2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Op grond van de openbare orde is de Hoge Raad gehouden om ambtshalve te beoordelen of [verzoeksters] ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep, gelet op het in art. 1019bb Rv. vervatte rechtsmiddelenverbod.
[verzoeksters] hebben in hun beroepschrift – voor zover thans van belang – aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de deelgeschilprocedure heeft toegepast en daarmee buiten het toepassingsbereik daarvan is getreden en overigens fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden, althans essentiële vormen heeft verzuimd.
Uit de rechtsoverwegingen 3.1 en 3.2 van de bestreden beschikking volgt dat het hof het vorenstaande heeft aangemerkt als een beroep op een doorbrekingsgrond. Het hof heeft evenwel in de rechtsoverwegingen 3.3-3.6 geoordeeld dat de doorbrekingsjurisprudentie in de onderhavige procedure niet van toepassing is, zodat geen beroep op een doorbrekingsgrond kan worden gedaan, en heeft [verzoeksters] om die reden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep.
Over een dergelijke beslissing kan in cassatie worden geklaagd, en in zoverre staat het rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv. dus niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel richt zich tegen de rechtsoverwegingen 3.4-3.6, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (voor de leesbaarheid citeer ik ook rechtsoverweging 3.3 gedeeltelijk):
“3.3. Naar het oordeel van het hof bestaat ook in het onderhavige geval geen goede grond om aan te nemen dat de uitsluiting van een rechtsmiddel kan worden doorbroken op een van de daartoe in de rechtspraak erkende gronden (…).
Ingevolge artikel 1019cc lid 1 Rv. geldt dat, voor zover in de beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, de rechter daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze gebonden is als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis. Volgens het tweede lid van dit artikel komt aan een veroordeling in de beschikking in een procedure ten principale geen verdergaande betekenis toe dan wanneer zij zou zijn opgenomen in een tussen partijen gewezen vonnis in kort geding. Naar luid van lid 3 van artikel 1019cc Rv. ten slotte, kan van de beschikking, voor zover die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud genomen beslissingen inhoudt betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen, hoger beroep worden ingesteld zoals dat van een tussenvonnis mogelijk is. Dat wil zeggen, voor zover nu van belang, ofwel gelijk met het eindvonnis (ten principale) of gedurende de procedure ten principale maar alleen wanneer de rechter in eerste aanleg (in het deelgeschil) hoger beroep heeft opengesteld.
Aldus doet zich geen geval voor waarin de bevoegdheid tot appel wordt uitgesloten, maar wordt slechts het moment geregeld waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend. Weliswaar behoeft de deelgeschillenprocedure niet tot een procedure ten principale te leiden, maar dat doet er niet aan af dat een partij die zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechter in de deelgeschillenprocedure, via de weg van art. 1019cc Rv. hoger beroep kan instellen. De ‘doorbrekingsjurisprudentie’ is dan niet van toepassing (vgl. Hoge Raad 28 september 2012, LJN: BX0598, NJ 2012, 556). Aan het voorgaande doet niet af dat volgens [verzoekster 1] de rechtbank primair buiten het toepassingsgebied van artikel 1019w Rv. is getreden.
[verzoekster 1] is mitsdien niet-ontvankelijk in hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partijen dienen appellanten tot vergoeding van de proceskosten van [verweerder] te worden veroordeeld.”
Het middel klaagt in de kern dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepasselijkheid van de doorbrekingsjurispudentie op de deelgeschilprocedure.
Achtergrond en doel deelgeschilprocedure
De Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade heeft geleid tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door invoeging van een nieuwe procesvorm, de deelgeschilprocedure van titel 17 van Boek 3 (de art. 1019w-1019cc). Deze wet is op 1 juli 2010 in werking getreden.
Achtergrond van de invoering van de deelgeschilprocedure is de constatering van de wetgever dat de afhandeling van letselschadeclaims lang kan duren. Dit vloeit, aldus de memorie van toelichting, enerzijds voort uit de aard van de schade, die meebrengt dat de omvang daarvan vaak pas definitief kan worden vastgesteld als het letsel is genezen dan wel is geconsolideerd, zodat de vertraging als gevolg daarvan een gegeven is. Anderzijds wordt de lange duur van het schaderegelingstraject ook vaak veroorzaakt door verschillen van mening over de vele (rechts)vragen die beantwoord moeten worden, de grote belangentegenstellingen en de veelal bestaande noodzaak tot inschakeling van diverse deskundigen, waardoor partijen in de buitengerechtelijke onderhandelingen regelmatig moeilijk tot een vergelijk komen. Fixatie op een of meer deelgeschillen kan ertoe leiden dat partijen de kern van de zaak uit het oog verliezen, waardoor de verhoudingen verslechteren en de duur van de afhandeling toeneemt.
De deelgeschilprocedure heeft – onder meer – tot doel om zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid te bieden om reeds in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase – het overgrote deel van deze zaken wordt buitengerechtelijk afgewikkeld – de rechter te adiëren en op eenvoudige wijze een rechterlijke uitspraak te verkrijgen over een deelgeschil dat partijen verdeeld houdt. Aldus hebben partijen een extra instrument om een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen te doorbreken en kan ontsporing van zaken worden voorkomen omdat partijen snel duidelijkheid hebben over een bepaald deelgeschil. De deelgeschilprocedure is dan ook gericht op het stimuleren van een buitengerechtelijke afhandeling. De rechterlijke uitspraak in een deelgeschilprocedure moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden, waarbij de mogelijkheid voor partijen blijft bestaan om – wanneer zij er ondanks deze uitspraak niet in slagen om er samen uit te komen – hun geschillen alsnog aan de rechter voor te leggen in een bodemprocedure.
Hoger beroep
Art. 1019bb Rv. bepaalt dat tegen de beschikking in een deelgeschil geen voorziening openstaat, onverminderd het bepaalde in art. 1019cc lid 3 Rv. Op de voet van laatstgenoemd voorschrift kan – voor zover in de beschikking in de deelgeschilprocedure uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding – van die beschikking hoger beroep worden ingesteld in de procedure ten principale, op gelijke wijze als dit van een tussenvonnis mogelijk is.
Het rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv. hangt volgens de memorie van toelichting samen met de hiervoor beschreven ratio van de deelgeschilprocedure:
“Juist omdat tegen de beslissing in de deelgeschiluitspraak geen hoger beroep mogelijk is, is dit een extra stimulans voor partijen om de buitengerechtelijke onderhandelingen zelf af te ronden. Deze stimulans wordt teniet gedaan indien daarop allerlei uitzonderingen worden toegelaten. Bovendien kan het instellen van hoger beroep door partijen aangegrepen worden om de zaak te traineren en kan het de vaart uit de onderhandelingen halen. De deelgeschilprocedure is bedoeld als een extra mogelijkheid om de rechter te raadplegen, die verder geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om een bodemprocedure aan te spannen. Tegen de uitspraak in de bodemprocedure staat wel hoger beroep open.”
en:
“In de deelgeschilprocedure staat tegen de beslissing op het verzoek geen voorziening open. Het openstaan van een rechtsmiddel verdraagt zich bezwaarlijk met de ratio van de deelgeschilprocedure. Deze procedure biedt een extra mogelijkheid om de rechter te raadplegen, die verder geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om een bodemprocedure aan te spannen.” .
Doorbreking rechtsmiddelenverbod
Volgens vaste rechtspraak kan een wettelijk appelverbod worden doorbroken indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
Er zijn echter rechtsmiddelenverboden die niet kunnen doorbroken. Deze hangen veelal samen met de aard van de beslissing, de omstandigheid dat de beslissing niet definitief is of een financieel criterium.
Tijdens de parlementaire behandeling is ook stilgestaan bij de mogelijkheid van doorbreking van het in art. 1019bb Rv. neergelegde rechtsmiddelenverbod. In de memorie van toelichting op art. 1019bb wordt daarover het volgende opgemerkt:
“Met de verwijzing naar artikel 1019cc wordt gedoeld op de omstandigheid dat de deelbeschikking in de bodemprocedure een zekere bindende kracht heeft, in verband waarmee tegen de inhoud daarvan in de bodemprocedure in hoger beroep kan worden opgekomen. Aan de rechtspraak kan worden overgelaten in hoeverre de uitsluiting van rechtsmiddelen kan worden doorbroken op grond van de daarvoor in de jurisprudentie ontwikkelde gronden (…)” .
In dit citaat lees ik overigens niet meer dan een algemene opmerking dat in gevallen waarin sprake is van een rechtsmiddelenverbod, dit verbod in bepaalde gevallen kan worden doorbroken.
Op vragen in de Eerste Kamer antwoordde de minister bij memorie van antwoord als volgt:
“De leden van de CDA-fractie vragen of er behoefte zal bestaan aan het doorbreken van het appelverbod in het geval aannemelijk is dat de deelgeschilbeslissing is gegeven op basis van een gebrekkige presentatie van de feiten, dan wel een weergave van standpunten van de gelaedeerde of diens nabestaande die nadelig voor deze uitpakken.
De uitsluiting van rechtsmiddelen kan worden doorbroken op grond van de daarvoor in de jurisprudentie ontwikkelde gronden. Een doorbreking is aldus mogelijk indien de rechter de procedure ten onrechte heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak essentiële vormen heeft verzuimd. Meer of ruimere gronden om hoger beroep toe te staan acht ik niet wenselijk, omdat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de voordelen van uitsluiting van hoger beroep, namelijk dat dit een extra stimulans is om de onderhandelingen af te ronden en hoger beroep niet door een partij kan worden aangegrepen om de vaart uit de onderhandelingen te halen.”
Ik vraag mij af of de minister in zijn antwoord op de vraag van de CDA-fractie in de Eerste Kamer is teruggekomen van het standpunt in de memorie van toelichting dat aan de rechtspraak kan worden overgelaten in hoeverre een rechtsmiddelenverbod zou kunnen worden doorbroken. M.i. heeft de minister niet meer bedoeld dan dat hij andere of ruimere dan in de jurisprudentie ontwikkelde doorbrekingsgronden niet wenselijk acht indien de doorbrekingsjurisprudentie van toepassing zou zijn. Ik verschil daarin van mening met Akkermans en De Groot, die kennelijk menen dat uit de hierboven geciteerde passage uit de memorie van antwoord volgt dat de uitsluiting van rechtsmiddelen van art. 1019bb Rv. “natuurlijk” kan worden doorbroken op een van de daarvoor in de rechtspraak ontwikkelde gronden.
De vraag is echter daarnaast of art. 1019bb Rv. een ‘klassiek’ algeheel rechtsmiddelenverbod bevat.
In het onderhavige geval heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 16 februari 2012 een inhoudelijke beoordeling van het geschil gegeven (rov. 13), geoordeeld dat [verzoekster 1] haar zorgplicht heeft geschonden (rov. 16) en deze schending alsmede de aansprakelijkheid van [verzoekster 1] daarvoor in het dictum vastgesteld. De kantonrechter heeft aldus uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist op een materieel geschilpunt als bedoeld in het eerste lid van art. 1019cc Rv. Zoals hiervoor kort aangestipt, kan ingevolge het bepaalde in art. 1019cc lid 3 Rv. in een dergelijk geval van de beschikking in de deelgeschilprocedure hoger beroep worden ingesteld in de procedure ten principale, op gelijke wijze als dit van een tussenvonnis mogelijk is.
In zoverre betreft het in art. 1019bb Rv. vervatte rechtsmiddelenverbod dus niet een algeheel, maar slechts een temporeel verbod.
Met betrekking tot de toepasselijkheid van de doorbrekingsjurisprudentie op een dergelijk, temporeel, rechtsmiddelenverbod heeft Uw Raad in september vorig jaar – in een overweging ten overvloede – het volgende geoordeeld:
“(…) De hier bedoelde rechtspraak – waarmee wordt bedoeld dat de eiser ondanks een wettelijk appelverbod toch in zijn vordering kan worden ontvangen indien hij stelt dat de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende bepaling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken – is niet van toepassing in het geval van art. 337 lid 2 Rv dat de bevoegdheid tot appel niet uitsluit, maar slechts het moment regelt waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend.”
Eveneens in september vorig jaar oordeelde Uw Raad met betrekking tot het in art. 388 lid 2 Rv. (heropening van het geding in het kader van een herroepingsprocedure) vervatte rechtsmiddelenverbod dat – kort samengevat – hoger beroep van de beslissing inzake de heropening van het geding weliswaar is uitgesloten, maar dat cassatieberoep wel openstaat, en dat er bij die stand van zaken geen goede grond bestaat om aan te nemen dat de uitsluiting van hoger beroep kan worden doorbroken op een van de in de rechtspraak daartoe erkende gronden.
Met andere woorden: indien er een andere mogelijkheid of een ander tijdstip bestaat om op te komen tegen een uitspraak waarop een rechtsmiddelenverbod van toepassing is, bestaat er geen aanleiding voor doorbreking van dat rechtsmiddelenverbod. Nu in art. 1019cc lid 3 Rv met de bepaling dat hoger beroep in de procedure ten principale kan worden ingesteld op gelijke wijze als dit van een tussenvonnis mogelijk is, naar art. 337 lid 2 Rv. wordt verwezen, is de hiervoor onder 3.12 geciteerde overweging van Uw Raad rechtstreeks van toepassing op de thans in cassatie voorgelegde vraag.
Daarnaast is ook de aard van de deelgeschilprocedure reden voor het buiten toepassing verklaren van de doorbrekingsjurisprudentie op een beschikking in een deelgeschilprocedure. Nu deze procedure, zoals hierboven reeds aan de orde kwam, is gericht op een spoedige afhandeling van letsel- en overlijdensschade, heeft het van toepassing verklaren van de doorbrekingsjurisprudentie het onvermijdelijke en onwenselijke gevolg dat de deelgeschilprocedure wordt vertraagd. In zoverre dient het in art. 1019bb Rv. vervatte rechtsmiddelenverbod naar mijn mening te worden gelijkgesteld aan een beslissing op het verzet tegen verandering of vermeerdering van eis (art. 130 lid 2 Rv.), ten aanzien waarvan Uw Raad heeft geoordeeld dat geen hogere voorziening is toegelaten, omdat de aard van de beslissing zich daartegen verzet, en in welk verband Uw Raad van belang heeft geacht dat de beslissing niet definitief is, en de eiser in de regel geen rechten ontneemt.
Gelet op het voorgaande acht ik de in het cassatierekest onder 12. aangehaalde uitspraken van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en ’s-Gravenhage, alsook de in de schriftelijke toelichting van [verzoeksters] onder 16. aangehaalde uitspraak van het gerechtshof ’s‑Gravenhage, waarin – kort samengevat – is geoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv. kan worden doorbroken met een beroep op een doorbrekingsgrond, dan ook onjuist dan wel achterhaald door het onder 3.12 genoemde arrest van de Hoge Raad.
Het middel wijst er echter op dat de in art. 1019cc lid 3 Rv. vervatte mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel niet bestaat ten aanzien van beslissingen van meer procedurele aard en betoogt dat daarom in de rede ligt dat de doorbrekingsjurisprudentie van toepassing is op beschikkingen die zijn gewezen in de deelgeschilprocedure.
Met betrekking tot het toepassingsgebied van de deelgeschilprocedure is in de memorie van toelichting opgemerkt dat zowel juridische vragen zoals de aansprakelijkheidsvraag, de (mate van) toerekenbaarheid van de daad aan de dader, de causaliteit, verjaring of het verval van rechten als de meer procedurele en feitelijke vragen zoals de vraag of nog een deskundige geraadpleegd moet worden en zo ja, welke, hoe de vraagstelling aan de deskundige dient te luiden, van welk carrièreverloop partijen dienen uit te gaan om de arbeidsvermogensschade te kunnen berekenen en tot welk moment en hoe vaak huishoudelijke hulp noodzakelijk is, in de deelgeschilprocedure aan de orde kunnen komen.
Deze en andere procedurele vragen zullen volgens de minister in de meeste gevallen in de bodemprocedure niet meer aan de orde komen.
De memorie van toelichting vermeldt vervolgens:
“Ingevolge het advies van de Raad van State is ervoor gekozen in artikel 1019cc Rv geen bepaling op te nemen betreffende de gevolgen van in een deelgeschilprocedure genomen «procedurele» beslissingen in een bodemprocedure. Voor zover de meer «procedurele» beslissingen wel in een bodemprocedure aan de orde komen, bijvoorbeeld omdat een partij aanvoert dat de andere partij zich ten onrechte niet heeft gedragen in overeenstemming met de beslissing van de deelgeschilrechter, heeft de bodemrechter voldoende middelen om daarmee – indien nodig – bij de beoordeling van de vordering ten principale rekening te houden (goede procesorde, rechtsverwerking, redelijkheid en billijkheid). Het is derhalve niet nodig om hierover in de wet een bepaling op te nemen.”
Mij is niet geheel duidelijk wat “meer procedurele beslissingen” zijn. In de hiervoor onder 3.17 door de minister genoemde voorbeelden van procedurele vragen wordt ook een geval genoemd waarin de materiële rechtsverhouding tussen partijen aan de orde is, te weten de vraag van welk carrièreverloop partijen dienen uit te gaan om de arbeidsvermogensschade te kunnen berekenen en tot welk moment.
Ik meen dat ‘echte’ procedurele beslissingen die beslissingen zijn die betrekking hebben op de voortgang of de instructie van de zaak. Van dergelijke beslissingen behoort geen hoger beroep open te staan. Zodra een beslissing echter ingrijpt in de rechten van (een van de) partijen – of in de terminologie van art. 1019w lid 1 Rv.: een beslissing betreft omtrent hetgeen tussen partijen rechtens geldt – kan niet meer van een louter procedurele beslissing worden gesproken. Wellicht wordt dat bedoeld met “meer procedurele beslissingen”. Uit het citaat volgt dan dat met betrekking tot dergelijke beslissingen in de visie van de wetgever wel degelijk een controlemechanisme bestaat, zodat geen aanleiding bestaat voor een doorbreking van het in art. 1019bb Rv. vervatte rechtsmiddelenverbod.
Daarnaast is de rechter in de procedure ten principale niet onder alle omstandigheden gebonden aan in de deelgeschilprocedure uitdrukkelijk en zonder voorbehoud genomen beslissingen op geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. Bij de formulering van art. 1019cc lid 1 Rv. heeft de wetgever expliciet aansluiting gezocht bij de leer van de bindende eindbeslissing. In de Memorie van Toelichting wordt daaromtrent opgemerkt:
“Aan «uitdrukkelijk en zonder voorbehoud» gedane rechterlijke vaststellingen omtrent de materiële rechtsverhouding van partijen komt tussen hen geen gezag van gewijsde toe in de bodemprocedure. De bindende kracht van de deelgeschilbeschikking beperkt zich tot hetgeen in het eerste lid is aangeduid: de bindende kracht van een tussenvonnis. Aangeknoopt wordt daarmee bij de zogenoemde leer van de bindende eindbeslissing. De rechter in eerste aanleg kan daarvan in beginsel niet terugkomen, doch dat is anders als er inmiddels nadere gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat de beslissing niet juist is geweest. Wordt in de bodemprocedure hoger beroep ingesteld, dan kunnen deze beslissingen wèl in volle omvang ter discussie worden gesteld”
Op grond van de rechtspraak van Uw Raad inzake bindende eindbeslissingen kan de rechter in de procedure ten principale, aan wie is gebleken dat een eerder door de deelgeschilrechter gegeven bindende eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, derhalve overgaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Aldus bestaat naast het instellen van een rechtsmiddel tegen de deelgeschilbeschikking op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv., in bepaalde gevallen nog een mogelijkheid om een deelgeschilbeslissing aan te tasten.
Overigens komt ingevolge het tweede lid van art. 1019cc Rv. aan een veroordeling van een partij in een deelgeschilbeschikking in de procedure ten principale geen verdergaande betekenis toe dan wanneer zij zou zijn opgenomen in een tussen partijen gewezen vonnis in kort geding.
Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat in het licht van het bepaalde in art. 6 EVRM niet kan worden aanvaard dat een partij wordt geconfronteerd met een rechterlijke beslissing die in één instantie tot stand is gekomen onder schending van een fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde – zoals bijvoorbeeld het beginsel van hoor en wederhoor – zonder dat daartegen vervolgens enig rechtsmiddel kan worden aangewend, heeft te gelden dat art. 6 EVRM volgens vaste rechtspraak niet dwingt tot rechtspraak in twee feitelijke instanties.
Gelet op het vorenstaande getuigen de rechtsoverwegingen 3.4-3.6 van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel faalt.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G