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3 geen verbazing wekken - dat de redelijke termijn was overschreden. Verbazing wekt wel de motivering die de Hoge Raad bezigt voor zijn oordeel dat aan die termijnoverschrijding geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden:

"Gelet op de 21 aan de verdachte opgelegde geldboetes van elk € 900-, subsidiair 18 dagen hechtenis, en de geldboete van € 500-, subsidiair 10 dagen hechtenis, alsmede de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan."

24. Voor zijn oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden noemt de Hoge Raad twee gronden, de aan de verdachte opgelegde straffen en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

25. In HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2 onder C formuleert de Hoge Raad als regel dat geen strafvermindering plaatsvindt wanneer een geldboete van niet meer dan € 1000 is opgelegd. Er ten onrechte aan voorbijgaand dat een geldboete van bijvoorbeeld € 1500 voor een veroordeelde even zwaar weegt als twee gelijktijdig opgelegde en dus gelijktijdig te betalen geldboetes van € 750, pleegt de Hoge Raad deze regel aldus te verstaan dat iedere geldboete afzonderlijk in aanmerking wordt genomen.(5) Een verwijzing naar genoemde regel, eventueel onder verwijzing naar de in HR 19 april 2011, LJN BP5361 ingeroepen eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid, zou dus hebben volstaan om te motiveren waarom aan de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden. De Hoge Raad weegt echter ook met zoveel woorden mee de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Die overschrijding bestaat hierin dat de inzendingstermijn met achteneenhalve maand is overschreden, de termijn van afdoening met bijna twee maanden. Aan een dergelijke overschrijding van de inzendingstermijn - in casu meer dan 100% - pleegt de Hoge Raad zwaar te tillen. De strafvermindering ter compensatie van overschrijding van de redelijke termijn, waaronder overschrijding van de inzendingstermijn is begrepen(6), bedraagt dan immers niet 5% van de opgelegde straf zoals bij een termijnoverschrijding tot zes maanden het geval is, maar 10%, de maximale compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn tot en met twaalf maanden(7). De conclusie dringt zich dan ook op dat de Hoge Raad in deze zaak afstand neemt van de in mijn ogen nodeloos uitbundige(8) compensatie van overschrijding van de redelijke termijn in de vorm van overschrijding van de inzendingstermijn zoals vervat in HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis.

26. In de onderhavige zaak is de redelijke termijn - in de vorm van overschrijding van de inzendingstermijn - overschreden met ruim twee weken. Gelet op de in HR 28 augustus 2012, LJN BX3868 gehanteerde maatstaf behoeft deze zeer geringe overschrijding van de redelijke termijn, die er niet aan in de weg staat dat de zaak alsnog binnen zestien maanden(9), dus binnen een redelijke termijn kan worden afgedaan, niet te leiden tot strafvermindering en kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

27. Het middel is deels terecht voorgedragen maar behoeft niet te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest.

28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2012, zevende druk, p. 64 en 111: in geval van vrijspraak van het primair tenlastegelegde en veroordeling voor het subsidiair tenlastegelegde is het denkbaar dat verdachte zijn cassatieberoep beperkt tot het subsidiair tenlastegelegde.

2 Een dergelijk beroep is altijd onbeperkt, nu het desbetreffende formulier alleen daarin voorziet (Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2012, zevende druk, p. 66).

3 A.w., p. 67. Zie voor wat betreft het uiterste moment van intrekking van het cassatieberoep het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad (Stc. 2008, nr. 147), onder III. Elzinga en De Hullu betogen dat na verwijzing geen intrekking van het hoger beroep meer mogelijk is omdat reeds een behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden: Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 3 op art. 453 (suppl. 123, augustus 2001).

4 Zie voor wat betreft de gebondenheid van de feitenrechter aan de door de Hoge Raad gegeven beslissing bijv. HR 27 februari 1996, NJ 1996, 478.

5 O.a. HR 13 oktober 2009, LJN BJ3460 en BJ3461, HR 29 juni 2010, LJN BM4432, HR 6 juli 2010, LJN BM5257, HR 20 september 2011, LJN BQ6567 (alle niet gepubliceerd).

6 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.21.

7 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.4.

8 Kortheidshalve verwijs ik naar mijn conclusie bij HR 19 april 2011, LJN BP5361.

9 Vgl. bijv. HR 28 februari 2012, LJN BR2897.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2012/1429
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?