11. Het eerste middel faalt.
12. Het tweede middel klaagt over de motivering van het door het Hof bewezenverklaarde causale verband tussen het geweld en de dood, in het bijzonder in verband met een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake een niet onwaarschijnlijke andere doodsoorzaak.
13. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 16 mei 2012 heeft de verdediging, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende naar voren gebracht (met weglating van de voetnoten):
“Er is uitgebreid deskundigenonderzoek naar de verwondingen van [slachtoffer] gedaan. Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn geen sterke aanwijzingen voor verwurging naar voren gekomen. Het vastgestelde letsel past mijns inziens meer bij stomp dan bij samendrukkend geweld. Van kneveling is geen sprake geweest. Wurgen valt in mijn visie dan ook af. De grote vraag voor mij is dan ook of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs wel in verband kan worden gebracht met het op hem uitgeoefende geweld. De advocaat-generaal heeft stilgestaan bij dit facet en onder meer verwezen naar het zogenaamde Eierschedelarrest. In mijn studietijd werd er al op gewezen dat dat arrest uit 1950 dateert. We weten dat deze juridische problematiek dynamisch is en in de tussenliggende jaren zijn er ook een aantal andere arresten gewezen. Belangrijk in dat verband is te noemen het arrest dat de grote kamer van de Hoge Raad heeft gewezen in de Groninger HIV-zaak (opmerking griffier: Hoge Raad 27 maart 2012 LJN: BT6362). Dat is toch wel als een didactisch arrest te beschouwen op het punt van toerekening van handelingen en gedragingen. Het komt er op neer dat het oorzakelijk verband niet mag worden aangenomen indien er andere mogelijkheden aanwezig zijn of indien andere mogelijkheden niet hoogst onwaarschijnlijk zijn. In deze zaak zijn er andere mogelijkheden die het overlijden van [slachtoffer] hebben veroorzaakt. De rechtbank heeft dat in haar vonnis ook onderkend. Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 oktober 2009 kan geen eenduidige doodsoorzaak worden aangewezen. Daarbij mag niet uit het oog verloren worden dat [slachtoffer] een verhoogd risico tot overlijden had. Uit het dossier volgt immers dat hij een zwak hart had, dat er verdovende middelen in zijn bloed zaten en dat hij, zoals uit diverse getuigenverklaringen blijkt, in een slechte gezondheidstoestand verkeerde. Ik durf te zeggen dat ik het nog geen dag zou hebben uitgehouden met een dergelijke hartafwijking en middelengebruik. Ten aanzien van de doodsoorzaak en causaliteit is de stelling van de verdediging dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de tijdens de diefstal op [slachtoffer] uitgeoefende geweldshandelingen de dood van [slachtoffer] ten gevolge hebben gehad.”
14. De aanvulling met bewijsmiddelen bevat onder 21 het volgende:
“ Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch instituut, te weten een rapport betreffende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, op 14 oktober 2009 opgemaakt en ondertekend door P.M.I. van Driessche, arts en patholoog, overgenomen op dossierpagina’s 4527 t/m 4538, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Overledene
Ontvangen van Regiopolitie Zeeland
Via [verbalisant]
Datum ontvangst 8 juni 2009
Naam [slachtoffer]
Geboortedatum [geboortedatum] 1953
Geboorteplaats [geboorteplaats]
De overledene is overleden te [a-straat 1], Goes, op 7 juni 2009
- Uit de op het lichaam van [slachtoffer] verrichte sectie is (onder meer) het volgende gebleken:
o Het betrof het lichaam van een gespierde man
o er waren aan het hoofd (twee maal aan de rechterwenkbrauw en eenmaal aan het hoofd) drie onregelmatige, ruwrandige huiddefecten met in de wondbodem weefselbruggen en met omgevend bloeduitstorting. Alle drie de letsels toonden een verloop met hierin herkenbare terugkerende boogvormige patronen;
omgevend een bloeduitstorting;
o er was links aan het hoofd een onregelmatig, wat stervormig ruwrandig huiddefect met in de wondbodem weefselbruggen en met omgevend bloeduitstorting en uitgebreide zwelling van de hoofdhuid;
o er was centraal, hoog aan het hoofd een grijze huidverkleuring met omgevend een bloeduitstorting;
o aan de beide handen en onderarmen waren zes oppervlakkige huidbeschadigingen, deels met een streepvormig verloop, tot een maximale lengte van circa 2,5 centimeter;
o er was huidloslating ter hoogte van beide polsen en aan de handrug links;
o er was een kleine bloeduitstorting in de spieren van de hals, aan de voorzijde van de adamsappel;
o het strottenhoofd toonde een breuk van de linkerhoorn aan bovenzijde, met omgevend een bloeduitstorting;
o de bindvliezen van beide oogleden toonden een stipvormige bloeduitstorting;
o er was stuwing aan het hoofdhalsgebied.
Ten aanzien van de doodsoorzaak
Het overlijden kan enerzijds mogelijk verklaard worden aan de hand van hartritmestoornissen en acuut hartfalen. Het hart was reeds ernstig ziekelijk veranderd en was derhalve reeds verhoogd vatbaar voor het optreden van hartritmestoornissen. Hartritmestoornissen kunnen in een situatie van stress en ademhalingsbelemmeringen ontstaan. Hartritmestoornissen kunnen middels een sectie niet worden aangetoond.
Toxicologisch onderzoek toonde in het lichaamsmateriaal concentraties amfetamine aan welke (al dan niet in combinatie met cocaïne en methamfetamine) mogelijk een bijdrage hebben geleverd aan deze wijze van overlijden.
1. Anderzijds zou het overlijden ook mogelijk verklaard kunnen worden door verstikking (: asfyxie) ten gevolge van ernstige ademhalingsbelemmering. Deze ernstige ademhalingsbelemmering zou in het voorliggende geval veroorzaakt kunnen zijn door inwerking van geweld op de hals, door mogelijke afsluiting van neus en mond (door bijvoorbeeld duet-tape), door positionele asfyxie (waarbij door positie en houding van het lichaam de ademhalingsspieren uiteindelijk onvoldoende werkzaam zijn) of door een (gedeeltelijke) combinatie van deze drie. Bij een verstikkingsdood treden deels dezelfde bevindingen op als die gezien worden bij hartfalen.
Toxicologisch onderzoek toonde in het lichaamsmateriaal concentraties amfetamine aan welke (al dan niet in combinatie met cocaïne en methamfetamine) mogelijk een bijdrage hebben geleverd aan deze wijze van overlijden.
Aan de hand van de sectiebevindingen en de uitslagen van de vervolgonderzoeken kan geen onderscheid gemaakt worden tussen de (waarschijnlijkheid van de) twee bovenstaande mogelijke doodsoorzaken.
Conclusie
Er werd geen anatomische doodsoorzaak aangetroffen.
De bevindingen van de sectie en vervolgonderzoek kunnen enerzijds passen bij een overlijden ten gevolge van hartritmestoornissen en acuut hartfalen bij een reeds ernstig ziekelijk veranderd hart, met mogelijk een toxicologische bijdrage aan het overlijden. Anderzijds kunnen de bevindingen passen bij een overlijden ten gevolge van verstikking, met mogelijk een toxicologische bijdrage aan het overlijden.
Het is ook mogelijk dat deze twee mechanismen beide een bijdrage geleverd hebben aan het overlijden, waarbij de mate van de bijdrage niet is aan te geven.”
15. Het Hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in zijn arrest als volgt overwogen:
“Doodsoorzaak en causaliteit
De verdediging heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de tijdens de diefstal op [slachtoffer] uitgeoefende geweldshandelingen de dood van [slachtoffer] ten gevolge hebben gehad. Daartoe is - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFl) van 14 oktober 2009 geen eenduidige doodsoorzaak kan worden aangewezen. Nu bovendien uit het dossier blijkt dat verdachte een zwak hart had, er verdovende middelen in zijn bloed zaten en uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat [slachtoffer] in een slechte gezondheidstoestand verkeerde, kan geen causaal verband worden gelegd tussen het toegepaste geweld en het overlijden van [slachtoffer]. Het is immers niet uit te sluiten dat [slachtoffer] is overleden door een andere oorzaak, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
In het deskundigenrapport van het NFl van 14 oktober 2009 wordt, voor zover thans van belang, ten aanzien van de mogelijke doodsoorza(a)k(en) van [slachtoffer] geconcludeerd:
(…)
Het hof concludeert aan de hand van het aangehaalde deskundigenrapport dat er twee mogelijke doodsoorzaken zijn, namelijk verstikking ten gevolge van ernstige ademhalingsbelemmering of hartfalen dan wel een combinatie van beide oorzaken.
Op grond van het aangehaalde deskundigenrapport is de anatomische doodsoorzaak voor de dood van [slachtoffer] niet zonder meer vast te stellen.
Naar het oordeel van het hof staat deze omstandigheid er niet aan in de weg dat het causale verband tussen het gebezigde geweld en de dood van [slachtoffer] kan worden aangenomen. Het hof overweegt daartoe dat beide mogelijke doodsoorzaken niet zouden zijn ingetreden zonder de in deze gebezigde geweldsgedragingen.
Voor verstikking door ernstige ademhalingsbelemmering geldt immers dat er drie mogelijke oorzaken zijn, te weten het op de hals uitgeoefende geweld, de afsluiting van de neus en mond door de tape of door de positie en houding van verdachte, dan wel een combinatie van de drie oorzaken. Deze drie oorzaken zijn allen rechtstreeks terug te voeren op het in deze op [slachtoffer] toegepaste geweld. Daarbij zij opgemerkt dat [slachtoffer] op zijn buik is aangetroffen, terwijl er een handdoek over zijn hoofd lag, een omstandigheid die onaannemelijk maakt dat [slachtoffer] zichzelf in een, buiten de risicosfeer van verdachte en de medeverdachten vallend, levensontnemende situatie (asfyxie) heeft gebracht.
Voor de hartproblemen geldt dat deze mogelijk zijn ontstaan door een combinatie van ademhalingsproblemen en/of stress. Ook deze oorzaken zijn direct te herleiden tot de geweldshandelingen. Immers, de ademhalingsproblemen zijn, zoals hiervoor overwogen ten aanzien van een mogelijke verstikking, te herleiden tot het uitgeoefende geweld. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een overval leidt tot een stresserende situatie, een situatie die - zoals ook wordt vermeld in het rapport - kan leiden tot hartritmestoornissen.
De omstandigheden dat [slachtoffer] voor de gewelddadige diefstal leed aan 'een reeds ernstig ziekelijk hart', het feit dat er verdovende middelen in het bloed van [slachtoffer] zijn aangetroffen en dat uit diverse getuigenverklaringen in het dossier blijkt dat zijn gezondheidssituatie verre van optimaal was, doorbreekt naar het oordeel van het hof de causale keten tussen het door de mededaders gebezigde geweld en het overlijden van [slachtoffer] niet.
Alhoewel op grond van het rapport niet kan worden uitgesloten dat de somatische klachten van [slachtoffer] en/of zijn middelengebruik bij hebben gedragen aan de doodsoorza(a)k(en), doen deze omstandigheden er naar het oordeel van het hof niet aan af dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijze aan het bewezen verklaarde gewelddadige handelen van de daders kan worden toegerekend
Vaststaat immers dat [slachtoffer] op 7 juni 2009 de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene] levend en wel te woord heeft gestaan en dat hij, toen hij argwaan kreeg, in staat is geweest medeverdachte [medeverdachte 2] een zodanige klap te verkopen dat deze even het bewustzijn verloor.
Voorts heeft te gelden dat de specifieke gezondheidstoestand van iemand tegen wie geweld wordt gebruikt in de risicosfeer valt van degene die dat geweld bezigt.
Het hof verwerpt het verweer in zoverre.”
16. De kern van de klacht is naar ik begrijp dat niet of onvoldoende is ingegaan op de stelling van de verdediging dat een andere doodsoorzaak dan geweld niet onwaarschijnlijk is. Volgens de stellers van het middel is namelijk in feitelijk aanleg het standpunt ingenomen ‘dat (bepaald) niet onwaarschijnlijk is dat het overlijden van [slachtoffer] niet in een causaal verband staat met de bewezenverklaarde feiten’. Het middel knoopt daarmee aan bij de volgende passage uit het pleidooi: “Het komt er op neer dat het oorzakelijk verband niet mag worden aangenomen indien er andere mogelijkheden aanwezig zijn of indien andere mogelijkheden niet hoogst onwaarschijnlijk zijn.” Met een beroep op HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:BZ4491 wordt dan in de schriftuur vervolgens betoogd dat een door de verdediging bepleit alternatief alleen kan worden gepasseerd “indien het als niet meer dan een ‘niet uit sluiten oorzaak’ is beoordeeld” (schriftuur punt 4 van toelichting bij middel 2).
17. In het bedoelde arrest van 19 maart 2013 werd, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“ 2.4. Vooropgesteld moet worden dat de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde door de verdachte verrichte gedraging - te weten het door hem en/of zijn mededader(s) uitoefenen van geweld - en de dood van het slachtoffer, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend.
Indien niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de bewezenverklaarde gedraging in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg, zoals het Hof blijkens zijn overwegingen als mogelijkheid niet heeft uitgesloten, is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de bewezenverklaarde gedraging gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (vgl. HR 27 maart 2012, LJN BT6362, NJ 2012/301).”
18. De overwegingen van het Hof in het bestreden arrest voldoen aan de hier door de Hoge Raad gestelde eisen. In de bewijsvoering ligt toereikend besloten dat het uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan zijn geweest in de gebeurtenissen die tot de dood hebben geleid alsmede dat aannemelijk is dat de dood met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt. Voor de stellers van het middel zit, naar ik begrijp, de crux in de laatste zin van de overweging van de Hoge Raad: “Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de bewezenverklaarde gedraging gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.” Die overweging moet niet zo uitgelegd worden dat telkens als een andere mogelijkheid als doodsoorzaak wordt geopperd deze door de rechter uitdrukkelijk als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde dient te worden gesteld. De Hoge Raad gebruikt het woord ‘kan’. Hier is dit type uitsluiting van andere oorzaken niet aan de orde, omdat het Hof er zelfs rekening mee houdt dat de gezondheidstoestand een factor kan zijn geweest bij het intreden van de dood. Het Hof legt echter uit dat die omstandigheid er niet aan in de weg staat het uitgeoefende geweld als de oorzaak van de dood te zien. Voor zover hetgeen de raadsman voor het Hof heeft aangevoerd kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, meen ik dit het Hof daar toereikend op heeft gereageerd. Ook overigens is de motivering van het causale verband van het hof niet onbegrijpelijk.
19. Het tweede middel faalt.
20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik het volgende op. De verdachte heeft op 30 mei 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Andere gronden voor ambtshalve cassatie heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG