1. Verzoeker is bij arrest van 1 maart 2012 door het Gerechtshof te Arnhem wegens “opzettelijk ten behoeve van degene aan wie het toebehoort een hem niet toebehorend goed onttrekken aan een pandrecht” veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair dertig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 16.777,95 toegewezen en verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van eenzelfde bedrag.
2. Namens verzoeker heeft mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Alvorens op de middelen in te gaan – waarbij ik zal aanvangen met het tweede middel -, geef ik om de onderhavige casus inzichtelijk te maken de tenlastelegging, de bewezenverklaring en de bewijsoverweging van het Hof weer.
4. Aan verzoeker is tenlastegelegd dat:
“hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 20 december 2009 te Eerbeek in de gemeente Brummen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hem verdachte en/of de rechtspersoon waaraan verdachte en/of zijn mededader(s) feitelijk leiding geeft/geven, al dan niet toebehorend goed, te weten een personenauto merk Mercedes-Benz, type S, met kenteken [AA-00-BB], ten behoeve van degene aan wie het toebehoort, heeft onttrokken aan het pandrecht dat door [A] BVBA op vorenomschreven voertuig is gevestigd, immers heeft verdachte voornoemde Mercedes-Benz op zijn, verdachtes naam, gezet / overgeschreven, zonder hiertoe toestemming te hebben verkregen van [A] BVBA.”
5. Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 20 december 2009 te Eerbeek in de gemeente Brummen, opzettelijk een hem verdachte niet toebehorend goed, te weten een personenauto merk Mercedes-Benz, type S, met kenteken [AA-00-BB], ten behoeve van degene aan wie het toebehoort, heeft onttrokken aan het pandrecht dat door [A] BVBA op vorenomschreven voertuig is gevestigd, immers heeft verdachte voornoemde Mercedes-Benz op zijn, verdachtes naam, gezet/overgeschreven, zonder hiertoe toestemming te hebben verkregen van [A] BVBA.”
6. Deze bewezenverklaring berust op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen.
7. Het bestreden arrest bevat de volgende overweging van het Hof met betrekking tot het bewijs:
“De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte zelf heeft verklaard dat het pandrecht was komen te vervallen en dat hij derhalve in zijn recht stond toen hij de betreffende auto op 19 december 2009 op zijn naam heeft laten zetten. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat het pandrecht de roerende zaak waarop het is gevestigd, volgt en dat verdachte de auto niet aan het pandrecht heeft onttrokken omdat het pandrecht, ook nu nog, op de auto is gevestigd.
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman en verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende
Verdachte dan wel zijn bedrijf [B] BV is in 2008 en in de eerste maanden van 2009 een vordering van € 16.308,= aan [A] BVBA niet nagekomen. In dat kader is op 8 juni 2009 ten behoeve van laatstgenoemde een pandrecht gevestigd op de personenauto met het kenteken [AA-00-BB] welke in eigendom was van de Stichting [D]. Blijkens de aangifte die door [betrokkene] namens [A] BVBA is gedaan heeft verdachte dan wel zijn bedrijf vervolgens slechts een klein deel van de vordering voldaan en zijn de verder overeengekomen betalingen uitgebleven. Op 15 december 2009 is een door aangever ingeschakelde deurwaarder bij verdachte geweest. Verdachte heeft aldaar, om executie van het pandrecht te voorkomen, toegezegd op vrijdag 18 december 2009 € 5000,= te voldoen en tevens dat de rest van de vordering op 31 december 2009 zou zijn voldaan. Verdachte heeft deze toezegging per emailbericht van 15 december 2009 bevestigd. Verdachte is echter niet tot betaling over gegaan maar heeft aangever, onder meer per e-mailbericht van 20 december 2009, laten weten een (tegen)vordering van € 326.500,- op hem dan wel zijn bedrijf te hebben en de nog openstaande vordering daarmee te verrekenen. In laatstgenoemd bericht heeft verdachte tevens meegedeeld dat de Stichting [D] niet aan de executie van het pandrecht kon meewerken omdat de betreffende auto niet meer haar eigendom is.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen juridisch advies heeft ingewonnen met betrekking tot het pandrecht en het op zijn naam laten zetten van de auto op 19 december 2009. Anders dan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, volgt uit het hiervoor genoemde e-mailbericht van verdachte van 20 december 2009 niet dat hij er van uitging dat het pandrecht was komen te vervallen. In dat bericht heeft verdachte meegedeeld, dat een kort geding aangespannen zou worden 'om de vernietiging van de verpanding te bewerkstelligen'. Daarbij heeft verdachte tevens gemeld dat advocaat Van den Sigtenhorst is verzocht een en ander in werking te stellen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte door op 19 december 2009 de betreffende auto op zijn naam te laten zetten, op z'n minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de betreffende auto aan het pandrecht zou onttrekken. Verdachte moet reeds ten tijde van het op zijn naam laten zetten van de betreffende auto op 19 december 2009 dan wel direct daarna, wel degelijk hebben stil gestaan bij de juridische situatie en contact hebben gehad met zijn advocaat over het pandrecht. Dat blijkt immers uit het hiervoor aangehaalde e-mailbericht van 20 december 2009 dat is verstuurd om 11:45 uur.
Ook de stelling van de raadsman dat het pandrecht de roerende zaak volgt en er feitelijk en juridisch geen verandering was in de situatie maakt dat niet anders. Het gaat in deze immers om het onttrekken van een goed aan het pandrecht om daarmee de mogelijke parate executie van dat pandrecht te voorkomen.
Het verweer wordt verworpen.”
8. Ik bespreek eerst het tweede middel, omdat het mijns inziens terecht is voorgesteld.
9. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt uiteen in een rechtsklacht en een motiveringsklacht. De rechtsklacht houdt in dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat door overschrijving van een voertuig, terwijl daarop een pandrecht rust, op naam van verzoeker het voertuig door verzoeker aan het pandrecht is onttrokken, nu een wijziging van de tenaamstelling onder de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van het pandrecht en evenmin afdoet aan de mogelijkheden van uitwinning van dat pandrecht, zodat de enkele wijziging van tenaamstelling op zich zelf niet voldoende is om onttrekking aan het pandrecht bewezen te kunnen verklaren. De motiveringsklacht ziet op de overweging van het Hof, inhoudende: “Ook de stelling van de raadsman dat het pandrecht de roerende zaak volgt en er feitelijk en juridisch geen verandering was in de situatie maakt dat niet anders. Het gaat in deze immers om het onttrekken van een goed aan het pandrecht om daarmee de mogelijke parate executie van dat pandrecht te voorkomen”. Volgens de steller van het middel is deze overweging van het Hof niet alleen onjuist, maar ook niet toereikend om op het onderdeel van de onttrekking aan het pandrecht tot een bewezenverklaring te komen, omdat de wijziging in de tenaamstelling in casu niets zegt over de (on)mogelijkheid van parate executie.
10. Het op de tenlastelegging en de bewezenverklaring toegesneden art. 348, eerste lid, Sr luidt:
“Hij die opzettelijk zijn eigen goed of, ten behoeve van degene aan wie het toebehoort, een hem niet toebehorend goed onttrekt aan een pandrecht, een retentierecht of een recht van vruchtgebruik of gebruik van een ander, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.”
11. Van onttrekking aan één van de in art. 348, eerste lid, Sr genoemde rechten is sprake zodra de mogelijkheid van het uitoefenen van zo een recht wordt opgeheven. De onttrekking kan hier bijvoorbeeld bestaan in het wegnemen of in het vernielen van het met een recht bezwaarde goed. De vraag die thans beantwoording behoeft is of ook de enkele wijziging van de tenaamstelling van het voertuig waarop het stil (of bezitloos) pandrecht rust onttrekking in de zin van art. 348, eerste lid, Sr oplevert. Is in dat geval de mogelijkheid van het uitoefenen van het pandrecht, eventueel ter parate executie, teniet gedaan?
12. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft de strafkamer van de Hoge Raad zich over deze vraag, die naar het mij toeschijnt een civielrechtelijke benadering vraagt, nog niet eerder uitgelaten, reden waarom ik de Hoge Raad verzoek om op dit punt helderheid te bieden. Om daartoe een voorzet te geven, maak ik eerst een uitstapje naar het burgerlijk recht.
Hoewel de tenaamstelling van kentekenbewijs deel IB en de registratie bij de RDW niet zonder meer impliceren dat sprake is van eigendom of onbezwaarde eigendom, kan uit art. 26 Kentekenreglement (regelend de “wijziging van de tenaamstelling: overdracht tussen particulieren”) worden afgeleid dat het overschrijven van de tenaamstelling van een auto – met kentekenbewijs deel II, om de niet rechtmatige vervreemding tegen te gaan -, er mede toe strekt dat de eigendom van de auto overgaat van degene op wiens naam de auto stond naar degene op wiens naam de auto komt. Dat in de onderhavige zaak de in de bewezenverklaring genoemde Mercedes Benz in eigendom is overgegaan van de Stichting [D] naar verzoeker blijkt mijns inziens uit het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van aangifte alsook uit de daarop steunende bewijsoverweging van het Hof dat verzoeker tevens heeft meegedeeld dat de Stichting [D] niet aan de executie van het pandrecht kan meewerken omdat de betreffende auto niet meer haar eigendom is.
13. Het pandrecht wordt in art. 3:227 BW als volgt gedefinieerd:
“1. Het recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte rechten, strekkende om op de daaraan onderworpen goederen een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang boven andere schuldeisers te verhalen. Is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het een recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van pand.
2. Een recht van pand of hypotheek op een zaak strekt zich uit over al hetgeen de eigendom van de zaak omvat.”
14. In de onderhavige zaak is sprake van het zogenoemde “stil” pandrecht. Daarmee wordt een pandrecht bedoeld dat bij authentieke akte – zoals in casu de als bewijsmiddel 3 opgenomen notariële akte “vestiging pandrecht” – is gevestigd terwijl de in pand gegeven zaak in de macht van de pandgever wordt gelaten zolang deze aan zijn verplichtingen ten opzichte van de pandhouder blijft voldoen. Stil is dit pandrecht omdat de vestiging van het pandrecht zich kan voltrekken zonder dat daarvan iets naar buiten blijkt.
15. Het pandrecht is blijkens de wettelijke definitie daarvan in art. 3:227 BW een beperkt recht in de zin van art. 3:81 BW. Ingevolge art. 3:81 BW en, daarnaast, art. 3:84 BW, is de eigenaar van een zaak die met een beperkt recht is bezwaard bevoegd die zaak in eigendom over te dragen aan een ander, zij het alleen met instandhouding van dat beperkte recht, zodat het pandrecht tegenover de rechtsverkrijger kan worden ingeroepen. Dit betekent voor de pandhouder dat hij de zaak van de verkrijger kan opeisen teneinde deze voor verhaal van zijn vorderingsrecht te kunnen uitwinnen. Hoofdregel is dus dat het pandrecht blijft bestaan.
16. Op deze hoofdregel bestaan evenwel twee uitzonderingen, in geval waarvan de verkrijger toch een recht op het goed vrij van pandrecht kan verwerven en de pandhouder zijn recht op het goed dus niet kan realiseren. Deze uitzonderingen zijn: a) de pandgever is tot vervreemding van het met pandrecht bezwaarde goed bevoegd (vgl. art. 3:84 BW) en b) de verkrijger kende het pandrecht niet en behoorde daarmee niet bekend te zijn (zie art. 3:86, tweede lid, BW). Het komt mij dienstig voor deze uitzonderingen wat nader te belichten.
a) De pandgever is bevoegd tot vervreemding van de met het pandrecht bezwaarde goed
De vraag of en in hoeverre de pandgever bevoegd is de stil verpande zaak te vervreemden vindt in beginsel haar beantwoording in de uitleg van de overeenkomst tussen de pandhouder en de pandgever. Van Mierlo en Van Velten schrijven in dit verband: “Men zal de bevoegdheid tot vervreemding moeten opvatten als een het gevestigde pandrecht verbonden ontbindende voorwaarde dat de pandgever bevoegdelijk overgaat tot vervreemding van de verpande zaak. (…). Door het intreden van de ontbindende voorwaarde wordt de pandgever volledig rechthebbende en draagt deze aldus een hem volledig toekomend recht over.” Ter adstructie wordt in de burgerrechtelijke literatuur gewezen op het voorbeeld waarin het pandrecht is gevestigd op zaken die tot de handelsvoorraad van de pandgever behoren. De kredietgever ten behoeve van wie als zekerheid voor de aflossing van het krediet het pandrecht is gevestigd, heeft er immers belang bij dat de pandgever zijn bedrijfsvoering normaal kan voortzetten.
b) De derde-verkrijger is niet van het pandrecht op de hoogte en kon daarmee niet bekend zijn
Als de daartoe onbevoegde pandgever een stil verpande roerende zaak overdraagt, dan gaat het pandrecht teniet indien aan alle eisen voor een geldige overdracht is voldaan en de verkrijger het pandrecht niet kende noch behoorde te kennen (art. 3:86, tweede lid, BW). De verkrijger moet in dit geval kortom te goeder trouw zijn geweest. Daarvan was geen sprake in HR 21 oktober 2011, LJN BR3057, NJ 2011/494. In dit arrest oordeelde de civiele kamer van de Hoge Raad – kort gezegd – dat de verkrijger van een tweedehands auto waar een stil pandrecht op rustte, niet mocht aannemen dat de verkoper van die auto beschikkingsbevoegd was nu hij niet had gevraagd naar kentekenbewijs deel II, welk deel doorgaans wordt ingehouden als een pandrecht wordt gevestigd op de koopprijs van de auto.
17. Gezien de voorgaande uiteenzetting over het pandrecht, zijn de vragen die ik hierboven onder punt 11 opwierp – levert de enkele wijziging van de tenaamstelling van het voertuig waarop het stil (of bezitloos) pandrecht rust onttrekking in de zin van art. 348, eerste lid, Sr op? Is in dat geval de mogelijkheid van het uitoefenen van het pandrecht, eventueel ter parate executie, teniet gedaan? – niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Aandacht verdienen daarbij vooral de concrete omstandigheden van het geval. Zo is het, als gezegd, niet meer mogelijk om het pandrecht uit te oefenen wanneer a) degene op wiens naam het voertuig staat bevoegd was om het met pandrecht bezwaarde voertuig over te (doen) schrijven, of wanneer b) degene op wiens naam het voertuig wordt overgeschreven de omstandigheid dat een pandrecht op het voertuig rustte niet kende en niet behoorde te kennen. In deze beide gevallen vervalt het pandrecht immers.
18. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van aangifte houdt aangaande de vestiging van het pandrecht op de in de bewezenverklaring bedoelde auto onder meer het volgende in:
“Toen heeft het incassobureau een advocaat, de heer Dormans te Weert ingeschakeld. Dit advocatenbureau heeft vervolgens met [verdachte] een overeenkomst tot vestiging van pandrecht gesloten. Dit was op 28 mei 2009. Op 8 juni 2009 heeft deze overeenkomst geleid tot een notariële akte, verleden voor notaris Pels Rijcken te Apeldoorn. In deze akte ligt vastgelegd het volgende:
Onder artikel 1 lid 2: Bij de sub 1 gemelde overeenkomst is tussen [A] en schuldenaar overeen gekomen dat door de schuldenaar ten behoeve van [A] een eerste pandrecht wordt gevestigd op de personenauto Mercedes Benz, type S, kleur blauw, met kenteken [AA-00-BB] (welke auto eigendom is van de stichting) een en ander ex art. 3.237 van het Burgerlijk Wetboek en op de hierna omschreven aandelen, tot meerdere zekerheid voor de voldoening van de uit de sub 1 gemelde overeenkomst voortvloeiende schuld met rente en kosten.
Hiermee geeft de stichting [D], vertegenwoordigd door [verdachte] de in haar bezit zijnde auto in pand aan [A]. De stichting vestigt ten behoeve van [A], die hierbij aanvaardt, het eerste pandrecht op voormelde personenauto.”
19. Het Hof heeft blijkens zijn bewijsvoering vastgesteld dat verzoeker de in de bewezenverklaring bedoelde Mercedes-Benz, waarop een pandrecht was gevestigd en die in eigendom was van de Stichting [D], heeft overgeschreven op zijn eigen naam. Voorts is blijkens de inhoud van bewijsmiddel 1 de overschrijving van de Mercedes Benz zonder toestemming van de pandhouder [A] BVBA geschied. En verder bevat de als bewijsmiddel 3 gebezigde notariële akte “vestiging pandrecht”, waarbij het onderhavige pandrecht werd gevestigd, geen ontbindende voorwaarde inhoudende dat de pandgever in voorkomend geval bevoegd is tot vervreemding van de verpande zaak over te gaan.
20. De bewijsvoering van het Hof houdt echter niet in (i) dat Stichting [D] als pandgever de stil verpande auto vrij van pandrecht aan verzoeker heeft willen overdragen en – het volgende lijkt wat gekunsteld - evenmin (ii) dat en waarom verzoeker – als verkrijger van de Mercedes Benz – ten tijde van het overschrijven van deze auto op zijn naam te goeder trouw zou zijn geweest, in welk geval immers het pandrecht vervalt. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, lijkt mij niet houdbaar het oordeel van het Hof dat het in deze zaak gaat om het onttrekken van een goed aan het pandrecht en dat de stelling van de raadsman dat het pandrecht de roerende zaak volgt, dat niet anders maakt. Ik merk daarbij op dat het Hof in zijn bewijsoverweging en verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer uitsluitend ingaat op de vraag of er sprake is van opzet aan de zijde van verzoeker en daarmee de vraag of er op zichzelf sprake is van een feitelijke onttrekking aan het pandrecht ten onrechte niet relevant lijkt te achten.
21. Gelet op het voorgaande meen ik dat ’s Hofs oordeel dat het onder de door hem vastgestelde omstandigheden overschrijven van de Mercedes-Benz, waarop een pandrecht was gevestigd ten behoeve van [A], op naam van verzoeker het bewezenverklaarde “onttrekken aan het pandrecht” van die Mercedes-Benz oplevert, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van het bepaalde in art. 348 Sr en dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.
22. Indien het Hof in zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat het pandrecht ook na verzoekers bewezenverklaarde handeling nog steeds op de Mercedes-Benz was gevestigd, dan heeft het Hof ontoereikend gemotiveerd waarom desalniettemin sprake was van onttrekking aan het pandrecht in de zin van art. 348 Sr en het pandrecht niet meer kon worden uitgeoefend.
23. Het middel slaagt mijns inziens.
24. Nu naar mijn oordeel het tweede middel slaagt, meen ik dat het eerste middel en het derde middel – die eveneens met bewijsklachten tegen het bewezenverklaarde opkomen – niet besproken behoeven te worden. Mocht Uw Raad daarover anders denken, dan ben ik gaarne bereid om met betrekking daartoe aanvullend te concluderen.
25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG