5. Het eerste middel
Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de aantekeningen, gespreksnotities, e-mails en brieven die mogelijk deel uitmaken van de inbeslaggenomen cliëntendossiers niet kunnen worden aangemerkt als brieven of geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Dit oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd zijn.
Zoals door de Rechtbank is vooropgesteld, komt het oordeel over de vraag of brieven en geschriften onder het verschoningsrecht vallen in beginsel toe aan de verschoningsgerechtigde. Het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat dit geval zich niet voordoet getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is allesbehalve onbegrijpelijk. Gespreksnotities, e-mails en brieven raken de kern van het vertrouwelijk verkeer tussen een advocaat en zijn cliënt. Ook als het zo zou zijn dat die geschriften informatie bevatten die bij het begaan van het strafbare feit van pas is gekomen, dan nog maakt dit niet dat die geschriften tot het begaan daarvan hebben gediend, laat staan het voorwerp van dat strafbare feit hebben uitgemaakt. Het strafbare feit had immers ook begaan kunnen worden als die geschriften lang voor het plegen ervan waren vernietigd (en de verschoningsgerechtigde de desbetreffende informatie had onthouden of op andere wijze had bewaard).
Het middel faalt.
6. Het tweede middel
Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat in de onderhavige zaak geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht.
In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de Rechtbank de onjuiste rechtsopvatting lijkt te zijn toegedaan dat van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ die een doorbreking van het beroepsgeheim rechtvaardigen slechts sprake kan zijn als sprake is van een verdenking ter zake van art. 140 Sr. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat de Rechtbank een te strenge maatstaf heeft aangelegd door te eisen dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld slechts sprake kan zijn als sprake is van meer dan een redelijk vermoeden van schuld. Tevens wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel dat van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden geen sprake is, waarbij erop wordt gewezen dat de verdenking (mede) het meermalen plegen van valsheid in geschrift en oplichting betreft, begaan in het kader van de beroepsuitoefening van de verdachte als advocaat.
Bij de vraag of sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ spelen de aard en de ernst van de feiten waarop de verdenking betrekking heeft, een belangrijke rol. Niet vereist is evenwel dat de verdenking het bestaan van een crimineel samenwerkingsverband moet betreffen dat wordt gevormd door de advocaat en zijn cliënten. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat ook het in de hoedanigheid van advocaat plegen van valsheid in geschrift en oplichting grond kan opleveren voor het oordeel dat van bedoelde zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. Ik volsta met een verwijzing naar het ook in de schriftuur genoemde HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9494, waar het ging om het (eenmalig) antedateren van een koopovereenkomst door een notaris.
Voor de stelling dat de graad van de verdenking een factor van belang is bij de vraag of sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’, biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad geen steun. Voor zover ik heb kunnen nagaan, eist de Hoge Raad geen ‘ernstige bezwaren’ of een andere daarmee vergelijkbare zware verdenkingsgraad. Dat lijkt mij een gelukkige zaak. In de eerste plaats omdat de rechter, van wie verwacht wordt dat hij overtuigend motiveert waarom sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, zich dan gedrongen zal voelen de verdenking zwaar aan te zetten, terwijl de onschuldpresumptie op dit punt van de rechter juist terughoudendheid verlangt. In de tweede plaats omdat de redelijke verdenking dat de verschoningsgerechtigde zijn ambt misbruikt voor het plegen van ernstige delicten mij voldoende rechtvaardiging lijkt voor een doorbreking van het verschoningsrecht. In de derde plaats omdat een doorbreking van het verschoningsrecht juist bedoeld is voor gevallen waarin de waarheid niet op andere wijze kan worden gevonden. Ik wijs in dit verband op de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse die voorafging aan het hiervoor genoemde arrest en waarnaar de Hoge Raad verwees. Over de klacht dat in de bestreden beschikking enigerlei vaststelling over de “mate van verwijtbaarheid” ontbrak, merkte mijn ambtgenoot op dat het Hof in die beschikking juist had overwogen dat de doorbreking van het verschoningsrecht noodzakelijk was om uitsluitsel te krijgen over de rol van de klager.
Gelet op het voorgaande meen ik dat de Rechtbank onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar gedachtegang. Na te hebben overwogen dat klager wordt “verdacht van het medeplegen van fraude met betrekking tot aanvragen van tewerkstellings- en verblijfsvergunningen voor Chinezen en aldus van overtreding van de artikelen 225, 326 en 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)” en dat klager bij juistheid van die verdenking “misbruik [zou] hebben gemaakt van de bijzondere positie die zijn professie met zich brengt”, overwoog de Rechtbank dat “daarom niet alleen [zal] moeten worden gekeken naar de aard en zwaarte van de delicten, maar ook naar de stevigheid van de tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking van criminele samenspanning met zijn cliënten”. Als de Rechtbank daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ slechts sprake kan zijn in geval van een (het redelijk vermoeden te boven gaande) ernstige verdenking van criminele samenspanning van de verschoningsgerechtigde met zijn cliënten, getuigt dat oordeel gelet op hetgeen onder 6.3 en 6.4 is vooropgesteld van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de Rechtbank hetgeen hierboven is vooropgesteld niet heeft miskend, behoeft nadere motivering waarom, nu de verdenking onder meer het in de hoedanigheid van advocaat plegen van valsheid in geschrift en oplichting betreft, in dit geval naar haar oordeel van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ geen sprake is.
Het middel slaagt.
7. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG