ECLI:NL:PHR:2013:1953

ECLI:NL:PHR:2013:1953, Parket bij de Hoge Raad, 08-10-2013, 12/02723

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-10-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12/02723
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2013:1973
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Noodweer(exces). Het oordeel van het Hof dat “niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding” is, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Uitspraak

“Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman heeft aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest. Er is sprake van een ernstig vormverzuim en daarom moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn als de politie en/of het openbaar ministerie ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Niet is aannemelijk geworden dat daarvan in dit geval sprake is. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat al hetgeen voortvloeit uit de onrechtmatige aanhouding voor het bewijs moet worden uitgesloten.

Het hof overweegt daartoe dat wat er ook zij van de aanhouding, dit de verdachte niet het recht gaf om de politieagent te schoppen. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, alsmede het tijdsverloop in deze zaak, is het hof van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.”

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder het onder bewijsmiddel 1 weergegeven proces-verbaal van aangifte, heeft het hof kennelijk de navolgende gang van zaken aannemelijk geacht. Aangeefster, tevens verbalisant, [verbalisant 1] en haar collega [verbalisant 2] zijn naar het woonadres van verdachte gegaan naar aanleiding van een melding dat een moeder wilde dat zij, verbalisanten, haar zoon uit huis zouden zetten. [verbalisant 2] heeft aldaar aangekomen tegen verdachte gezegd dat verdachtes moeder een brief aan het opmaken was om het huurcontract per direct te ontbinden en dat verdachte na het afgeven van deze brief hieraan [AG: ik begrijp aan de sommatie om de woning te verlaten] zou moeten voldoen. Verdachte wachtte de ontvangst van de brief niet af, maar liep de trap af naar beneden. Hierop verzochten aangeefster en haar collega hem meermaals te blijven staan en zei aangeefster tegen verdachte: “staan blijven anders word je aangehouden”. Omdat verdachte niet bleef staan, heeft aangeefster hem uiteindelijk medegedeeld dat hij was aangehouden vanwege het niet voldoen aan een bevel of vordering. Tijdens het daarop gevolgde vervoer van verdachte naar de politieauto, waarbij verdachte handboeien waren aangelegd, gaf verdachte aangeefster een trap.

Nu de mishandeling van de politieagente waarvoor verdachte wordt vervolgd, is gevolgd op verdachtes aanhouding wegens het niet opvolgen van een ambtelijk bevel, kan het verweer en de aan de middelen ten grondslag liggende stelling dat die aanhouding onrechtmatig was, geen vormverzuim opleveren dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv naar het in onderhavige zaak ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit, de mishandeling. Daarom is het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en dat geen aanleiding bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting of strafvermindering, juist.

De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

Het vijfde middel klaagt dat het hof het uitdrukkelijk gevoerde verweer dat als gevolg van de onrechtmatige aanhouding sprake was van een noodweer(exces)situatie voor verdachte op ontoereikende gronden heeft verworpen, althans dat het deze verwerping ontoereikend heeft gemotiveerd.

Blijkens voornoemde pleitnota heeft de raadsman van verdachte het volgende aangevoerd:

“Indien Uw Hof meent dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is, het feit dat aan cliënt ten laste is gelegd, wel bewezen kan worden verklaard en Uw Hof meent dat de aanhouding onrechtmatig was, (…) dan meent de verdediging dat hij heeft gehandeld uit noodweer c.q. noodweerexces en dat er aldus geconcludeerd zou moeten worden tot afwezigheid van alle schuld.

Immers op het moment dat hij onrechtmatig werd aangehouden was en er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Hij werd immers in de boeien geslagen en hiermee van zijn vrijheid beroofd. Hij kon op dat moment dat ook geen kant op. Indien en voor zover Uw Hof al meent dat het zo zou zijn gegaan zoals slechts aangeefster verklaart, zou dit betekenen dat de enige mogelijkheid van cliënt om zich uit zijn benarde positie te bevrijden zijn om zich op enigerlei wijze te onttrekken aan de aanhouding. Praten en uitleggen, zoals daarvoor door cliënt is geprobeerd en proberen door te vertrekken om escalatie te voorkomen, hadden immers tot niets geleid.

Indien en voor zover Uw Hof meent dat cliënt daarbij de noodzakelijke grenzen van verdediging heeft overschreden, wordt een beroep op noodweerexces gedaan. Immers cliënt was emotioneel, verdrietig en boos, dat de labiliteit van zijn moeder ertoe had geleid dat de politie aanwezig was, dit terwijl cliënt druk doende was zijn leven weer op orde te krijgen. Als hij dientengevolge dan ook nog eens ten onrechte door de politie wordt aangehouden, voor iets wat geheel aan de gemoedstoestand van moeder te wijten is en hij dan in de boeien wordt geslagen, van zijn vrijheid wordt beroofd en hij alles waar hij zelfstandig voor heeft moeten knokken, de trajecten die door hem zelf zijn opgestart, hij die als het ware in rook ziet opgaan, kan worden gesteld dat de emotie waarin cliënt verkeerde mede is ingegeven door de situatie waarin hij verkeerde en hij uit die emotie heeft gehandeld.

Meer meer meer subsidiair wordt derhalve verzocht cliënt te ontslaan van rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld.”

Het hof heeft hierover als volgt overwogen en beslist:

“Het hof is van oordeel dat op grond van zowel het onderzoek ter terechtzitting, als de verklaringen in het dossier, niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer(exces) wordt derhalve verworpen.”

Volgens vaste rechtspraak moet de rechter indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer dan wel noodweerexces, onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden blijkens art. 41 Sr in:

- wat betreft noodweer: dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding;

- wat betreft de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging (het zogenoemde noodweerexces): dat die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een aanranding als vorenbedoeld.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig betoogd dat zo de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft al heeft gepleegd, dit is gebeurd uit noodweer(exces). Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was, omdat het bevel om te blijven staan niet was terug te voeren tot enig wettelijk voorschrift. Hierdoor was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Indien hij daarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan kwam dit voort uit de emotie die bij hem was opgewekt door de hele situatie.

Bij de verwerping van het op art. 359a Sv gestoelde verweer, heeft het hof de rechtmatigheid van de aanhouding van verdachte expliciet in het midden gelaten. Ten aanzien van het beroep op noodweer(exces) heeft het hof zonder nadere motivering geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Blijkbaar was het hof van oordeel dat er in het geheel geen sprake is geweest van een noodweersituatie en heeft het hof de gestelde onrechtmatigheid van de aanhouding niet betrokken bij de beantwoording van de vraag of verdachte uit noodweer(exces) heeft gehandeld.

Het onrechtmatig beperken van iemands bewegingsvrijheid kan echter een “aanranding” in de zin van art. 41 Sr opleveren. Immers, onder een “aanranding” begrijpt de Hoge Raad niet alleen gedragingen die kunnen worden beschouwd als een feitelijke aantasting van eigen of eens ander lijf, eerbaarheid of goed of gedragingen die een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aantasting opleveren, maar ook het beperken van iemands bewegingsvrijheid. In een arrest uit 1996 overwoog de Hoge Raad hierover:

“Nu het slachtoffer zonder eigen recht de verdachte in haar bewegingsvrijheid beperkte, terwijl de verdachte dit uitdrukkelijk niet wilde en meermalen had verzocht haar los te laten, was op dat moment ten aanzien van de verdachte reeds sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lijf, zoals bedoeld in art. 41, eerste lid, Sr”.

Op het moment dat politieagenten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam zijn doordat een door hen gedane vordering niet op een wettelijk voorschrift berust, is een burger geenszins verplicht aan die vordering te voldoen, zoals AG Wortel treffend in zijn conclusie voor HR 10 januari 2006 schreef:

“Het Amsterdamse Hof heeft zich hier onverwacht gezagsgetrouw betoond door in zó algemene zin te stellen dat "een burger de aanwijzingen van de politie dient op te volgen". Dit zal wel het heimelijk verlangen van elke wets- en ordehandhaver zijn, maar de juridische werkelijkheid is het niet. Althans nog niet. Aanwijzingen van politiefunctionarissen zijn alleen verplichtend voor zover de bevoegdheid tot het geven ervan op een wettelijk voorschrift kan worden herleid; ten minste in de vorm van een taakstellende bepaling die de bevoegdheid tot het geven van zulke aanwijzingen dringend vergt. (…) Het ongeclausuleerde uitgangspunt dat de burger maar heeft te doen wat een politiefunctionaris van hem verlangt acht ik onjuist.”

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat verdachte een strafbaar feit pleegde of een gevaar vormde voor de openbare orde toen hij (nota bene overeenkomstig de wens van zijn moeder) de woning verliet. Het is volstrekt onduidelijk op basis van welk wettelijk voorschrift verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dachten gerechtigd te zijn van verdachte te vorderen dat hij zou blijven wachten tot zijn moeder klaar was met het opmaken van de brief ter ontbinding van het huurcontract. In het procesdossier – achter de papieren muur – zit een proces-verbaal van bevindingen waarin de gebeurtenissen voorafgaand aan de aanhouding van verdachte zijn beschreven. Daaruit blijkt dat verdachtes moeder aan de verbalisanten heeft aangegeven dat verdachte eerder die dag zou hebben gedreigd haar te slaan. Op zichzelf is ingevolgde art. 54 jo. 67, eerste lid sub b, Sv aanhouding buiten heterdaad ter zake van bedreiging mogelijk, maar nu niets is vastgesteld over de precieze aard en ernst van de door verdachte tegen zijn moeder geuite woorden en de verbalisanten bovendien niet beschikten over toestemming van de officier van justitie voor een aanhouding buiten heterdaad, kon ook deze omstandigheid naar mijn oordeel niet zomaar grond bieden voor de aanhouding van verdachte. Overigens blijkt uit het proces-verbaal zoals weergegeven onder het door het hof gebezigde bewijsmiddel 1 dat de verbalisanten verdachte sommeerden te blijven staan “Daar de situatie nog niet was opgelost […]” en niet omdat er sprake zou zijn van een verdenking van bedreiging of enig ander strafbaar feit.

Nu het er alle schijn van heeft dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was, acht ik de reactie van het hof op het gevoerde verweer dat er sprake was van noodweer(exces), onvoldoende gemotiveerd en niet begrijpelijk.

Het middel is terecht voorgesteld.

Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de strafbaarheid van het feit en van verdachte en de strafoplegging betreft, tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?