12/03221
Mr. F.F. Langemeijer
7 september 2012 (incident griffierecht)
Conclusie inzake:
[De vrouw]
tegen
[De man]
1. Bij verzoekschrift van 29 juni 2012, ingekomen op diezelfde datum, heeft verzoekster tot cassatie beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2012.
2. Op 10 juli 2012 is aan de advocaat van verzoekster een nota ter zake van het verschuldigde griffierecht verzonden, met de mededeling dat het griffierecht is vastgesteld op € 302,- en dat dit bedrag uiterlijk 27 juli 2012 op de bankrekening van het gerecht dient te zijn bijgeschreven.
3. Bij brief van 30 juli 2012 is door de griffie van de Hoge Raad aan de advocaat van verzoekster meegedeeld dat het griffierecht niet tijdig is voldaan. De advocaat is in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen zich hierover schriftelijk uit te laten.
4. De advocaat van verzoekster heeft het verschuldigde griffierecht alsnog voldaan en zich bij akte van 6 augustus 2012 uitgelaten over de te late betaling van het griffierecht. Hij stelt dat de tijdelijke vervanger van zijn secretaresse kennelijk is uitgegaan van een betalingstermijn van vier weken, gerekend vanaf de ontvangst van de nota, en de nota heeft opgeborgen; de nota heeft dientengevolge de advocaat niet tijdig bereikt.
5. Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende verzoekster te zorgen dat het door haar verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de indiening van het verzoekschrift is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad, dan wel ter griffie van de Hoge Raad is gestort. De termijn liep af op 27 juli 2012, op welke datum het griffierecht nog niet was voldaan. Dat brengt mee dat verzoekster op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv niet ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep(1).
6. In de akte van 6 augustus 2012 worden geen omstandigheden genoemd die nopen tot het buiten toepassing laten van artikel 282a lid 2 in verbinding met art. 427b op de in art. 282a lid 4 Rv genoemde grond, hierna aangeduid als de 'hardheidsclausule'. De gestelde omstandigheid, dat kennelijk is uitgegaan van een betalingstermijn van vier weken na ontvangst van de nota, is niet te wijten aan een mededeling van de zijde van de griffie of van een door de griffie ingeschakeld orgaan. In de nota is met juistheid 27 juli 2012 als uiterste datum voor betaling genoemd. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden die meebrengen dat toepassing van voornoemde artikelen, gelet op het belang van verzoekster zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor zover de advocaat van verzoekster heeft beoogd een beroep te doen op de hardheidsclausule, moet dat beroep dan ook falen.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Zie onder meer: HR 10 augustus 2012 (LJN: BW8295).