12/01207 en 12/01208
Mr. F.F. Langemeijer
14 september 2012
Conclusie inzake:
[Verzoekster] (12/01207) resp.
[verzoeker] (12/01208)
tegen
Minister van Buitenlandse Zaken
1. Bij schrijven van 14 februari 2006 hebben [verzoeker] en [Verzoekster] te [woonplaats], thans eisers tot cassatie, zich gewend tot de minister van Buitenlandse Zaken met een verzoek om toekenning van sociale voorzieningen uit hoofde van het dienstverband van hun vader bij het voormalig Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Bij brief van 25 april 2006 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek. Bij besluit van 1 mei 2006 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2. Tegen dat besluit op bezwaar hebben eisers beroep ingesteld. De rechtbank te Breda (sector bestuursrecht) heeft zich in twee uitspraken d.d. 20 augustus 2007(1) uitdrukkelijk bevoegd geacht om van het geschil kennis te nemen(2). Na een beschouwing over de toepasselijke regelingen kwam de rechtbank tot de slotsom dat een publiekrechtelijke grondslag ontbreekt voor de door eisers gevraagde voorzieningen(3). De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard. Aan het slot van de uitspraak is vermeld dat binnen zes weken na verzending hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State(4).
3. Bij gezamenlijke brief, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 6 januari 2012, hebben eisers(5) beroep in cassatie ingesteld tegen de genoemde uitspraken van 20 augustus 2007. Zij hebben verzocht die uitspraken te vernietigen en de rechtbank te Breda te gelasten het beroepschrift alsnog door te zenden aan de rechtbank te 's-Gravenhage, kamer voor militaire zaken.
4. Aan een bespreking van de argumenten van eisers ter ondersteuning van hun aanspraak op de verzochte sociale voorziening kom ik niet toe. De zienswijze van eisers dat tegen de beslissing van de rechtbank (sector bestuursrecht) beroep in cassatie openstaat, is niet juist. Weliswaar is in art. 78 lid 1 RO bepaald dat de Hoge Raad kennis neemt van het beroep in cassatie tegen (onder meer) vonnissen van de rechtbanken, maar het tweede lid van art. 78 RO maakt daarop een uitzondering. Het tweede lid bepaalt immers dat het eerste lid niet van toepassing is op de handelingen en uitspraken van rechtbanken in zaken waarvan zij als administratieve rechter kennis nemen. In dit geval gaat het om een uitspraak in een zaak waarvan de rechtbank (sector bestuursrecht) als administratieve rechter kennis heeft genomen. Het vierde lid van art. 78 RO regelt afzonderlijk dat de Hoge Raad wel kennis kan nemen van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de administratieve rechter voor zover dit bij wet is bepaald(6). Er is echter geen wet te vinden, ook niet de door eisers genoemde wetten, die bepaalt dat de Hoge Raad kennis neemt van een uitspraak van de rechtbank (sector bestuursrecht) in een bestuursrechtelijk geschil als het onderhavige. Voor zover eisers de grondslag voor de bevoegdheid van de Hoge Raad tot cassatie van de beslissing van de rechtbank hebben gezocht in het Reglement van inwendige dienst van de Hoge Raad(7), gaan eisers eraan voorbij dat dit reglement uitsluitend regelt welke kamer van de Hoge Raad de zaak behandelt indien de Hoge Raad wettelijk bevoegd is tot kennisneming.
5. In deze zaken speelt zowel een vraag van formele bevoegdheid als een vraag van materiƫle bevoegdheid. Mijns inziens is de Hoge Raad als cassatierechter formeel bevoegd een beslissing te geven op het beroepschrift, dat uitdrukkelijk is ingediend als een beroep in cassatie, maar ontbreekt in dit geval materieel de bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep in cassatie tegen een beslissing die de rechtbank als administratieve rechter heeft genomen. Daarbij past dat in beide zaken het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Conclusie
De conclusie strekt in beide zaken tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Zaaknr. 06/4728 betr. [verzoekster]; zaaknr. 06/3317 betr. [verzoeker].
2 De rechtbank verwees in dit verband naar: CRvB 8 juni 2006 (LJN: AX8683). Zie ook: ABRvS 14 maart 2007 (LJN: BA0629).
3 De rechtbank verwees in dit verband naar: ABRvS 6 december 2006 (LJN: AZ3737); ABRvS 17 december 2003 (LJN: AO0354) en ABRvS 13 februari 2002 (LJN: AL2398).
4 Een bij de CRvB ingesteld hoger beroep heeft geleid tot onbevoegdverklaring door dit college: CRvB 27 maart 2008 (LJN: BD0117), onder meer verwijzend naar ABRvS 13 februari 2002, JB 2002/94. Van die uitspraak is herziening verzocht. Een tegen de beslissing van de CRvB op het herzieningsverzoek ingesteld cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard (HR 23 september 2011, nr. 11/00406).
5 In deze bestuursrechtelijke zaak: zonder tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad.
6 Hier bedoeld als: wet in formele zin; zie de MvT in: A.I.M. van Mierlo, Parl. Gesch. Herziening van de Wet op de rechterlijke organisatie (2002), blz. 405.
7 Gepubliceerd op de website www.hogeraad.nl onder Reglementen.