2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatieberoep bevat vier middelen. De middelen 1-3 richten zich tegen rechtsoverweging 11 en het dictum en middel 4 tegen rechtsoverweging 14.
In deze rechtsoverwegingen heeft het hof als volgt geoordeeld:
“Kinderalimentatie
(…)
11. Het hof is voorts van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geen draagkracht heeft dan wel onvoldoende verdiencapaciteit heeft om een bedrag aan kinderalimentatie te voldoen. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de vader onvoldoende inzage heeft verschaft in zijn huidige financiële positie. Zo stelt de vader enerzijds zijn huidige woning – waarvan de huurprijs het bedrag van de door hem ontvangen uitkering overtreft – te kunnen betalen dankzij de hulp van zijn ouders, maar laat hij anderzijds een potentiële inkomstenbron als muzikant, hoe klein deze ook volgens zijn stelling zou zijn, liggen. Het enkele feit dat aan hem een bijstandsuitkering is toegekend maakt het voorgaande niet anders.
Het hof gaat er derhalve van uit dat de vader ten minste in staat moet worden geacht de helft van de kosten van de minderjarigen voor zijn rekening te kunnen nemen, die op € 165,- per maand per kind kan worden gesteld, nu de totale behoefte van de minderjarigen van € 663,- per maand niet (langer) in geschil is.
(…)
Partneralimentatie
(…)
14. Het hof verwijst naar het hiervoor onder 11. overwogene. Nu de vader onvoldoende inzage heeft verschaft in zijn financiële positie en onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geen, dan wel een beperkte verdiencapaciteit heeft, zal het hof zijn verzoek ten aanzien van partneralimentatie afwijzen. Hetgeen voor het overige hieromtrent over en weer naar voren is gebracht behoeft derhalve geen bespreking meer.”
Middel 1 klaagt dat het oordeel van het hof dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geen draagkracht heeft, mede gezien de inhoud van de gedingstukken en producties, onvoldoende dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. De man heeft in zijn beroepschrift, zoals toegelicht ter zitting en met overlegging van producties onderbouwd, gesteld (i) waarom hij voor de huurwoning – waarvan de huurprijs de door hem ontvangen uitkering overtreft – heeft gekozen, (ii) op welke wijze hij aan de huurverplichtingen heeft voldaan en (iii) dat hij op zoek is naar een woning in de sociale huursector. Voorts wordt geklaagd dat het oordeel dat de man potentiële inkomsten als muzikant zou hebben laten liggen, in strijd is met het recht, althans onbegrijpelijk is, nu het hof, ondanks het daartoe aanleiding gevende partijdebat, zich niet heeft uitgelaten over de vraag of er sprake was van een zelf teweeggebrachte inkomensvermindering, of deze inkomensvermindering (on)herstelbaar was en of de inkomensvermindering gezien de omstandigheden (ten dele) buiten beschouwing moest blijven.
Middel 2 klaagt dat het hof het oordeel dat de man ten minste in staat moet worden geacht de helft van de behoefte van de kinderen (zijnde € 663,-) te kunnen voldoen, lijkt te hebben gebaseerd op de overweging dat de man een potentiële inkomstenbron als muzikant heeft laten liggen. Dit oordeel is onjuist dan wel onbegrijpelijk nu het hof niet heeft overwogen welk inkomen de man als muzikant had kunnen genereren en de man uitdrukkelijk heeft gesteld dat slechts sprake was van een hobby en dat als uit die hobby inkomsten gegenereerd zouden kunnen worden, dit om zeer lage bedragen zou gaan.
Volgens middel 3 is het oordeel van het hof dat het enkele feit dat de man een bijstandsuitkering is toegekend het voorgaande niet anders maakt, onbegrijpelijk en is het hof daarmee voorbijgegaan aan essentiële stellingen van de man. De man heeft in zijn beroepschrift gesteld dat hij een bijstandsuitkering ontving en heeft de uitkeringsspecificatie in het geding gebracht. Voorts heeft de advocaat van de man, aldus het middel, ter zitting van 8 maart 2013 een beroep gedaan op de 90% bijstandsnorm. Het hof was gehouden dit ambtshalve te onderzoeken, maar is daaraan ten onrechte – zonder motivering – voorbijgegaan. Het hof heeft ook niet overwogen dat het op basis van de verschafte informatie concludeerde dat het werkelijke inkomen van de man hoger was dan zijn bijstandsuitkering. Nu sprake was van een aanzienlijke onherstelbare inkomensvermindering en het gedeeltelijk buiten beschouwing laten daarvan een beslissing van ingrijpende aard is, is de beschikking onvoldoende gemotiveerd, aldus het middel.
Middel 4 bevat een op de onderdelen 1-3 voortbouwende klacht met betrekking tot de afwijzing van het verzoek van de man tot vaststelling van partneralimentatie ten laste van de vrouw.
De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
In rechtsoverweging 11 heeft het hof geoordeeld dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geen draagkracht heeft dan wel onvoldoende verdiencapaciteit heeft om een bedrag aan kinderalimentatie te voldoen. Het hof heeft aan deze onvolledige voorlichting van de man – al dan niet met toepassing van art. 21 Rv. – de gevolgtrekking verbonden dat de man ten minste in staat wordt geacht een kinderalimentatie van € 165,- per maand per kind voor zijn rekening te kunnen nemen.
Of partijen hebben voldaan aan de verplichting van art. 21 Rv. berust op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. Dat neemt niet weg dat elke rechterlijke (alimentatie)beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Hoe ver de motiveringsplicht van de rechter gaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat.
Dat de man onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn huidige financiële positie wordt door het hof op twee omstandigheden gegrond. De eerste is – kort gezegd – het contrast tussen de huurprijs van de woning van de man en zijn inkomsten. Aldus heeft het hof mogelijk tot uitdrukking willen brengen dat het twijfels had bij de door de vader gestelde financiële situatie. Echter, dat is niet concludent, nu de overweging dat de man een huurprijs kan betalen die de uitkering overtreft dankzij de hulp van zijn ouders, ook een verklaring kan zijn voor de omstandigheid dat hij, ondanks dat hij maar een uitkering heeft, toch een hoge huurprijs kan voldoen.
2.6 Blijft over de door het hof als tweede genoemde omstandigheid dat de man een potentiële inkomstenbron als muzikant, hoe klein deze ook volgens zijn stelling zou zijn, laat liggen. Daarin ligt mogelijk besloten dat het hof van oordeel is dat sprake is van een voor herstel vatbare inkomensvermindering. In dat geval geldt bij de bepaling van de (fictieve) draagkracht onverkort als uitgangspunt dat het daarbij niet aankomt op het inkomen dat de onderhoudsplichtige verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven en komt de vraag of de alimentatieplichtige als gevolg van zijn fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien en zijn totale inkomen beneden het niveau van 90% zakt van de op hem toepasselijke bijstandsnorm, niet aan de orde. Anderzijds is ook mogelijk dat het hof de problematiek van de (on)herstelbare inkomensvermindering in het geheel niet op het netvlies heeft gehad.
In de overweging “Het enkele feit dat aan hem een bijstandsuitkering is toegekend maakt het voorgaande niet anders” in rechtsoverweging 11 ligt het oordeel besloten dat het hof – ondanks de betwisting van de vrouw – tot uitgangspunt heeft genomen dat de man een bijstandsuitkering ontvangt. Dat maakt op zichzelf genomen al dat het oordeel van het hof dat de man onvoldoende inzage heeft verschaft in zijn huidige situatie, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Daarnaast is het oordeel dat het enkele feit dat aan hem een bijstandsuitkering is toegekend het voorgaande niet anders maakt, in het geheel niet gemotiveerd.
Ondanks de hiervoor onder 2.4 genoemde vrijheid van de feitelijke rechter, is het m.i. in deze zaak te zeer gissen wat het hof heeft bedoeld om te kunnen zeggen dat het hof voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang.
De middelen slagen mitsdien in zoverre.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof te Den Haag van 10 april 2013 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G