[verdachte]
Nr. 12/03568 E
Mr. Machielse
Zitting 20 augustus 2013
Conclusie inzake:
1. Het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft verdachte op 8 november 2011 vrijgesproken van feit 1 en voor 2: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.51, eerste lid, van de Wet luchtvaart, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 2500.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. V.Q. Vallenduuk, advocaat te Zaandam, heeft een schriftuur ingediend houdende drie middelen van cassatie. De eerste twee middelen lenen zich volgens de steller van schriftuur voor gezamenlijke bespreking.
3.1. Het hof heeft bewezenverklaard dat
"zij op 22 januari 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk, gevaarlijke stoffen zoals aangewezen in artikel 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht, te weten Lithium batterijen (UN 3090), welke stoffen tevens genoemd zijn in de gevaarlijke stoffenlijst (tabel 3-1) van de ICAO-TI 2009-2010, ten vervoer met een luchtvaartuig heeft aangeboden, terwijl daarbij Annex 18 en de Technische Voorschriften niet in acht zijn genomen,
immers heeft zij in strijd met de ICAO-TI 2009-2010 gehandeld door
- in strijd met voorschrift 5;2.4.1.1. niet op elke collo de juiste vervoersnaam van de gevaarlijke stof(fen) en de juiste UN-nummers te vermelden
en
- in strijd met voorschrift 5;2.4.2 de namen en de adressen van de aanbieder en van de ontvanger niet op elke collo aan te geven."
3.2. De Wet luchtvaart geeft in Hoofdstuk 6 regels voor het luchtvervoer. Titel 6.5. heeft betrekking op vervoer van gevaarlijke stoffen. De volgende bepalingen van deze Titel zijn relevant:
"Artikel 6.51
1. Het is verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of aan te nemen, alsmede te laden in of te lossen uit een luchtvaartuig, of tijdens het vervoer neer te leggen.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
3. Onder het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt mede begrepen het laten staan op een luchtvaartterrein van een luchtvaartuig waarin zich dergelijke stoffen bevinden.
Artikel 6.52
1. Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden onder een andere benaming of onder opgave van een andere categorie-indeling dan die welke bij of krachtens deze wet is voorgeschreven.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 6.53
1. De regels, bedoeld in artikel 6.51, tweede lid , kunnen onder meer betrekking hebben op:
(...)
b. de documenten die met betrekking tot gevaarlijke stoffen opgemaakt dienen te worden;
(...)
e. de eisen ten aanzien van verpakking van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en het testen of keuren daarvan, alsmede de uitgifte en intrekking van verpakkingskenmerken;
(...)
f. de etiketten, kenmerken of andere aanduidingen op de verpakking, bedoeld in onderdeel e".
De in het eerste lid van artikel 6.51 Wet luchtvaart in het vooruitzicht gestelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht.
Artikel 1 van dit besluit heeft de volgende inhoud:
"In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet luchtvaart ;
b. Annex 18: ingevolge een mededeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gepubliceerd in de Staatscourant van kracht zijnde versie van de op grond van de artikelen 37, 54 en 90 van het op 7 december 1944 te Chicago gesloten Verdrag inzake de Burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie vastgestelde Annex 18 (The Safe Transport of Dangerous Goods by Air), zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie;
c. Technische Voorschriften: ingevolge een mededeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gepubliceerd in de Staatscourant van kracht zijnde versie van de bij Annex 18 behorende «Technical Instructions for the Safe Transport of Dangerous goods by Air», Doc 9284-AN/905, inclusief het Supplement, zoals ter inzage gelegd op de bij die mededeling aangegeven locatie;
d. afzender: natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid,onder 1°; e. expediteur-luchtvrachtagent: natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder 2°;
f. grondafhandelaar: natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder 3°.
2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat draagt zorg voor een vertaling van Annex 18 en de Technische Voorschriften en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant."
In Stcrt. 2009, 70 van 14 april 2009 maakte de Minister bekend dat de gewijzigde editie voor 2009-2010 van de bij Annex 18 (The Safe Transport of Dangerous Goods by Air) van het op 7 december 1944 te Chicago gesloten Verdrag inzake de Burgerluchtvaart, behorende Technische Voorschriften (Technical Instructions for the Safe Transport of Dangerous Goods by Air, Doc. 9284-AN/905) kan worden ingezien bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Koningskade 4 in Den Haag en bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, Saturnusstraat 50 in Hoofddorp.
In Trb. 2009, 48 van vrijdag 3 april 2009 wordt voor de Bijlagen bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart verwezen naar Trb. 1999, 108. Tevens wordt vermeld dat de bijlagen sindsdien een aantal keren is gewijzigd, aan welke zin een voetnoot is toegevoegd die de volgende inhoud heeft:
"De geconsolideerde tekst van de Bijlagen 1 tot en met 18, geldend per 13 februari 2009, ligt ter inzage bij:
– het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Bibliotheek van de Hoofddirectie Juridische Zaken, Koningskade 4, Kamer A 05.44, Den Haag;
– het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Bibliotheek Inspectie Verkeer en Waterstaat, Saturnusstraat 50, Kamer B.102, Hoofddorp; en
– het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Afdeling Verdragen, Bezuidenhoutseweg 67, Den Haag."
3.3. Uit het bovenstaande maak ik op dat bijlage 18 met de daar weer bijhorende technische instructies eerst per 13 februari 2009, dus na het ten laste gelegde feit, inwerking is getreden. Het standpunt dat in het middel wordt verdedigd komt erop neer dat de ICAO-TI 2009-2010 op 22 januari 2009 nog geen rechtskracht hadden en dat de ICAO-TI 2007-2008 op die datum hun rechtskracht hadden verloren. Uit de inhoud van de hiervoor aangehaalde voetnoot maak ik op dat het eerste onderdeel van het middel terecht is voorgesteld. Dat geldt mijns inziens niet voor het tweede onderdeel. Als het tweede onderdeel juist zou zijn, zou er telkens een vacuüm ontstaan tussen het moment waarop de oude ICAO-TI van rechtswege hun gelding zouden verliezen en het moment waarop de nieuwe ICAO-TI van kracht worden, waarin geen Technische Voorschriften voor de burgerluchtvaart zouden gelden. Dat is niet alleen ongewenst maar volstrekt ongerijmd. Mijns inziens moet artikel 1 aanhef en onder b en c van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht aldus worden begrepen dat het van kracht worden van de nieuwe versie, door mededeling van de Minister, gepubliceerd in de Staatscourant, een einde maakt aan de heerschappij van de oude versie. Dat betekent dat de oude versie blijft gelden zolang deze niet is opgevolgd door een nieuwe versie. Het hof heeft zich in zijn arrest erg veel moeite getroost om de conclusie te bereiken dat de ICAO-TI 2009- 2010 al wel, zij het in de Engelse taal, voorhanden was en gelding had voor het Nederlandse rechtsgebied, maar het had zich deze moeite kunnen besparen. Het hof heeft de ICAO-TI 2009-2010 vergeleken met de ICAO-TI 2007-2008 en is tot de slotsom gekomen dat tussen beide sets van technische voorschriften voor het kader van de onderhavige strafzaak geen relevante verschillen zijn aan te wijzen. Dit oordeel is in cassatie niet bestreden, evenmin als de vaststelling van het hof dat er ten tijde van het ten laste gelegde feit een Nederlandse vertaling van de ICAO-TI 2007-2008 beschikbaar was. Het hof had dus de tenlastelegging verbeterd moeten lezen en wel aldus dat daarin verwezen werd naar de ICAO-TI 2007-2008 in plaats van naar de ICAO-TI 2009-2010. De Hoge Raad zal kunnen doen wat het hof had behoren te doen, waardoor de beide middelen hun doel missen.
4.1. Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.
4.2. Volgens de steller van het middel is het cassatieberoep op 22 november 2011 ingesteld. De gegevens die bij mij bekend zijn en die ik ontleen aan de cassatieakte, houden echter in dat het cassatieberoep op 18 november 2011 is ingesteld. Voorts betoogt de steller van het middel dat de inzendtermijn volgens de Hoge Raad zes maanden bedraagt. Ik lees echter in rov. 3.3 van HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis dat de Hoge Raad de inzendtermijn op acht maanden stelt, tenzij verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, in welk geval een inzendtermijn van zes maanden geldt. Voor zover de steller van het middel voorts heeft beoogd te betogen dat de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase ook erin bestaat dat de Hoge Raad niet binnen negen maanden na het instellen van het beroep, hetzij na de ontvangst van de stukken ter administratie van de Hoge Raad, arrest kan wijzen, wijs ik op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, behoudens bijzondere gevallen, er sprake is van schending van de redelijke termijn wanneer vanaf het moment dat cassatie is ingesteld tot het moment waarop de Hoge Raad arrest wijst meer dan twee jaren zijn verstreken.
4.3. In de onderhavige zaak is het dossier ter administratie van de Hoge Raad ontvangen op 29 juni 2012, terwijl op 18 november 2011 het cassatieberoep is ingesteld. Aldus zijn zeven maanden en elf dagen tussen beide data verstreken. Van een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase is geen sprake.
Het middel faalt.
5. De voorgestelde middelen falen als de Hoge Raad bereid is de bewezenverklaring verbeterd te lezen zoals in deze conclusie voorgesteld. Het tweede middel kan dan op de voet van artikel 81 RO worden afgedaan.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden