13. Het eerste middelis tevergeefs voorgesteld.
14. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaarde periode (in de periode van 15 oktober 2010 tot en met 19 november 2010) niet steunt op de inhoud van de bij arrest opgenomen bewijsmiddelen.
15. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft het Hof in zijn arrest het volgende overwogen:
“f. Periode
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat niet bewezen verklaard kan worden dat de verdachte ver voorafgaand aan zijn aanhouding al betrokken is geweest bij concrete daden van geweld tegen vaartuigen en de zich daarop bevindende personen en/of goederen. Nu het hof - evenals de rechtbank - van oordeel is dat het dossier evenmin specifieke en overtuigende bewijsmiddelen bevat dat de verdachte ver voorafgaand aan zijn aanhouding heeft dienstgenomen of dienstgedaan op een vaartuig dat bestemd was tot het plegen van daden van geweld tegen vaartuigen en de zich daarop bevindende personen en/of goederen, zal de verdachte van een groot deel van de ten laste gelegde periode worden vrijgesproken. Dit betreft de periode voorafgaand aan 15 oktober 2010. Deze datum is gebaseerd op de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 5] over hetgeen zich voorafgaand aan de aanhouding van PAG heeft afgespeeld: de reis naar Baraawe, het verblijf in het hotel aldaar, de reis naar Kismaayo en de reis naar en het verblijf op Koyaama Island.”
16. Hetgeen zich voorafgaand aan de aanhouding van PAG heeft afgespeeld kan worden afgeleid uit de volgende door het Hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de getuige [medeverdachte 4] afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 13 juli 2011, voor zover inhoudend - zakelijk weergegeven - :
Ik ben half oktober dan wel begin november van het jaar 2010 betrokken geweest bij een groep boten die bemand werden door een groot aantal piraten. Wij hadden de intentie om op open zee schepen te gaan kapen. Wij zijn op 19 november 2010 aangehouden door de Nederlandse marine. Mijn medeverdachte [verdachte] maakte deel uit van de door mij beschreven groep piraten.
Ik was met dertien personen op het eiland Koyaama. Wij zaten bij de boot.
Mij wordt de foto op pagina G04 025 van het dossier voorgehouden. Mijn reactie hierop is dat deze foto genomen is bij Baraawe. De boten zijn hier beladen met spullen. Mij wordt de foto op pagina B04 026 voorgehouden. Mijn reactie hierop is dat op deze foto te zien is dat de boot geladen is. Op de boot zie ik de mannen.
Ieder van de dertien mannen was aanwezig bij het inladen van de boten op het eiland Koyaama. Waar ik spreek over de 13 mannen, bedoel ik de groep mannen die door de Nederlandse marine is aangehouden. Al deze mannen waren aanwezig op het strand bij het aan boord brengen van de wapens, ladders en benzine op het eiland Koyaama.
(…)
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de Koninklijke Marechaussee, District Landelijke en Buitenlandse eenheden, Brigade Centrale Recherche en Informatie, Team Algemene Recherche, d.d. 14 december 2010, met proces-verbaalnummer 27-280857-VT 17.001 (pag. VT17007 van het zaaksdossier Choizil) Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 14 december 2010 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [medeverdachte 4] [het hof leest: [medeverdachte 4]]:
Wij zijn vijf dagen in het hotel in Baraawe verbleven. In het hotel kregen wij te horen wat we gingen doen. Ik hoorde dat het om piraterij ging.
Kleine handwapens hadden we in Baraawe gekregen en de grotere wapens op Koyaama eiland. Met kleinere wapens bedoel ik een AK-47 en met grotere wapens bedoel ik RPG’s. Op Koyaama kregen wij de RPG’s, GPS en ladders.
Iedereen kreeg een taak te horen voordat je ging uit varen. De taken waren: verzorgen van de ladders, onderhandelaar/tolk, mensen die op de uitkijk staan, bewakers en iemand die verstand heeft van radars. T09 [het hof leest: de verdachte] spreekt een beetje Engels dus hij zou onderhandelen en contact maken met de bemanning. Ook spreekt hij Arabisch.
(…)
6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de Koninklijke Marechaussee, District Landelijke en Buitenlandse Eenheden, Brigade Centrale Recherche en Informatie, Team Algemene Recherche, d.d. 9 december 2010 [het hof leest: 24 januari 2011], met proces-verbaalnummer 27-280857-VT 06.007 (pag. VT06007 van het zaaksdossier Choizil). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 24 januari 2011 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [medeverdachte 5] [het hof leest: [medeverdachte 5]]:
“Ik ben meegegaan voor piraterij. Ik ben met de bus naar Baraawe vertrokken.
Toen ik aankwam in Baraawe was de groep van dertien personen nog niet compleet. Ik heb vervolgens in hotel Colombo verbleven. Als een kaping gelukt zou zijn dan hadden we achteraf te horen gekregen wat wij zouden krijgen. De verdeelsleutel met betrekking tot het verdiende geld zou als volgt zijn: 45% wordt verdeeld onder de uitvoerders 30% naar de investeerders. Het overige deel gaat naar de machthebbers.
In hotel Colombo in Baraawe heb ik onder meer T17 ontmoet. T09 heb ik voor het eerst ontmoet op het strand van Baraawe op de dag van ons vertrek. Daar lagen ook al de twee skiffs en de whaler klaar.
Toen ik op de skiff stapte, was deze al gereed voor vertrek en gerepareerd.
Toen we instapten lagen brandstof vaten, water, wapens (AK-47), ladders, voedsel, sigaretten, zaklantaarns en een zeil op iedere boot klaar. Dit hebben de gekregen op Baraawe.
Ik had een witte ladder bij mij aan boord van de skiff. De andere ladder lag aan boord van de andere skiff. De ladders waren bestemd om tijdens een aanval van een schip om aan boord te komen.
Mijn taak aan boord was een aanval uitvoeren met een skiff. Wij waren erop uit om een schip te gaan kapen.”
17. Voorop gesteld wordt dat in de rechtspraktijk weliswaar in tenlasteleggingen door het openbaar ministerie onderscheid wordt gemaakt tussen ‘op tijdstippen in een periode’ en ‘in een periode’, maar dat dit onderscheid weinig leeft. Taalkundig is niet onjuist dat als een feit in een periode plaatsvindt niet op elk tijdstip in die periode sprake is een (voortdurend) strafbaar feit. Onderbrekingen of een later begin of eerder einde staan dus niet in de weg aan de bewezenverklaring van een periode. Dat relativeert de slagkracht van het middel dat zich blijkens de toelichting vooral richt op het beginpunt van de periode. Ik meen dat het Hof 15 oktober 2010 als startpunt heeft kunnen nemen gelet op bewijsmiddel 1. Het Hof heeft die verklaring kennelijk zo gewaardeerd dat de piratengroep waartoe verdachte behoorde toen tot stand kwam en, zoals ook uit de andere bewijsmiddelen blijkt, steeds meer toegerust werd. Dat is niet onbegrijpelijk. Voor de omstandigheid dat het Hof niet het tenlastegelegde 1 november 2009 bewezen acht heeft het Hof kennelijk blijkens de bewijsoverweging betekenis toegekend aan de verklaringen van verdachte. Dat een dergelijke verklaring onder de bewijsmiddelen moet worden opgenomen (schriftuur 2.2.2) is een eis die het recht niet kent.
18. Het tweede middelfaalt.
19. Het derde middel klaagt dat het Hof de verklaringen van [medeverdachte 4] ter zitting in eerste aanleg en bij de Marechaussee ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd en deze dus kennelijk betrouwbaar heeft geacht. Dit gebruiken als bewijsmiddel zou in het licht van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van verdediging onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn.
20. De pleitnota van 28 november 2012 houdt, betreffende dit onderwerp, het volgende in:
“27. [medeverdachte 4] (Tl7) heeft ongeregistreerd bij de marechaussee verklaard en is bij zowel de rechtbank als het Gerechtshof als getuige gehoord. Daarbij is gebleken dat zijn verklaringen niet alleen tegenstrijdig zijn, maar zelfs onder ede diametraal tegenover elkaar staan.
28. Daarbij geldt bovendien dat de getuige duidelijk heeft aangegeven niet bang te zijn. Slechts éénmaal heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen, en dat was tijdens de zitting van 17 oktober jl., waarbij zeer indringend werd aangegeven wat de consequenties van meineed zouden zijn en eerder een verwarrende situatie ten aanzien van het beantwoorden van vragen van anderen dan het Hof was ontstaan. Het ligt voor de hand dat hij genoeg had van de hele zaak. Er is dan ook geen reden te twijfelen aan de verklaring in hoger beroep.
29. Alle verklaringen overziend moet in ieder geval geconcludeerd worden dat de verklaringen volstrekt onbetrouwbaar zijn. Er zitten grote tegenstrijdigheden in de verklaringen. Dat maakt zijn verklaring dat [verdachte] een van de stuurmannen was en dat [medeverdachte 4] hem gezien zou hebben “op de dag van de Zuid-Afrikaanse boot... dezelfde dag dat een Frans marineschip het vuur op ons opende”, volstrekt ongeloofwaardig en niet bruikbaar.”
21. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Betrouwbaarheid verklaringen Koninklijke Marechaussee van medeverdachte [medeverdachte 4]
Het hof stelt vast dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 4], zoals afgelegd bij de Marechaussee, in hoofdtaak consistent zijn en, in het algemeen, niet conflicteren met de inhoud van de overige processtukken. Daarnaast stelt het hof vast dat de medeverdachte [medeverdachte 4] bij de behandeling in eerste aanleg die verklaringen heeft bevestigd.
Eerst in hoger beroep heeft de medeverdachte [medeverdachte 4] uitdrukkelijk en ondubbelzinnig betwist dat hij en de overige op 19 november 2010 aangehouden personen, onder wie de verdachte, betrokken waren bij zeeroofactiviteiten, ondanks het feit dat hij in eerste aanleg meerdere malen in de gelegenheid is geweest om terug te komen op deze verklaring.
Het hof houdt de medeverdachte [medeverdachte 4] dan ook aan zijn eerdere verklaringen.
Alles overziende acht het hof de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 4], zoals afgelegd bij de Marechaussee en ter terechtzitting in eerste aanleg mitsdien niet alleen geloofwaardig, maar ook bruikbaar voor het bewijs.”
22. De steller van het middel kiest een juist uitgangspunt dat zijn grondslag vindt in vaste rechtspraak van de Hoge Raad: de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuige verklaring is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het Hof ook in het licht van het ter zitting door de raadsman ingenomen standpunt toereikend heeft gemotiveerd waarom de beide verklaringen van de getuige voor het bewijs bruikbaar zijn. Mij is uit de toelichting op het middel wel duidelijk dat meer motivering wordt verwacht, maar welke nadere eisen aan de motivering moeten worden gesteld is mij ondanks de zeer uitvoerige toelichting op het middel niet duidelijk geworden. In de kern gaat het middel niet veel verder dan het bestaande verschil van inzicht over de betrouwbaarheid van de getuige nogmaals te benadrukken.
23. Dit derde middeltreft dus geen doel.
24. De middelen falen en het tweede en derde middel kunnen in ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ook overigens heb ik geen redenen aangetroffen die tot cassatie moeten leiden.
25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur- Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG