1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 11 februari 2011 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank te Arnhem van 29 september 2010, waarbij de verdachte wegens “diefstal” op tegenspraak is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en waarbij de politierechter voorts de vordering van de benadeelde partij deels heeft toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting heeft opgelegd, een en ander zoals in het vonnis vermeld.
2. Namens de verdachte heeft een medewerker van de griffie bij het hof beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte art. 416, tweede lid, Sv heeft toegepast, nu het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend.
4. De politierechter in de rechtbank te Arnhem heeft de verdachte bij vonnis van 29 september 2010 op tegenspraak veroordeeld. Op 29 september heeft mr. Bommer namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Bij faxbericht van 11 februari 2011, gericht aan de voorzitter van het hof, heeft mr. Bommer medegedeeld dat hij niet op de terechtzitting in hoger beroep zal verschijnen, omdat hij geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen en hij niet uitdrukkelijk is gemachtigd om namens de verdachte de verdediging te voeren, en dat de verdachte zelf volgens hem evenmin ter terechtzitting in hoger beroep zal verschijnen, nu zij Nederland inmiddels zou zijn uitgezet en zou zijn teruggekeerd naar Mongolië. Op de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2011 (van het gerechtshof te Arnhem) zijn de verdachte en haar raadsman niet verschenen, waarna het hof op vordering van de advocaat-generaal verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte. Ten slotte heeft het hof bij arrest van diezelfde datum de verdachte gelet op art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, nu de verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend, de verdachte evenmin op de terechtzitting in hoger beroep mondeling haar bezwaren tegen het vonnis van de politierechter heeft opgegeven en het hof ambtshalve geen redenen heeft gezien voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.
5. Aan de cassatieschriftuur zijn de volgende stukken gehecht:
(i) Een afschrift van een schrijven van 13 oktober 2010 van mr. Bommer, gericht aan de strafgriffie van de rechtbank te Arnhem, betreffende “mededeling grieven tegen vonnis politierechter Arnhem dd 29-09-2010” onder vermelding van het parketnummer in eerste aanleg van de strafzaak tegen de verdachte (05/119659-10). Dit als appelschriftuur aan te merken schrijven houdt in dat de opgelegde gevangenisstraf te zwaar is, nu de verdachte het niet eens is met de onvoorwaardelijke gevangenisstraf en zij een voorwaardelijke gevangenisstraf meer passend acht, en dat ten onrechte een schadevergoeding aan de benadeelde partij is toegekend.
(ii) Een “verzend controle rapport” waaruit kan worden afgeleid dat dit schrijven op 13 oktober 2010 om 21:42 uur per fax is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van de rechtbank te Arnhem (026-3592600).
(iii) Een afschrift van een schrijven van 13 oktober 2010 van mr. Bommer, gericht aan de strafsector van het gerechtshof te Arnhem, onder vermelding van het parketnummer in hoger beroep van de strafzaak tegen de verdachte (21/003378-10). Deze brief betreft een begeleidend schrijven behorende bij de toezending van een afschrift van de “grievenschriftuur” die de raadsman per fax aan de strafgriffie van de rechtbank te Arnhem heeft verzonden.
(iv) Een “verzend controle rapport” waaruit kan worden afgeleid dat dit schrijven op 13 oktober 2010 om 21:47 uur per fax is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van het gerechtshof te Arnhem (026-3592300).
(v) Een “journaal” van 15 oktober 2010, kennelijk afkomstig van het faxapparaat van het advocatenkantoor van mr. Bommer, waaruit blijkt dat op 13 oktober om 21:42 uur een faxbericht is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van de rechtbank te Arnhem en op diezelfde datum om 21:47 uur een faxbericht is verzonden naar de strafgriffie van het gerechtshof te Arnhem.
6. De aan de cassatieschriftuur gehechte stukken bevinden zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Bij de cassatieschriftuur zijn niet overgelegd brieven van de griffier van de rechtbank en de griffier van het hof waarin de ontvangst van de hiervoor onder 5 sub (i) en (iii) genoemde schriftuur houdende grieven is bevestigd. Dergelijke ontvangstbevestigingen bevinden zich evenmin bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de appelschriftuur van de raadsman van de verdachte niet aanwezig was in het dossier dat het hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in hoger beroep. De inhoud van het - hiervoor onder 5 sub (ii) weergegeven - “verzend controle rapport” en de inhoud van het - hiervoor onder 5 sub (v) weergegeven - “journaal” bieden echter voldoende grond voor het ernstige vermoeden dat die appelschriftuur met daarin de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis van de politierechter wel namens de verdachte overeenkomstig art. 410, eerste lid, Sv binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de rechtbank is ingediend en ook op die griffie is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt. Gelet hierop is de overweging van het hof dat de verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend, niet begrijpelijk. Aldus heeft het hof ten onrechte de verdachte gelet op art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
7. Het middel slaagt.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden