“C.1
Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
en tijde van het bewezen verklaarde luidde artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, voor zover van belang, als volgt:
"1 . Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:
a. (...) ;
b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;
(...) .
C.2
Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, moet onder een "inrichting" worden verstaan: "elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht".
C.3
Uit het dossier blijkt dat voor het perceel [a-straat 1] te Deurne op 1 juni 1999 een milieuvergunning is afgegeven voor een rundvee en varkenshouderij.
C.4
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op het onderhavige perceel bij controles werden aangetroffen een groot aantal honden en pups van verschillende rassen en stallen die waren ingericht voor het huisvesten van de honden. Er werden op de site marktplaats regelmatig advertenties geplaatst waarbij pups te koop werden aangeboden. Tevens bevinden zich in het dossier een groot aantal verklaringen van getuigen/aangevers waaruit naar voren komt dat zowel verdachte als haar vader [medeverdachte 1] betrokken waren bij de verkoop van pups.
C.5
Het hof neemt bij de vraag of sprake is geweest van bedrijfsmatig handelen door verdachte tevens in aanmerking de verklaring van dierenarts [betrokkene 2], afgelegd bij de politie op 24 maart 2005 (p. 194 ev.), inhoudende als volgt:
"- Hoeveel honden heeft [verdachte] gemiddeld op zijn terrein zitten?
Ik kan alleen praten voor de [a-straat 1]. Ik schat dat er ca. 25 honden rondlopen. Dit betreft dat waarschijnlijk fokmateriaal.
- Wat voor rassen houdt [verdachte]?
Duitse doggen, dwergpinksters, Jack Russelterriers, Labrador en retrievers, dus voornamelijk rassen die gewild zijn.
- Wat doet [verdachte] met deze honden?
Fokken en verkopen, dus voor de handel, vooral particulier.
- Hoe vaak lagen er nestjes jonge honden bij [verdachte]? Hoe groot waren die nestjes? Om hoeveel honden ging het ongeveer op jaarbasis?
Ik schat dat er iedere maand wel een nestje lag. De nest grootte varieert van 2 tot 10 stuks. Ik denk dat er op jaarbasis ca. 100 pups geboren en verkocht werden."
C.6
Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer 25003, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst d.d. 14 maart 2005 (p. 1950 ev.), blijkt dat op 22 februari 2005 onderzoek is gedaan op het adres [a-straat 1] te Deurne naar de naleving van de regelgeving met betrekking tot het Honden- en kattenbesluit 1999. Op genoemde locatie werden in meerdere stallen in totaal 25 honden aangetroffen. In een hok waren zes pups van ongeveer zeven weken oud aanwezig. In een andere hok waren 11 pups van ook ongeveer zeven weken oud aanwezig. Aan de achterzijde van de schuur werden vier honden van ongeveer zes maanden oud aangetroffen.
C. 7
De aangetroffen hoeveelheden honden, de huisvesting van de honden, de verklaring van dierenarts [betrokkene 2] en de overige genoemde omstandigheden gaat naar het oordeel van het hof een normaal particulier bezit te boven. Het hof is van oordeel dat er sprake is van het bedrijfsmatig houden van honden zodat gesproken kan worden van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Naar het oordeel van het hof levert het voorgaande het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zonder daartoe verleende vergunning de inrichting, zijnde immers een rundvee en varkenshouderij, heeft veranderd. Het verweer wordt mitsdien verworpen.”
4.3. In art. 8.1 lid 1 Wm is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:
a. op te richten;
b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;
c. in werking te hebben.
Onder inrichting dient ingevolge art. 1.1 lid 1 Wm te worden verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen en zekere begrenzing pleegt te worden verricht.
4.4. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte zich bezighield met het bedrijfsmatig fokken van honden. Bewijsmiddel 4 houdt de verklaring in van de broer van verdachte waarin deze gewag maakt van de eigen handel van verdachte in honden en paarden. Bewijsmiddel 6 houdt onder meer de resultaten in van het onderzoek in de administratie van dierenarts [betrokkene 2] waaruit blijkt van de activiteiten die hij verricht heeft ten behoeve van verdachtes honden. De administratie vermeldt dat de dierenarts in het jaar 2003 ongeveer 59 en in het jaar 2004 ongeveer 199 pups heeft geënt. Deze dierenarts heeft verklaringen afgelegd die zijn weergegeven als bewijsmiddel 7 en 13. Uit de bewijsmiddelen 9 tot en met 33 blijkt dat verdachte honden van verschillend ras op marktplaats.nl te koop aanbood aan particulieren.
Uit een ander heeft het hof kunnen aannemen dat er geen sprake van een eenmalige, of incidentele activiteit. Het beeld dat oprijst is dat van een geregelde en stelselmatige bedrijvigheid. Verdachte plaatste zeer regelmatig advertenties waarin zij puppy's van verschillend ras te koop aanbood en gelet op de aantallen waar het om gaat is redelijkerwijs aan te nemen dat de omzet behoorlijk is geweest. Het gaat om activiteiten die – aldus klaarblijkelijk het hof – de grenzen van wat binnen particuliere huishoudens pleegt plaats te vinden overstijgen.
4.5. Het hof is tot deze slotsom kunnen komen en heeft daarvoor bevestiging gevonden in de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de hoeveelheid honden, de resultaten van het onderzoek naar de advertenties enz. De conclusie van de dierenarts dat er sprake was van het fokken van honden en het handelen in honden vindt dus ondersteuning in ander bewijsmateriaal en is door het hof overgenomen. Ik wijs erop dat bewijsmiddel 6 klaarblijkelijk de neerslag is van hetgeen de dierenarts beroepshalve op het bedrijf van verdachte en haar vader heeft verricht en waarvan hij aantekening heeft gemaakt. De verklaring van de dierenarts, zoals weergegeven in bewijsmiddel 7, bevat voorts niets wat niet vatbaar is voor eigen waarneming en ondervinding, zeker niet voor een getuige die beroepshalve het bedrijf waar de honden werden gehouden regelmatig bezocht.
Kortom, het hof heeft kunnen concluderen dat de inrichting aan de [a-straat 1] te Deurne, waarvoor een milieuvergunning was afgegeven voor het houden van rundvee en vleesvarkens (bewijsmiddel 1) door het vestigen van de hondenfokkerij is veranderd en heeft zich daartoe mede mogen baseren op de bewijsmiddelen 6 en 7.
Beide middelen falen.
5.1. Ook het derde middel keert zich tegen het beroep dat het hof doet op de inhoud van een verklaring van een dierenarts ter weerlegging van een verweer dat betrekking heeft op het tenlastegelegde feit 2 van parketnummer 01/995641-07. In het verweer werd betwist dat de twee paarden zouden zijn verwaarloosd, hetgeen werd onderbouwd door verwijzing naar de verklaringen van dierenartsen [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Het hof heeft dit verweer verworpen en de verklaringen van dierenarts [betrokkene 5] als bewijsmiddelen 35, 53 en 54 tot het bewijs laten meewerken, terwijl deze verklaringen volgens de schriftuur conclusies bevatten die aan de rechter zijn voorbehouden.
5.2. Het onderdeel van het arrest waartegen zich dit middel keert luidt aldus:
“H.
Ten aanzien van feit 2:
Door de raadsman is betoogd dat verdachte betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan het onthouden van verzorging aan honden en paarden in de periode van 20 februari 2006 tot en met 24 februari 2006. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat uit de stukken niet is gebleken dat sprake was van verwaarloosde honden en paarden.
H. l
Het hof overweegt als volgt.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om bewezen te verklaren dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode de nodige verzorging aan de honden heeft onthouden.
De verdachte zal derhalve van dit gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
H.2
Met betrekking tot het paard met transpondernummer [002] acht het hof van belang het proces-verbaal van bevindingen met nummer 32248 van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met bijlagen (p. 530-546). Hieruit is gebleken dat het paard met voornoemd chipnummer door dierenarts [betrokkene 5] is beoordeeld.
De diergeneeskundige verklaring van [betrokkene 5] d.d. 24 februari 2006 (bijlage 1, p. 533-534) geeft op de vraag welk(e) letsel/aandoening(en) bij vermeld dier werden waargenomen als antwoord: "Alle hoeven zijn gescheurd, zowel linksvoor als rechtsachter steenkreupel, regenexceem, linksvoor een oude wond, schimmelplek rechtsachter en heeft dunne mest." Op de vraag waardoor de aangetroffen toestand naar de mening van de dierenarts is ontstaan, antwoord [betrokkene 5]: "Onvoldoende hoefverzorging, huisvesting niet voldoende voor dit dier." De vraag of de gezondheidstoestand van het dier daardoor benadeeld is, beantwoord [betrokkene 5] bevestigend. Ook de vraag of - gelet op de toestand waarin het dier is aangetroffen - sprake is van het onthouden van de nodige verzorging van het dier, beantwoord [betrokkene 5] bevestigend.
H.3
Voorts blijkt uit het taxatierapport d.d. 24 februari 2006, opgemaakt door [betrokkene 6] (bijlage 5, p. 541-544) dat de voeten van paard met chipnummer [002] zeer slecht zijn onderhouden.
H.4
Met betrekking tot het paard met transpondernummer [001] acht het hof van belang het proces-verbaal van bevindingen met nummer 32249 van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met bijlagen (p. 547-561). Hieruit is gebleken dat ook het paard met voornoemd chipnummer door dierenarts [betrokkene 5] is beoordeeld.
De diergeneeskundige verklaring van [betrokkene 5] d.d. 24 februari 2006 (bijlage 1, p. 549-550) geeft op de vraag welk(e) letsel/aandoening(en) bij vermeld dier werden waargenomen als antwoord onder meer: "Rechtsvoor ernstig kreupel (op 3 benen)."
Op de vraag waardoor de aangetroffen toestand naar de mening van de dierenarts is ontstaan, antwoord [betrokkene 5]: "Hoornscheur, onvoldoende verzorgd door verminderde mobiliteit."
De vraag of de gezondheidstoestand van het dier daardoor benadeeld is, beantwoordt [betrokkene 5] bevestigend. Ook de vraag of - gelet op de toestand waarin het dier is aangetroffen - sprake is van het onthouden van de nodige verzorging van het dier, beantwoordt eveneens [betrokkene 5] bevestigend.
H.5
Voorts blijkt uit het taxatierapport d.d. 24 februari 2006, opgemaakt door [betrokkene 6] (bijlage 4, p. 556-559) dat de voeten van paard met chipnummer [001] zeer slecht zijn onderhouden.
H.6
Op grond van bovenstaande diergeneeskundige verklaringen en taxatierapporten, kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde met betrekking tot de twee paarden.”
5.3. Het middel betoogt dat de deskundige [betrokkene 5] alleen maar kan verklaren of door hem bij de onderzochte paarden letsel of aandoeningen zijn waargenomen, maar niet of aan die paarden de nodige verzorging is onthouden. Dat is een conclusie die aan de rechter is voorbehouden.
5.4. Deze klacht kan ik niet onderschrijven. Het is aan de rechter voorbehouden om van het beschikbare materiaal voor het bewijs te bezigen wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. Tot dat bewijsmateriaal behoren eventueel ook verklaringen van deskundigen. Van een situatie als in HR 28 februari 1989, NJ 1989, 748 (poppenspel) of in HR 26 januari 1998, NJ 1998, 404 m.nt. Reijntjes (orthopedisch schoenmaker) is hier geen sprake.
De dierenarts is bij uitstek de deskundige die kan verklaren over de ouderdom van wonden en letsel bij dieren. Hij heeft bij het ene paard regenexceem, een oude wond en een schimmelplek waargenomen. Het andere paard is kreupel. Bij dat paard is hoornscheur geconstateerd en de voeten van het paard zijn zeer slecht onderhouden. Klaarblijkelijk zijn dit symptomen voor een ontoereikende verzorging. Dit zijn conclusies waartoe iemand die verstand heeft van paarden kan komen, en die mij niet vreemd voorkomen gelet op de aard van het letsel dat bij de paarden is vastgesteld. Dat aan deze paarden de nodige verzorging is onthouden heeft het hof dus kunnen aannemen op basis van de verklaringen van deze deskundige.
Hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd over de verklaringen van de dierenartsen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] noopte het hof niet tot een ruimere motivering waarom het hof vertrouwen heeft gesteld in de verklaringen van dierenarts [betrokkene 5].
Het middel faalt.
6.1. Het vierde middel klaagt over de veroordeling voor feit 3 van parketnummer 01/995641-07, de wederspannigheid. Volgens de stellers van het middel heeft zich geen situatie voorgedaan als waarop artikel 124 Sv het oog heeft. Verdachte heeft zich wellicht hinderlijk gedragen, maar dit gedrag levert nog niet een hardnekkige ordeverstoring op zoals artikel 124 Sv dat eist.
6.2. Het hof heeft het bewijs van dit feit doen rusten op de volgende bewijsmiddelen:
“58. Het ambtsedige proces-verbaal van bevindingen, regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Regionale Milieurecherche, proces-verbaalnummer PL2219/06-021721, d.d. 1 maart 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie (pag. 616-619), voor zover inhoudende:
als bevindingen van verbalisant voornoemd:
Op 20 februari 2006 was ik belast met een integraal onderzoek verricht door ambtenaren van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, de AID, de LID en de gemeente Deurne. Dit onderzoek vond plaats op de inrichting [a-straat 1] te Deurne met bijbehorende landbouwgronden. Ter plaatse werd onderzoek ingesteld naar vermeende handel in honden.
Lopende het onderzoek verscheen op het terrein onder meer [verdachte]. Ik waarschuwde haar het onderzoek niet te verstoren. Ik zag dat opsporingsambtenaren van de AID en LID bij verschillende aanwezige hondenhokken een onderzoek instelden. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat we van de honden af moesten blijven. Ik zei tegen [verdachte] dat ze de opsporingsambtenaren hun onderzoek ongestoord moesten laten verrichten. Ten gevolge van de gedane bevindingen werd besloten een twintigtal op het bedrijf aanwezige honden in beslag te nemen.
Ik zag dat [verdachte] terug was gekomen en dat zij in de directe nabijheid van de inbeslagnemende opsporingsambtenaren deze mensen uit begon te schelden en voor de voeten begon te lopen. Ik sprak haar hier op aan en ik zei haar hiermee te stoppen en de mensen hun werk te laten doen. Ik waarschuwde haar dat als ze zich hinderlijk bleef gedragen, ik haar zou laten verwijderen. Hierop ging ze op korte afstand verwijderd staan. Na een korte tijd zag ik dat ambtenaren een hondenhok in gingen. Ik zag dat [verdachte] naar het betreffende hok liep en de stekker van de verlichting van het hok uit het stopcontact trok.
Gelet op deze bevindingen heb ik haar bij haar arm vastgepakt en heb ik haar meegedeeld dat ze overgebracht zou worden naar het politiebureau te Asten en daar in verzekering werd gesteld voor de duur van het onderzoek. Zij was het hiermee niet eens en schreeuwde dat ze niet mee ging. Ik trachtte haar naar een dienstvoertuig te geleiden, doch ik voelde dat ze met kracht trok in een richting, tegengesteld aan die waarin ik haar wilde bewegen. Collega's van de politie hebben mij geholpen haar over te brengen naar een politiedienstvoertuig. Omdat ze slaande bewegingen in onze richting bleef maken, hebben wij haar geboeid. Ik zag en voelde dat het haar lukte om mij tegen mijn rechter onderbeen te schoppen.
Het ambtsedige proces-verbaal van bevindingen, regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Regionale Milieurecherche, proces-verbaalnummer PL2219/06-021721, d.d. 12 maart 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van politie (pag. 620-622), voor zover inhoudende:
als bevindingen van verbalisant voornoemd:
Op 20 februari 2006 was ik als politieambtenaar belast met de veiligheid tijdens een integraal onderzoek op de inrichting Donschotseweg13 te Deurne. Lopende de tijd van het onderzoek verscheen op het terrein de mij bekende [verdachte]. Zij uitte haar ongenoegen omtrent het onderzoek. Op een gegeven moment zag ik dat brigadier [verbalisant 1] [verdachte] vastpakte en mij vroeg haar over te brengen naar het politiebureau te Asten om daar in verzekering te worden gesteld voor de duur van het onderzoek. Ik pakte haar vast. Zij was het hiermee niet eens en schreeuwde dat ze niet mee ging. lk trachtte haar naar een dienstvoertuig te geleiden, doch ik voelde dat ze met kracht trok in een richting, tegengesteld aan die waarin ik haar wilde
bewegen. Collega's van de politie hebben mij geholpen haar over te brengen naar een politiedienstvoertuig. Omdat ze slaande bewegingen in onze richting bleef maken, hebben wij haar geboeid. Ik zag en voelde dat zij mij enkele malen met haar geschoeide voet tegen mijn rechter onderbeen schopte.
Het ambtsedige proces-verbaal van bevindingen, regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Regionale Milieurecherche, proces-verbaalnummer PL2219/06-021721, d.d. 11 maart 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie (pag. 623-625), voor zover inhoudende:
als bevindingen van verbalisant voornoemd:
Op 20 februari 2006 was ik als politieambtenaar belast met de veiligheid tijdens een integraal onderzoek op de inrichting [a-straat 1] te Deurne. Lopende de tijd van het onderzoek verscheen op het terrein de mij bekende [verdachte]. Zij uitte haar ongenoegen omtrent het onderzoek. Op een gegeven moment zag ik dat brigadier [verbalisant 1] [verdachte] vastpakte en mij vroeg haar over te brengen naar het politiebureau te Asten om daar in verzekering te worden gesteld voor de duur van het onderzoek. Ik pakte haar vast. Zij was het hiermee niet eens en schreeuwde dat ze niet mee ging. Ik trachtte haar naar een dienstvoertuig te geleiden, doch ik voelde dat ze met kracht trok in een richting, tegengesteld aan die waarin ik haar wilde bewegen. Collega's van de politie hebben mij geholpen haar over te brengen naar een politiedienstvoertuig. Omdat ze slaande bewegingen in onze richting bleef maken, hebben wij haar geboeid. Ik zag dat [verdachte] collega [verbalisant 2] met haar geschoeide rechtervoet enige malen tegen zijn benen trapte. Ik zag dat [verdachte] trok in een andere richting als de richting waarin wij haar wilden verplaatsen.”
Het arrest houdt dienaangaande nog het volgende in:
“I
Ten aanzien van feit 3:
De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat zij, verdachte, ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan wederspannigheid.
I .1
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en verwijst daartoe naar de processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] d.d. 1 maart 2006, [verbalisant 2] d.d. 12 maart 2006 en [verbalisant 3] d.d. I I maart 2006 (p. 616-625). Hieruit is - kort en zakelijk weergegeven - het volgende gebleken.
I.2
Op 20 februari 2006 werd door verbalisanten voornoemd een onderzoek ingesteld in de inrichting [a-straat 1] te Deurne. Aanleiding tot dit onderzoek was onder andere het vermoeden dat in de inrichting honden werden gehouden en verhandeld. Tijdens dit onderzoek verscheen verdachte [verdachte] op de onderzoekslocatie en gedroeg zich, ondanks herhaalde waarschuwingen, hinderlijk ten opzichte van de controlerende opsporingsambtenaren die bezig waren met de inbeslagname van de in de inrichting aangetroffen honden. Verdachte werd hierop door verbalisant [verbalisant 1] op grond van artikel 124 van het Wetboek van Strafvordering in verzekering gesteld waarbij haar werd gezegd dat ze naar het politiebureau zou worden gebracht. Verdachte werd hierbij vastgepakt teneinde haar naar het dienstvoertuig te geleiden. Hierbij verzette verdachte zich door in een andere richting te trekken dan die waarin de politieambtenaren haar wilden bewegen. Tevens schopte verdachte hierbij met geschoeide voet tegen de benen van de politieambtenaren die haar begeleidden.
I.3
Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en juistheid van de door de drie verbalisanten op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, zodat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid.”
Artikel 124 Sv heeft de volgende inhoud:
"1. Voor de handhaving der orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen draagt zorg de voorzitter van het college, of de rechter of ambtenaar, die met de leiding dier verrichtingen is belast.
Deze neemt de noodige maatregelen opdat die ambtsverrichtingen zonder stoornis zullen kunnen plaats vinden.
Indien daarbij iemand de orde verstoort of op eenigerlei wijze hinderlijk is, kan de betrokken voorzitter, rechter of ambtenaar, na hem zoo noodig te hebben gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, ingeval van weigering, hem doen verwijderen en tot den afloop der ambtsverrichtingen in verzekering doen houden.
Van een en ander wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.
Met de dienst der gerechten zijn belast ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel andere ambtenaren of functionarissen, voor zover die ambtenaren of functionarissen door Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen. Deze ambtenaren of functionarissen nemen de aanwijzingen in acht van de voorzitter van het college, de rechter of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid."
Artikel 124 Sv heeft betrekking op de handhaving van de orde ter gelegenheid van bepaalde ambtsverrichtingen. Degene die met de leiding daarvan is belast, kan daartoe de nodige maatregelen nemen opdat die ambtsverrichtingen een ongestoord verloop kunnen hebben. Zo kan aan degene die de orde verstoort of op enigerlei wijze hinderlijk is, eventueel na een waarschuwing, het bevel worden gegeven dat hij zich zal verwijderen. Indien betrokkene weigert aan dat bevel te voldoen zal hij verwijderd kunnen worden en zelfs in verzekering worden gehouden tot de afloop van de ambtsverrichtingen. Door te spreken van "de noodige maatregelen" heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de ordemaatregelen moeten voldoen aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. De maatregelen moeten zijn aangepast aan het ordeverstorend of hinderlijk optreden. Deze maatregelen hoeven zich niet te beperken tot een reactie, maar kunnen ook preventief worden toegepast, om ergere verstoringen te voorkomen.
Uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat verdachte herhaalde malen is gewaarschuwd en, na zich kennelijk eerst te hebben verwijderd, weer is teruggekeerd en is begonnen verbalisanten uit te schelden en voor de voeten te lopen. Zij heeft zich dus aan eerdere maatregelen die de leidinggevende nam om een ordentelijk verloop van de operatie te garanderen niet gestoord, zodat, om de terminologie van de stellers van het middel te gebruiken, zij zich als "hardnekkig" heeft gemanifesteerd. Onder deze omstandigheden heeft de leidinggevende gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om verdachte tijdelijk in verzekering te doen houden en waren de verbalisanten waartegen verdachte zich heeft verzet in de rechtmatige uitoefening hunner bediening.
Het middel faalt.
Het vijfde middel komt op tegen de veroordeling voor de feiten 2 subsidiair en 3 van parketnummer 01-875054-05. Ten onrechte heeft het hof geoordeeld dat het als een feit van algemene bekendheid heeft te gelden dat aan de houder/eigenaar van een pup na de eerste vaccinatie en/of ontworming een hondenpaspoort wordt verstrekt. Van zulk een algemene bekendheid met betrekking tot dit gegeven is geen sprake, zodat de rechter dit onderwerp ter terechtzitting aan de orde heeft moeten stellen.
Hierover heeft het hof het volgende in zijn arrest opgenomen:
“D.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3:
Door de verdediging is betoogd dat vrijspraak ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde zou moeten volgen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft verdachte verklaard dat zij in een aantal gevallen mogelijk vervalste paspoorten heeft afgegeven, doch zij daar niet van op de hoogte is geweest, zodat tevens geen sprake is van het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste paspoorten.
De raadsman heeft voorts bepleit dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu verdachte betwist de kopers van de honden te hebben opgelicht, op een wijze zoals omschreven in de tenlastelegging.
D. l
Ten aanzien van het onder 2 subsidiair en onder 3 ten laste gelegde overweegt het hof als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen (nummer 26391) met bijlagen, opgemaakt door [betrokkene 7], ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst, d.d. 27 december 2004 (p. 617 ev.), is het navolgende gebleken. Bij de AID Zuid Nederland, afdeling Deurne-Asten-Someren en de Landelijke Inspectie dierenbescherming zijn in het voorjaar van 2003 een aantal klachten binnengekomen met betrekking tot het ter verkoop aanbieden van honden(pups) met een kennelijk valselijk opgemaakt dierenpaspoort.
D.2
Door de stafmedewerker Veterinaire Zaken van de KNMvD, [betrokkene 8], is op 5 maart 2003 en op 4 juni 2003 een (schriftelijke) verklaring afgelegd met betrekking tot het in omloop zijn van vervalste dierenpaspoorten. Vanaf eind 2002 zouden er op het secretariaat van de KNMvD regelmatig meldingen binnen zijn gekomen van vervalste dierenpaspoorten. Het zou altijd gaan om een redelijk goede kleurenkopie van het originele dierenpaspoort. In de meeste gemelde gevallen zouden de boekjes zijn afgetekend en gestempeld door dierenarts [betrokkene 1] te Poppel (België). Tegenover de KNMvD heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij al enkele jaren niet meer als praktiserend dierenarts werkzaam was en bovendien dat het adres op de stempel ook al sinds lange tijd niet meer als praktijkpand gebruikt werd. [betrokkene 1] verklaarde dat de in de dierenpaspoorten aanwezige stempelafdrukken en de daarover geplaatste handtekeningen niet door hem waren geplaatst. [betrokkene 1] verklaarde tevens aangifte te hebben gedaan bij de politie in België van misbruik van zijn dierenartsstempel. De KNMvD heeft getracht te achterhalen van welke fokker de pups van de vervalste paspoorten afkomstig waren. Uit onderzoek bleek dat de meldingen van de valse paspoorten allemaal hoorden bij pups afkomstig van de familie [van verdachte] uit Deurne. Het zou gaan om meer dan 20 meldingen van valse paspoorten. In de meeste gevallen waren de paspoorten voorzien van een stempel met daarin de naam [betrokkene 1], dierenarts te Poppel.
D.3
Vervolgonderzoek naar de gedupeerden resulteerde in 26 aangiften/klachten/meldingen ter zake oplichting, valsheid in geschrifte en overtreding van het Honden- en kattenbesluit 1999, gepleegd in de periode tussen juli 2002 en december 2005, alsmede meerdere meldingen van benadeelde personen, die bij de verdachten [medeverdachte 1] en/of [verdachte] een pup of meerdere pups hadden gekocht. De pups bleken kort na de aankoop ziek te zijn en kwamen in veel gevallen te overlijden.
Tevens is in de aangiften meerdere malen melding gemaakt van het verstrekken door de verdachten van een vals of vervalst hondenpaspoort. De paspoorten zouden in strijd met de waarheid vermelden dat de pups waren ingeënt en tevens zouden er onjuiste gegevens in de paspoorten staan met betrekking tot ras en gezondheid van de pups. De kopers zijn via advertenties op internet bij de verdachten [verdachten] terechtgekomen. De honden (pups) werden zowel door verdachte, als door haar vader [medeverdachte 1] verkocht. In hoofdzaak werden de honden (pups) verkocht door of middels verdachte. Mondeling dan wel via de advertenties werd de kopers beloofd dat de pups gevaccineerd en ontwormd zouden zijn, dat zij in het bezit zouden zijn van een gezondheidsverklaring, dat zij in huiselijke kring zouden zijn opgegroeid en dat zij aan kinderen en huisdieren gewend zouden zijn. Uit het dossier blijkt dat verdachte en/of haar mededader door de gedane mededelingen een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven ten opzichte van de werkelijke situatie van de pups.
Aan de houder/eigenaar van een pup wordt, zo mag als feit van algemene bekendheid worden aangenomen, na de eerste vaccinatie en/of ontworming een hondenpaspoort verstrekt. Onderhavige pups waren afkomstig uit nesten van het terrein van de familie [van verdachte], en zo blijkt uit het dossier werden door verdachte verkocht met hondenpaspoorten waarin in strijd met de waarheid was vermeld dat de betreffende honden waren ingeënt.
D.4
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat de litigieuze paspoorten vervalst dan wel valselijk opgemaakt waren. Deze paspoorten bevatten immers voor verdachte en haar mededader kenbaar onjuiste gegevens zoals een stempel van een dierenarts die niet bij de afgifte van het paspoort betrokken was. Nu deze paspoorten tevens opzettelijk door verdachte en haar mededader zijn gebruikt als middel tot misleiding van derden kan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen worden verklaard.
D.5
Uit vorenstaande gang van zaken volgt naar het oordeel van het hof tevens dat verdachte door de in de bewezenverklaring van feit 3 weergegeven oplichtingsmiddelen de (potentiële) kopers van honden heeft bewogen tot afgifte van geld.”
7.3. Op 1 april 2013 zijn wijzigingen van het Besluit identificatie en registratie van dieren en van de Regeling identificatie en registratie van dieren van kracht geworden in verband met het verplicht stellen van identificatie en registratie van honden. Weliswaar dateren deze wijzigingen van na de in de bewezenverklaring genoemde data, maar ze zijn relevant voor de plaatsing van het hondenpaspoort. Kort gezegd voert het nieuwe artikel 6 van het Besluit de verplichting in om honden te identificeren en te registreren. Het eerste lid van artikel 7 van het Besluit schrijft de houder voor om zijn hond binnen zeven weken na de geboorte te identificeren. Dit onderdeel van artikel 7 is aldus toegelicht dat deze termijn van zeven weken gelijk is aan het moment waarop een pup van het moederdier mag worden gescheiden en aansluit bij de inentingen die honden ontvangen. Een houder kan dan in één moeite een hond laten identificeren en inenten bij de dierenarts (p. 27). Binnen acht weken na de geboorte moet de houder zijn hond volgens het tweede lid van dat artikel laten registreren in een databank. Het eerste lid van artikel 14 van het Besluit bepaalt dat een hond wordt geïdentificeerd door het inbrengen van een chip met een uniek nummer. Registratie geschiedt door het doen opnemen van gegevens in een databank (artikel 7 lid 3 juncto artikel 10 van het Besluit). Als een hond wordt overgedragen meldt de houder zich af in de databank en registreert de opvolgende houder bepaalde gegevens in de databank (artikel 8 van het Besluit). In de Regeling is een nieuwe paragraaf 7a ingevoegd over de identificatie en registratie van honden. Zo worden termijnen gesteld waarbinnen een melding als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van het Besluit dient te worden gedaan en worden nadere regels gesteld betreffende het inrichten van databanken. Ook worden de eisen gedefinieerd waaraan de chip moet voldoen en de plaats bepaald waar de chip moet worden ingebracht. Een hondenpaspoort wordt niet verplicht. Op basis van Europese regelgeving is zo een paspoort naast de chip al wel verplicht voor honden die tussen lidstaten en naar en vanuit derde landen worden vervoerd. Ook moeten honden verplicht gevaccineerd zijn tegen rabiës bij grensoverschrijdend verkeer. In de toelichting bij de wijziging van het Besluit geeft de Minister aan dat bepaalde geconsulteerde organisaties graag zouden zien dat een paspoort verplicht zou worden gesteld. De Minister meende evenwel dat met de registratie in de databank kon worden volstaan en dat het niet noodzakelijk is om ook nog een papieren document verplicht te stellen met bijbehorende extra uitvoeringslasten (p. 26).
7.4. De verplichting dat honden bij grensoverschrijdend verkeer geïdentificeerd kunnen worden en vergezeld zijn van een paspoort is ingevoerd door Verordening (EG) Nr. 998/203 van 26 mei 2003, PB L 146/1. Artikel 2 van de Verordening houdt in dat de Verordening van toepassing is op het grensoverschrijdend verkeer tussen lidstaten of uit derde landen van dieren die voorkomen op de lijst in bijlage I. Op die lijst zijn onder meer honden en katten vermeld. Artikel 3 van de Verordening omschrijft het paspoort als:
"document waarmee het gezelschapsdier duidelijk kan worden geïdentificeerd en dat overeenkomstig artikel 17, tweede alinea, op te stellen gegevens bevat waarmee in het kader van deze verordening de toestand van het dier kan worden gecontroleerd".
Identificatie van gezelschapsdieren geschiedt tegenwoordig door een chip. In het verleden is ook wel een tatoeage toegelaten (artikel 4). Het paspoort moet zijn afgegeven door een dierenarts en inhouden dat het dier gevaccineerd is tegen rabiës (artikel 5 lid 1, aanhef en onder b). Bij iedere grensoverschrijding door een hond moet de eigenaar of de verantwoordelijke een paspoort kunnen overleggen. De Verordening is van toepassing met ingang van 3 juni 2004.
Bij Beschikking van 26 november 2003, PB L 312/1, heeft de Commissie een model vastgesteld voor een paspoort voor het intracommunautaire verkeer van honden, katten en fretten. De commissie overweegt dat het modelpaspoort gegevens bevat over rabiësvaccinaties en andere op grond van Verordening (EG) nr. 398/2003 vereiste gegevens. In het modelpaspoort moet plaats zijn voor andere vaccinatiebewijzen die op grond van die Verordening niet zijn vereist, zodat het paspoort alle nodige informatie bevat over de gezondheidstoestand van het dier. Bijlage 1 bij de Beschikking bevat het model van het paspoort en de gegevens die daarin vermeld moeten of kunnen worden.
7.5. Het Honden- en kattenbesluit 1999 bevat regels onder meer over de bedrijfsmatige verkoop van honden en katten. Artikel 20 van dit Besluit schrijft in zijn tweede lid voor dat een hond binnen zeven weken na de geboorte in een bedrijfsinrichting wordt voorzien van een uniek identificatienummer door een tatoeage op de binnenkant van het oor of door een chip. Binnen dezelfde termijn na de geboorte, maar in ieder geval 7 dagen vóór aflevering moet een hond volgens het tweede lid van artikel 21 worden ingeënt tegen parvovirusinfectie en hondenziekte (ziekte van Carré). Het vijfde lid schrijft voor dat een door een dierenarts opgemaakt schriftelijk bewijs van inenting tegen deze ziekten, waarop de naam van de dierenarts en zijn praktijkadres zijn vermeld, benevens de inentingsdatum, in de inrichting wordt bewaard zolang de hond daar verblijft. Op dit bewijs worden ook het registratienummer van de inrichting en het identificatienummer van de hond vermeld. Met zo een bewijs van inenting wordt een dierenpaspoort gelijkgesteld dat ingevolge het Honden- en kattenbesluit 1981 voor de hond is afgegeven (artikel 21 lid 6).
7.6. Het Honden- en kattenbesluit 1981 berustte op de Wet op de dierenbescherming (Stb. 1961, 19). Het eerste lid van artikel 4 van dit Besluit hield onder a in dat aan vergunningen onder meer voor het ten verkoop voorradig hebben en het verkopen van honden of katten burgemeester en wethouders het voorschrift verbinden dat honden en katten niet mogen worden afgeleverd alvorens de dieren zeven weken oud zijn. Artikel 4, eerste lid onder d had de volgende inhoud:
"Honden en katten mogen slechts in ontvangst genomen, afgeleverd of vervoerd worden:
indien daarbij tevens wordt overgedragen, onderscheidenlijk getoond kan worden een door een door Onze Minister aangewezen instelling afgegeven en deugdelijk ingevuld dierenpaspoort volgens een door Onze Minister vastgesteld model, waaruit blijkt, dat de hond, onderscheidenlijk de kat ten minste zeven dagen tevoren is ingeënt tegen hondeziekte (ziekte van Carré), onderscheidenlijk katteziekte (infectieuze gastro-enteritis) met een door de directeur van de Veterinaire Dienst bepaald en in de Nederlandse Staatscourant bekend te maken vaccin;
en indien, voorzover het een hond betreft, de hond is voorzien van een door middel van tatoeage op een door Onze Minister bepaalde wijze aangebracht identificatiemerk, dat gelijk is aan het in het onder 1 bedoelde dieren paspoort aangebracht identificatiemerk".
Artikel 4, eerste lid onder e van dit Besluit bepaalde dat honden, geboren op het perceel waarop een inrichting is gevestigd, binnen negen weken na de geboorte, doch in ieder geval voor aflevering, worden ingeënt tegen hondenziekte en door tatoeage worden voorzien van een identificatiemerk. De Toelichting op het Besluit stelde dat de mogelijkheid van sluitende controle als het meest geëigende middel de tatoeage van de hond kent. Tatoeage dient te geschieden voordat de hond in ontvangst wordt genomen. En aan tatoeage wordt de afgifte van het dierenpaspoort gekoppeld, waarin het certificaat van de (verplichte) inenting is opgenomen. Alle op het bedrijf aanwezige honden dienen te zijn voorzien van een tatoeage en van een dierenpaspoort. Voorts schreven de bewindslieden in de toelichting dat een doeltreffende controle onder meer op de inenting tegen honden- en kattenziekte mogelijk wordt door een deugdelijke registratie en door de verplichting om de dieren vooraf te doen voorzien van een dierenpaspoort. Dat dierenpaspoort dient naast het signalement van het dier in ieder geval te bevatten het certificaat van inenting tegen honden- en kattenziekte, naast het certificaat van inenting tegen rabiës.
Feiten of omstandigheden zijn van algemene bekendheid als ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden deze te kennen of zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. Uit de hiervoor genoemde bronnen is mijns inziens duidelijk dat een hondenpaspoort strekt ten bewijze dat het dier is ingeënt en geïdentificeerd. De inentingen van honden geschieden gewoonlijk voor de zevende week. De klacht dat deze feiten niet van algemene bekendheid zijn gaat mijns inziens dus niet op.
Voorts wijs ik er op dat de stelling van de verdediging dat verdachte geen weet had van de valsheid der paspoorten, toch bepaald vreemd is te noemen. Honden die door verdachte en haar vader met een vals dierenpaspoort of een valse kopie daarvan zijn verkocht zijn gefokt op het bedrijf. In ieder geval geven de dierenpaspoorten de familie [van verdachte] als eerste eigenaar op. Zie bewijsmiddel 16, 29, 32. Als verdachte erop zou hebben vertrouwd dat deze documenten echt en onvervalst waren had zij dus ook zeker moeten weten dat haar puppy's door de dierenarts waren ingeënt, hetgeen nu juist niet het geval was.
Het middel faalt.
Het zesde middel klaagt dat het hof gebruik heeft gemaakt van een bewijsmiddel dat strijdig is met de bewezenverklaring van de feiten 2 subsidiair en 3 van parketnummer 01-875054-05. Het betreft bewijsmiddel 6, waarin verslag wordt gedaan van de bevindingen van de verbalisant die de administratie in de agenda van dierenarts [betrokkene 2] heeft bekeken. In die agenda is vermeld dat de dierenarts met grote regelmaat in de jaren 2003 en 2004 pups voor verdachte heeft geënt en aan haar boekjes/paspoorten heeft verstrekt.
Bewijsmiddel 14 houdt de verklaring in van iemand die op 23 september 2004 van verdachte een labrador pup met paspoort heeft gekocht, die alle inentingen zou hebben gehad maar toch aan Parvo-besmetting overleed. Volgens het EU-dierenpaspoort (bewijsmiddel 16) zou de pup op 11 september 2004 de nodige vaccinaties hebben gehad. Ook bewijsmiddel 17 houdt de verklaring in van een koper van een hond, te weten een beagle pup. Klaarblijkelijk is deze hond op 5 april 2004 gekocht. Volgens het dierenpaspoort zou het dier op 24 maart 2004 zijn gevaccineerd (bewijsmiddel 19). In bewijsmiddel 20 verklaart een koper dat zij op 28 november 2002 een golden retriever pup van verdachte heeft gekocht met een dierenpaspoort. Deze pup zou op 19 november 2002 zijn ingeënt (bewijsmiddel 21) maar is op 5 januari 2003 vanwege ziekte afgemaakt. Bewijsmiddel 22 houdt de verklaring in van iemand die op 25 oktober 2003 van de vader van verdachte een golden retriever heeft gekocht. Contact met dierenarts [betrokkene 2] leerde dat deze golden retriever pups zeker niet waren gevaccineerd. De hond bleek dan ook Parvo-positief te zijn. Bewijsmiddel 25 houdt ook weer een verklaring in van iemand die van verdachte en een labrador pup heeft gekocht waaraan van alles mankeerde. Ook deze pup ging vergezeld van het paspoort dat volgens een nadien onderzoekende dierenarts vals was. Bewijsmiddel 27 bevat de verklaring van een persoon die op 19 december 2004 een Maltezer leeuwtje heeft gekocht van de moeder van verdachte. Het beestje is op 23 december 2004 overleden als gevolg van een Parvovirusinfectie (bewijsmiddel 28). Bewijsmiddel 29 geeft de inhoud van het EU-hondenpaspoort voor dit dier weer. Daarin is vermeld dat het dier is gevaccineerd tegen Parvo. Op 19 november 2004 heeft degene die in bewijsmiddel 30 heeft verklaard, ook een Maltezer leeuwtje gekocht waarbij uiteindelijk een paspoort werd geleverd. Dit dier overleed op 27 november 2004 aan een Parvo-infectie (bewijsmiddel 31). Volgens het EU paspoort (bewijsmiddel 32) was dit dier ingeënt en ontwormd.
Een vergelijking van de data die genoemd zijn in deze bewijsmiddelen met de inhoud van de agenda-administratie van dierenarts [betrokkene 2], zoals opgenomen in bewijsmiddel 6, logenstraft de stelling in de toelichting op dit middel dat de betreffende honden wel waren ingeënt en voorzien van een hondenpaspoort. Dat laatste kan dan misschien wel waar zijn geweest, maar het hof heeft bewezenverklaard dat deze paspoorten valse gegevens hebben bevat en niet door dierenarts [betrokkene 2] zijn verstrekt. Uit deze administratie is op te maken dat inderdaad deze dierenarts honden heeft gevaccineerd maar dat dit niet de honden zijn geweest waarover de kopers hebben verklaard.
Het middel faalt.
Het zevende middel klaagt dat zich bij de behandeling in hoger beroep een schending van de redelijke termijn heeft voorgedaan.
Het hof heeft in zijn overwegingen over de op te leggen straf of maatregel vastgesteld dat zich in hoger beroep een schending van de redelijke termijn heeft voorgedaan en dat daarom de straf dient te worden verminderd. Daarom heeft het hof niet een voorwaardelijke geldboete van € 5000 maar een van € 4500 opgelegd.
Het voorgestelde middel heeft klaarblijkelijk de strekking om te betogen dat deze verlaging van de geldboete geen recht doet aan de schending van de redelijke termijn, maar ziet eraan voorbij dat het oordeel van de feitenrechter in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. De Hoge Raad kan alleen onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Dat laatste zal zich overigens niet licht voordoen omdat een dergelijk oordeel sterk verweven is met de waardering van feitelijke aard die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
Het middel faalt.
Ook het achtste middel klaagt over schending van de redelijke termijn, maar nu in de cassatiefase.
Tussen de datum van het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn 13 maanden verstreken en voorts zal het geding in cassatie niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep zijn afgerond.
Het cassatieberoep is ingesteld op 21 december 2010. De stukken zijn op 25 januari 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is dus met vijf maanden en vier dagen overschreden. Op het moment dat deze conclusie wordt genomen zijn bovendien sinds het instellen van het cassatieberoep al meer dan twee jaar verstreken, zodat ook uit dien hoofde de redelijke termijn is geschonden. De Hoge Raad zal de opgelegde straf naar de gebruikelijke maatstaf eigenhandig kunnen verminderen.
Alle middelen, behalve het achtste middel, falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het achtste middel is gegrond hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot gegrondverklaring van het achtste middel, tot een verlaging van de opgelegde straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden