“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het vonnis waarvan beroep is op tegenspraak gewezen op 4 augustus 2010. De oproeping voor de zitting van 14 juli 2010 was aan de veroordeelde op 25 juni 2010 in persoon uitgereikt. Namens de veroordeelde is het hoger beroep ingesteld op 23 augustus 2011, derhalve niet binnen de daarvoor geldende termijn van veertien dagen die aanving op eerstgenoemde datum, als bepaald in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering.
De gemachtigd raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de verdachte dient te worden ontvangen in het hoger beroep, gelet op het volgende. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 juli 2010, toen het onderzoek is gesloten, is geen melding gedaan van de datum waarop het vonnis zou worden uitgesproken. De toenmalige raadsman van de verdachte en kantoorgenoot van de huidige raadsman, mr. R. Lonterman, heeft pas bij terugkeer van vakantie vernomen dat op 4 augustus 2010 vonnis was gewezen en heeft direct daartegen hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting een kopie overgelegd van de zittingslijst van de rechtbank van 14 juli 2010. Daarop is met betrekking tot de onderhavige zaak vermeld dat namens mr. R. Lonterman mr. H. Bakker is verschenen en dat deze gemachtigd was namens de veroordeelde op te treden. Voorts is bij de onderhavige zaak op deze zittingslijst vermeld dat de uitspraak is op 4 augustus 2010 te 13.00 uur. De advocaat-generaal gaat op grond van deze aantekeningen ervan uit dat mr. Bakker is aangezegd dat uitspraak zou worden gedaan op 4 augustus 2010. De advocaat-generaal is van oordeel dat de veroordeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, nu het hoger beroep niet binnen veertien dagen na de uitspraak is ingesteld.
Het hof overweegt het volgende. Van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2010 is in de onderhavige zaak geen proces-verbaal opgemaakt. Gelet op de aantekeningen op de door de advocaat-generaal overgelegde zittingslijst van 14 juli 2010 is het hof echter van oordeel dat de stelling van de raadsman dat op die datum de uitspraakdatum niet bekend is gemaakt en dat deze datum daarom bij de verdediging en de veroordeelde niet bekend kon zijn, niet aannemelijk is geworden. Ten overvloede overweegt het hof dat het hof ambtshalve op de hoogte is van de omstandigheid dat in een met de zaak
van de veroordeelde samenhangende ontnemingszaak welke zaak eveneens ter terechtzitting van het hof van 9 augustus 2011 is behandeld, het onderzoek ter terechtzitting eveneens is gesloten op 14 juli 2010 en dat blijkens het in die zaak opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting is medegedeeld dat op 4 augustus 2010 uitspraak zou worden gedaan.
Nu de veroordeelde niet binnen de wettelijke termijn hoger beroep is ingesteld, zal het hof als volgt beslissen.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat door het niet opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 juli 2010 niet kan worden nagegaan of op genoemde terechtzitting (aan de kennelijk aldaar aanwezige gemachtigde raadsman van de betrokkene) de datum van de uitspraak – er vanuit gaande dat die datum op genoemde terechtzitting door de Rechtbank is bepaald, EH - is medegedeeld. Volgens de steller van het middel kunnen de aantekeningen op de door de Advocaat-Generaal bij het Hof overgelegde zittingslijst geen uitzondering vormen op het beginsel dat het proces-verbaal van de terechtzitting de enige kenbron is van de aldaar in acht genomen vormen, nu uit die aantekeningen slechts kan worden afgeleid wat de datum is waarop de Rechtbank voornemens was uitspraak te doen en niet of die datum ook ter terechtzitting aan de gemachtigde raadsman is medegedeeld. Een dergelijke uitzondering zou evenmin kunnen volgen uit het proces-verbaal van de terechtzitting in de samenhangende zaak waarnaar het Hof ten overvloede verwijst. Dit alles brengt volgens de steller van het middel mee dat het er voor moet worden gehouden dat de datum waarop uitspraak zou worden gedaan niet ter terechtzitting is medegedeeld, zodat betekening van de kennisgeving van de datum van de uitspraak op grond van het bepaalde in art. 511e, tweede lid (ik begrijp: oud, EH), Sv was vereist, en art. 408 Sv in de onderhavige zaak toepassing mist.
Ik merk allereerst op dat de steller van het middel binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn bij faxbrief van 6 januari 2012 aan de Rolraadsheer het verzoek heeft gedaan om een afschrift te doen toekomen van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 juli 2010, welk stuk bij de aan haar door de griffier bij de Hoge Raad toegezonden stukken ontbrak. Vervolgens is op 9 januari 2012 een schriftuur bij de Hoge Raad ingekomen. Namens de griffier is op 6 februari 2012 aan de raadsvrouw medegedeeld dat het Hof in het bestreden arrest heeft vastgesteld dat het proces-verbaal waar de raadsvrouw om verzoekt niet door de Rechtbank is opgemaakt, en dat er – nu inmiddels een schriftuur is ingediend – vanuit wordt gegaan dat het verzoek tot het opvragen van dit stuk als afgehandeld kan worden beschouwd. Voorts merk ik op dat de inventarislijst behorende bij het Rechtbank-dossier de aantekening inhoudt dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 juli 2010 niet is uitgewerkt. Ook bevindt zich bij de stukken een formulier d.d. 23 september 2010, inhoudend een verzoek van de griffier (die in eerste aanleg op de zaak zat) aan een van de rechters die het vonnis in eerste aanleg heeft gewezen, tot het niet uitwerken van het appel wegens evidente niet-ontvankelijkheid (door termijnoverschrijding) van de betrokkene in het hoger beroep, welk verzoek voor akkoord is bevonden. Navraag mijnerzijds bij het Hof en de Rechtbank heeft evenmin geresulteerd in toezending van het verzochte proces-verbaal. Uit het voorgaande leid ik af dat een proces-verbaal van de terechtzitting van 14 juli 2010 niet is opgemaakt. Dat betekent dat niet valt na te gaan of de datum van de uitspraak (4 augustus 2010) ter terechtzitting van 14 juli 2010 door de Rechtbank is bepaald, en aldaar aan de verdediging is medegedeeld. Het bestreden arrest kan daarom niet in stand blijven.
Het middel slaagt.
Ten overvloede merk ik op dat het kennelijke oordeel van het Hof dat uit de door de Advocaat-Generaal bij het Hof overgelegde zittingslijst van de terechtzitting van 14 juli 2010 kan volgen dat de dag van de uitspraak door de Rechtbank – na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting – op genoemde terechtzitting is bepaald, en aan de verdediging is medegedeeld, mij niet begrijpelijk voorkomt. Uit genoemde zittingslijst kan immers niet volgen op welk moment (en door wie) de aantekening dat uitspraak wordt gedaan op 4 augustus 2010 (te 13:00 uur) op die zittingslijst is aangebracht. Dat door de verdediging niet tijdig navraag is gedaan naar het moment waarop uitspraak zou worden gedaan, en de omstandigheid dat in een met de onderhavige zaak samenhangende ontnemingszaak de uitspraakdatum van 4 augustus 2010 blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 juli 2010 is medegedeeld, maakt dit niet anders.
Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Namens de betrokkene is op 19 augustus 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Aangezien het Hof de betrokkene in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, is in cassatie geen plaats voor (partiële) vernietiging van dat vonnis en vermindering van de door de eerste rechter opgelegde betalingsverplichting. Mocht de Hoge Raad mij in mijn oordeel met betrekking tot het voorgestelde middel niet volgen, dan kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Dit punt kan echter onbesproken blijven, indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen of verwezen.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG