“SUBSIDIAIR Mocht u het binnentreden wel rechtmatig achten dan heeft cliënt in de hoedanigheid heeft gehandeld als 'knipper' van de hennepplanten en in die zin alleen 'het opzettelijk aanwezig hebben van hennep' verweten kan worden. Voor de overige tenlastegelegde feiten, de diefstal en de vernieling van het bedrijfspand, zal de verdediging vrijspraak vragen wegens gebrek aan bewijs.
INHOUD Zojuist, terechtzitting, heeft cliënt hierover nader verklaart over welke rol hij heeft gespeeld. Cliënt ontkent niet dat hij niet in het bedrijfspand in Cruquius is geweest. Hij ontkent echter wel een aandeel te hebben gehad in de winst: cliënt zou uitbetaald worden als knipper, dit loon zou zijn enige vorm van financieel voordeel geweest.
Wat betreft cliënt zijn aanwezigheid in het bedrijfspand aan de [a-straat 1] in Cruquius. Het cameratoezicht vond plaats van op 3 weekenden in februari en maart 2010, te weten: donderdag 4 februari t/m maandag 8 februari, van zaterdag 13 februari t/m maandag 15 februari en van vrijdag 5 maart t/m dinsdag 9 maart.3 Op zaterdag 6 februari 2010 verblijft cliënt vermoedelijk, blijkens de videobeelden, van 's morgens 09.08 tot 16.59 's middags in het bedrijfspand.4 Voorts vertoeft cliënt vermoedelijk op zondag 7 februari van 08.55 tot 17.16 of 18.18 in het bedrijfspand.5
Er zijn dus geconstateerd worden dat client's vermoedelijke aanwezigheid in het bedrijfspand alleen geldt voor het weekend van 6 en 7 februari.6 Over zijn bezigheden in het bedrijfspand is verder niets bekend.
De vraag is nu hoe Uw Gerechtshof de feiten waardeert. Cliënt geeft aan dat zijn werkzaamheden bestonden uit het knippen van de hennepplanten en dat hij op basis daarvan een vergoeding kreeg. Deze verklaring is aannemelijk. Ten eerste is er geen bewijs van het tegendeel noch steunend bewijs dat aanwijst dat cliënt zich structureel met het verhandelen en/of telen van hennep bezig hield: louter alleen met het knippen. Ten tweede is het plausibel omdat hennepkwekerijen, zo de jurisprudentie leert, knippers nodig heeft om de oogst binnen te halen.7 Tevens valt het weekend van 6 en 7 februari 2010, het weekend waarin cliënt nabij het bedrijfspand is gesignaleerd, ongeveer aan het einde van de geschatte tweede oogst tijd, de periode waarin knippers nodig zijn.8 Tot slot blijkt niet uit het dossier dat cliënt grote of substantiële geldbedragen heeft gekregen wat zou duiden op een beloning voor werkzaamheden die verder zouden gaan dan het louter knippen van de toppen.
FEIT 1 Naar aanleiding van het bovengenoemde stelt de verdediging zich op het standpunt dat in cliënt zijn geval met betrekking tot feit 1 alleen sprake kan zijn (van het medeplegen) van het opzettelijk aanwezig hebben van 918 hennepplanten. Cliënt heeft alleen de hennepplanten geknipt. De verdediging wijst hierbij op het arrest van het Gerechtshof te Den Bosch waarin is bepaalt dat knippen van hennep valt onder 'het aanwezig hebben van hennep'.9 In die zin staat het knippen los de hennepproductie en kan zij niet worden geschaard onder 'het telen van hennep'. (…) FEIT 2 en 3De verdediging brengt Uw Gerechtshof, het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden van 24 december 2010 onder aandacht met betrekking tot (het medeplegen van) de diefstal van stroom (elektriciteit). Het gerechtshof bepaalt ten aanzien hiervan dat enkel de wetenschap van de aanwezigheid van de hennepkwekerij onvoldoende is om diefstal van stroom te bewijzen.15 Cliënt had wellicht kunnen weten dat er stroom werd afgetapt - alhoewel dit niet blijkt uit het dossier - maar die wetenschap maakt hem niet medeplichtig aan de diefstal. Er is verder ook geen bewijs dat cliënt bij de diefstal betrokken was. Verdediging verzoekt daarom cliënt vrij te spreken voor het tenlastegelegde onder feit 2. Hetzelfde geldt ook voor feit 3. Er is geen enkel bewijs in het dossier dat cliënt in de hoedanigheid van knipper ook heeft meegeholpen aan de vernieling en/of beschadiging van het bedrijfspand aan de [a-straat 1]. Deze veranderingen aan het bedrijfspand zijn begrijpelijkerwijs tijdens het opstarten van hennepteelt aangebracht, er is geen enkel bewijs dat cliënt hierbij betrokken is geweest.
3 PV bevindingen, 2 augustus 2010, p. 1. 4 ld. samen met medeverdachte [verdachte]. 5 ld. samen met medeverdachten [verdachte]6 ld. p. 3, [verdachte] wordt op zaterdag 6 maart 2010 nog waargenomen bij het bedrijfspand.
HR 11 april 2006, NJ 2006, 939, waaruit het dossier bleek dat er zelfs knipploegen bestaan.8 Rapport Berekening wederechte lijk verkregen voordeel hennepkwekerij, 18 augustus 2010, p.6-7 (waar uitgegaan wordt van tweede teeltperiode wat aanvangt op 1 december 2009. Gemiddeld bloeitijd - afhankelijk van het soort hennep - is 9 weken zie http://cannabiszaden.wordpress.com/2008/07/02/wat-is-het-verschil-tussen-indica-en-sativa).9 Gerechtshof Den Bosch, 13 februari 2008, LJN: BC5429, waarin het hof overweegt dat het 'aanwezig hebben geen enkele zeggenschap over de hennep met zich brengt en dat aanwezig hebben ook nog slechts bestaat uit het gedurende enkele uren onder zich hebben om één en ander in opdracht van een ander voor verder bewerking gereed te maken'.10 ld. " Rechtbank Haarlem, 31 juli 2007, LJN: BB 1982. 12 Rechtbank Arnhem, 26 januari 2009, LJN: BH0785. 13 Rechtbank Utrecht, 11 juni 2008, LJN: BE9144. 14 Rechtbank Groningen, 14 april 2008, LJN: BC9492.15 Gerechtshof Leeuwarden, 24 december 2010, LJN: BQ8954 en N08952.”
Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd is althans dat het hof het ter zitting gevoerde verweer dat de verdachte alleen planten heeft geknipt onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom het bezit van de sleutel zou impliceren dat verzoeker een zodanige beschikkingsmacht had over de hennepplanten dat hij als ‘teler’ van die planten kon worden aangemerkt en dat hij in het verlengde daarvan elektriciteit zou hebben gestolen.
De overweging van het hof dat verdachte over een sleutel beschikte van de loods waarin de hennepplantage werd aangetroffen en dat hij zich vrij voelde de loods-deur zelfstandig te openen en te sluiten waaruit volgens het hof volgt dat verdachte (feitelijk) beschikkingsmacht had over de zich in de loods bevindende hennepplanten, is door het hof ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat het de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig acht. Verder heeft het hof aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegd dat ook uit het feit dat de verdachte meerdere personen bij de loods heeft afgezet, duidt op een grotere betrokkenheid dan als knipper. Dit oordeel van het hof en waarmee het in het middel bedoelde verweer wordt verworpen, acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
Voor zover het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, merk ik ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde (het telen van hennep) het volgende op.
Voor het telen van hennep is in de Opiumwet op 21 april 1999 een aparte strafbaarstelling gekomen in verband met de invoering van een verhoogde strafmaat voor beroeps-of bedrijfsmatige hennepteelt. Onder ‘nederwietteelt’ wordt volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel verstaan: “het gehele productieproces aangeduid vanaf het laten groeien van hennepplanten of – stekken tot en met de verkoop en aflevering van het eindproduct. Het telen van hennep was voor de invoering van deze wet al strafbaar omdat het aanwezig hebben van hennepplanten ook toen al verboden was.
Omdat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de hennepplanten meer keren heeft geknipt, ben ik van neming dat de bewezenverklaring van feit 1 zonder meer uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Knippen van hennepplanten kan immers als telen worden aangemerkt gelet op de hierboven weergegeven wetsgeschiedenis waaruit volgt dat handelingen die verband houden met het hele productieproces als telen zijn aan te merken. Het knippen van de planten valt daar mijns inziens onder. De bewezenverklaring van feit 1 is daarom voldoende gemotiveerd.
Het middel faalt ook in zoverre.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat de stroomvoorziening ten behoeve van de kwekerij illegaal werd afgenomen en dat voor de kast waarin zich de hoofdaansluiting bevond een illegale aansluiting was gemaakt, dat deze aansluiting buiten de meter om liep en de hennepplantage van elektriciteit voorzag.
De overweging van het hof dat nu de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten zijn gepleegd om te komen tot het telen van de onder feit 1 bedoelde hennepplanten en het hof daarmee bewezen acht dat de verdachte, schuldig is aan het plegen van diefstal van elektriciteit door middel van braak (het onder 2 tenlastegelegde) en beschadiging van de loods (feit 3), lijkt erg kort door de bocht. De betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van de elektriciteit blijkt immers uit geen enkel bewijsmiddel. Ik ben echter van mening dat door de vaststelling dat de verdachte hennep heeft geteeld en de constatering dat de elektriciteit werd afgetapt ten behoeve van de kwekerij, over welke vaststelling niet geklaagd wordt, de bewezenverklaring (nog net) voldoende is gemotiveerd.
Het middel faalt.
Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
Zoals hiervoor al onder punt 15 aangehaald ben ik van mening dat de diefstal van elektriciteit nog net uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou kunnen worden afgeleid. Voor wat betreft de beschadiging van het bedrijfspand, het tenlastegelegde onder 3, acht ik de redenering dat nu dit feit (de verbouwing tot hennepplantage) is gepleegd om tot telen van hennep te komen onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt slechts dat het bedrijfspand is beschadigd zonder toestemming van de eigenaar. Nergens uit blijkt bijvoorbeeld dat verdachte degene is geweest die het pand gehuurd heeft en/of dat de vernielingen na het ingaan van de huurperiode zijn aangebracht. Dat de verdachte over een sleutel van de loods beschikte en de vernieling (verbouwing) noodzakelijk was voor het telen van hennepplanten is mijns inziens eveneens onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissing omtrent het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging betreft en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG