Nr. 10/04538
Mr. Machielse
Zitting 18 september 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te Arnhem (fungerende als nevenzittingsplaats voor het Gerechtshof te Amsterdam, zo volgt uit de stukken van het geding) heeft op 30 september 2010 verdachte veroordeeld tot een werkstraf van één uur, subsidiair één dag hechtenis, ter zake van niet naleving van het bepaalde bij artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het Hof het namens verdachte ingenomen standpunt dat schending van de redelijke termijn dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten onrechte onbesproken heeft gelaten. Voorts behelst het middel de klacht dat de bestreden uitspraak niet behelst of bij de strafoplegging rekening is gehouden met de termijnoverschrijding en zo ja, in welke mate.
3.2. Ter terechtzitting in hoger beroep is blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota dienaangaande het volgende aangevoerd:
"OvJ niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Betreft overtreding, delictsdatum 09-01-2007, verdachte op delictsdatum staande gehouden, oorspronkelijk gedagvaard tegen 19 september 2007: door kantonrechter aangehouden op verzoek van OvJ, opgeroepen tegen 15 oktober 2008: door kantonrechter aangehouden vanwege tijdgebrek (na mededeling aanwezige raadsman pleidooi te houden), opgeroepen tegen 22 januari 2009: door kantonrechter aangehouden op verzoek van verdediging, opgeroepen tegen 4 februari 2009: door kantonrechter aangehouden op verzoek verdediging omdat verdachte op 4 februari 2009 is voorgeleid aan de raadkamer rechtbank Almelo in verband met een vordering gevangenhouding, opgeroepen tegen 2 april 2009.
De verdediging acht uitgaande van datum verdenking, 09-01-2007, en datum waarop proces zou plaatsvinden, 22 januari 2009, terwijl het proces niet eerder kon plaatsvinden door omstandigheden die niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, dat nu de tussenliggende periode meer dan 2 jaren bedraagt, dat in het onderhavige geval sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de berechting moet plaatsvinden.
Gelet op de relatieve ernst van het strafbare feit dient het rechtsgevolg te zijn niet-ontvankelijk verklaring van het OM, althans schuldigverklaring zonder oplegging van straf (9a Sr)."
3.3. De bestreden uitspraak zoals aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:
"Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van taakstraf bestaande uit een werkstraf van slechts een uur leiden - dat het hof van oordeel is dat de procesgang, vanaf het moment van overtreding tot aan de veroordeling, meer dan twee jaar heeft geduurd. Desondanks acht het hof het - anders dan de raadsman van verdachte - het opleggen van een taakstraf bestaande uit een werkstraf van vorenmelde duur passend en geboden."
3.4. Op een door of namens de verdachte gevoerd verweer dat de redelijke termijn is overschreden dient de feitenrechter een gemotiveerde beslissing te geven.(2)
3.5. Voor zover het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn, is het terecht voorgesteld. Het leidt evenwel in zoverre niet tot cassatie, omdat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.(3)
3.6. Voor zover het middel voorts klaagt dat het Hof niet heeft doen blijken of bij de strafoplegging rekening is gehouden met de termijnoverschrijding en zo ja, in welke mate, geldt het volgende.
3.7. Het Hof heeft geoordeeld dat het bij de straftoemeting ermee rekening houdt dat "de procesgang" meer dan twee jaar heeft geduurd en dat het Hof "desondanks" tot het opleggen van een werkstraf van één uur komt en dus niet tot toepassing van art. 9a Sr. Daarin ligt bij welwillende lezing als oordeel van het Hof besloten dat het Hof van oordeel is dat de redelijke termijn bij de procesgang in eerste aanleg inderdaad is overschreden, maar dat deze overschrijding niet tot strafvermindering behoeft te leiden. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het Hof komt immers tot oplegging van één uur werkstraf en bij een dergelijke strafhoogte kan in beginsel met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.(4)
4. Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.
5. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met zeven andere cassatieberoepen inzake strafzaken jegens verdachte, in welke zaken ik vandaag ook concludeer (nrs. 10/04533; 10/04534; 10/04535; 10/04536; 10/04539; 10/04540 en 11/02562).
2 Vgl. HR 20 april 2010, LJN BL1485 en HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358.
3 Vgl. HR 24 januari 2012, LJN BU7290; HR 9 december 2008, LJN BF3196 en HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358.
4 Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.6.2 onder C: in cassatie wordt een opgelegde werkstraf bij overschrijding van de redelijke termijn niet verminderd indien deze minder dan 100 uren beloopt.