ECLI:NL:PHR:2013:1377

ECLI:NL:PHR:2013:1377, Parket bij de Hoge Raad, 01-10-2013, 11/02762

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 01-10-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11/02762
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2013:1432
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Vervolg op HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:583. HR: 81.1 RO en vermindering van de opgelegde gevangenisstraf i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Ontmoetingen van de verdachte met de overige betrokkenen

Het verweer van de raadsvrouwe dat de verdachte de overige betrokkenen slechts kort gezien zou hebben vindt geen steun in de observaties van de ontmoeting tussen de verdachte en (onder meer) de medeverdachte [betrokkene 3], nu uit deze observaties blijkt zij op 18 januari 2006 een ontmoeting hadden in het Zuiderparkplantsoen en vervolgens gezamenlijk aan een tafeltje hebben gezeten, op 25 januari2006 wederom een ontmoeting hadden in het Zuiderparkplantsoen en vervolgens gezamenlijk zijn weggereden naar het Bastionhotel en de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] op 13 mei 2006 wederom een ontmoeting hebben gehad, deze keer met onder meer [betrokkene 5], die weer in contact stond met [betrokkene 8], eigenaar van [B]. De verdachte heeft bij die ontmoeting samen met de overige betrokkenen een bezoek gebracht aan een locatie in Woerden, waarvan de eigenaar eveneens eigenaar is van [A].

Het bewijs van het medeplegen.

Het hof stelt voorts vast dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode – direct en indirect via [...] - telefonisch contact heeft onderhouden met medeverdachte [betrokkene 3], inzake het al dan niet ontvangen hebben van faxberichten. Deze faxberichten hadden betrekking op dekladingen ten behoeve van het beoogde vervoer. Voorts heeft de verdachte meermalen telefoongesprekken met [betrokkene 4], die zich i n Venezuela bevond, waarbij versluierde taal wordt gebruikt. In het telefoongesprek van 26 april 2006 over de keuze die gemaakt moet worden uit hetgeen kennelijk staat vermeld op de faxberichten, waarbij [betrokkene 4] aan de verdachte vraagt wat hij vindt van timmerhout. Dat het hier zou gaan om vergunningen of keurmerken, zoals de raadsvrouw heeft gesteld, acht het hof op grond van het antwoord van de verdachte in samenhang met de overige bewijsmiddelen onaannemelijk nu de verdachte aan [betrokkene 4] zegt dat het 'heel gevaarlijk’ is. De stelling van de raadsvrouw dat het niet de verdachte is die over 'kinderen' heeft gesproken vindt geen steun in de feiten. Het is immers de verdachte die in een telefoongesprek van 28 april 2006 aan [betrokkene 4] heeft gevraagd hoeveel 'kinderen' hij, [betrokkene 4], wil. Nadat [betrokkene 4] aan de verdachte te kennen heeft gegeven dat hij er 1000 wil, is de verdachte met dat aantal akkoord gegaan (bewijsmiddel 52).

(…)."

Nu Uw Raad in het hierboven genoemde arrest heeft overwogen dat het oordeel van het Hof inhoudend dat uit de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 103) kan worden afgeleid dat het gaat om de invoer van cocaïne in Nederland niet onbegrijpelijk is, volgt daaruit mijns inziens dat in dat licht het door het Hof geconstateerde versluierd taalgebruik dient te worden begrepen. Dat betekent dat op grond van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het Hof de door de verdachten gebruikte uitdrukkingen deklading en timmerhout moeten worden geplaatst in het verband van de invoer van cocaïne.

Aldus beschouwd maakt het middel geen kans van slagen. Uit de (gehele context van de) bewijsmiddelen blijkt, zoals het Hof ook heeft overwogen, dat verzoeker en zijn medeverdachten één of meer personen hebben benaderd om [A] en [B] ter beschikking te stellen voor de ontvangst en/of opslag van deklading, dat wil zeggen handelshoeveelheden cocaïne. Voorts meen ik dat het Hof uit diezelfde context heeft kunnen afleiden dat – ik zeg het nu in de bewoordingen van het proces-verbaal van observatie dat als bewijsmiddel 57 is gebruikt – verzoeker en zijn medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 11] op 13 mei 2006 in Woerden een bedrijfspand hebben bezichtigd aan de [a-straat] (zie ook bewijsmiddel 56), waarvan [betrokkene 9] toen eigenaar was en op wiens naam ook het bedrijf “[A]” stond. Weliswaar rept het Hof in zijn bewijsoverweging van bezichtigingen van loodsen in Woerden, maar deze onjuiste meervoudsvorm acht ik van zo geringe betekenis dat daar geen punt van behoeft te worden gemaakt. Verbeterde lezing dienaangaande doet de feitelijke grondslag aan het middel in zoverre ontvallen.

Het middel faalt.

Nu de eerste drie middelen falen, zal ik mijn conclusie van 4 juni 2013 met betrekking tot middel 4 moeten herzien. Voor een goed begrip geef ik hieronder weer hoe mijn standpunt terzake toen luidde:

“Het vierde middel klaagt dat de berechting van verzoeker in cassatie niet plaatsvindt binnen de redelijke termijn waarop verzoeker ex art. 6 EVRM aanspraak mag maken, nu tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad meer dan acht maanden is verstreken.

Verzoeker heeft op 1 juni 2011 cassatieberoep doen instellen. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel eerst op 10 september 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat sprake is van een overschrijding van de inzendtermijn van acht maanden met ruim zeven maanden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak doen. De redelijke termijn is dus ook in zoverre overschreden. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

Het middel kan echter onbesproken blijven indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen dan wel verwezen. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak aan de orde worden gesteld.”

Thans concludeer ik ten aanzien van het vierde middel dat het slaagt. Dit moet leiden tot strafvermindering.

Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het vierde middel slaagt.

Deze aanvullende conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?