4. Het eerste middel
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet ingevolge art. 590 lid 3 Sv heeft geschorst, althans niet (toereikend) heeft gemotiveerd waarom schorsing achterwege kon blijven, nu niet tijdig overeenkomstig art. 588a Sv een afschrift van de dagvaarding van verdachte is verzonden naar het door verdachte bij zijn eerste verhoor opgegeven adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) blijkens de GBA-gegevens stond verdachte vanaf 23 maart 2007 tot 30 mei 2008 ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats];
(ii) verdachte heeft bij zijn eerste verhoor op 11 augustus 2009 [a-straat 1] te [plaats] opgegeven als postadres voor mededelingen in strafzaken;
(iii) blijkens de GBA-gegevens stond verdachte vanaf 23 juli 2009 tot 1 september 2009 ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] en vanaf 3 november 2009 op het adres [c-straat 1] te [plaats];
(iv) op 15 juli 2010 heeft verdachte op de wijze voorzien in art. 451a Sv hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter bij de Rechtbank te Amsterdam van 27 april 2010;
(v) de appeldagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting bij het Hof op 20 juni 2011 is blijkens de bij de dagvaarding behorende akte van uitreiking op 22 april 2011 tevergeefs aangeboden op het GBA-adres [c-straat 1] te [plaats], nu de geadresseerde volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond daar niet woont noch verblijft, en op dezelfde datum teruggezonden naar het ressortsparket. Op 29 april 2011 is de dagvaarding aan de griffier van de Rechtbank uitgereikt, omdat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op de akte van uitreiking vermelde adres, [c-straat 1] te [plaats], was ingeschreven, en is een afschrift van de dagvaarding naar het voormelde adres gezonden;
(vi) voorts is de appeldagvaarding blijkens een akte van uitreiking op 15 juni 2011 als gewone brief verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats];
(vii) op 20 juni 2011 heeft het Hof de zaak bij verstek behandeld en terstond mondeling arrest gewezen, waarbij de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep. Ter zitting was verdachte noch een voor hem optredend advocaat aanwezig.
Indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, dient een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen te worden toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres (art. 588a lid 1 onder a Sv). Bij deze verzending wordt de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht genomen (art. 588a lid 4 Sv). Op grond van art. 413 lid 1, eerste volzin, Sv moet tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die ter terechtzitting een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Deze termijn geldt ook wanneer de zaak in hoger beroep door de enkelvoudige strafkamer van het Hof wordt behandeld, nu voor de appelprocedure bij de unus iudex, voor zover daarvan niet is afgeweken, de gewone appelregels gelden. Indien aan de verzendplicht ingevolge art. 588a niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, tenzij de verdachte – kort gezegd – van de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting op de hoogte was dan wel kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid (art. 590 lid 3 aanhef en onder a en b Sv).
Uit het voorgaande onder 4.2. (ii) volgt dat de verdachte bij zijn eerste verhoor in de onderhavige strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland, [a-straat 1] te [plaats], heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Op 15 juni 2011 is overeenkomstig art. 588a lid 1 onder a Sv een afschrift van de dagvaarding van verdachte om 20 juni 2011 ter terechtzitting van het Hof te verschijnen naar voornoemd adres verzonden. Bij de verzending is de voorgeschreven termijn van tien dagen evenwel niet in acht genomen en aldus is niet tijdig aan de verzendplicht ingevolge art. 588a voldaan. Het Hof, dat het onderzoek ter terechtzitting heeft voortgezet nadat verstek was verleend tegen de niet verschenen verdachte, had ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
Het eerste middel is terecht voorgesteld.
5. Het tweede middel
Het middel klaagt dat het Hof verdachte ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, op grond van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
Nu het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking. Uiteraard ben ik, indien de Hoge Raad over het eerste middel anders zou oordelen, tot een aanvullende conclusie bereid.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG