1. Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 november 2012. Namens verzoeker is tijdig een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingezonden.
2. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte is afgeweken van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van de drie buren onbetrouwbaar zijn, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Het middel gaat eraan voorbij dat het Hof in zijn bewijsoverweging (in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd) heeft overwogen: “Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.” Het tweede middel en het derde middel klagen tevergeefs over ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om de wijkagent als getuige te horen.
3. Het voorgaande brengt mee dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
4. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG