ECLI:NL:PHR:2013:674

ECLI:NL:PHR:2013:674, Parket bij de Hoge Raad, 25-06-2013, 13/01098 U

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-06-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/01098 U
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2013:578
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Uitlevering. HR: 81.1 RO.

Uitspraak

14. Het derde middel luidt als volgt. Ik citeer:

“Ten onrechte wordt overwogen onder punt 7:

(…) De rechtbank is derhalve van oordeel dat is voldaan aan de in artikel 5 van de Uitleveringswet en artikel 2 van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de uitlevering in de weg staan.”

15. Het middel zelf bevat geen duidelijke klacht, maar uit de toelichting daarop maak ik op dat kennelijk wordt beoogd te klagen dat de rechtbank ten volle dient te onderzoeken of door uitlevering van de opgeëiste persoon sprake is van een dreigende schending van art. 3 EVRM respectievelijk art. 4 van het Handvest.

16. De bestreden uitspraak houdt onder 8 het volgende in:

Schending van art. 3 EVRM

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard, nu de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen in de Verenigde Staten zou zijn gefolterd.

De opgeëiste persoon heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de Verenigde Staten is gehoord door de FBI omdat hij verdacht werd van het telefonisch bedreigen van president George W. Bush. Bij deze verhoren zou hij naar eigen zeggen psychisch zijn gefolterd.

In het kader van voornoemde verdenking heeft één doorzoeking van dé woning van de opgeëiste persoon plaatsgevonden. Bij deze doorzoeking, zijn onder meer de documenten aangetroffen die hebben geleid tot het strafrechtelijke onderzoek en veroordeling waarin thans om uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht.

De rechtbank merkt op dat, indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, de verzochte uitlevering door de rechter ontoelaatbaar dient te worden verklaard in verband met schending van het bepaalde in artikel 3 EVRM en artikel 3 VN-Folteringsverdrag (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533, HR 17 december 1996, NJ 1997, 534 en HR 21 maart 2000, NJ 2000, 540).

De rechtbank is, gezien voornoemde verklaring van de opgeëiste persoon, van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat hij in verband met de zaak waarvoor thans zijn uitlevering wordt gevraagd - te weten zorgfraude en niet voornoemde bedreiging - door de functionarissen van de verzoekende straat is gefolterd. Voornoemd verweer wordt daarom verworpen.”

17. Voor zover het middel voorts beoogt te klagen dat de rechtbank niet heeft onderzocht of sprake is van een dreigende schending van art. 3 EVRM, miskent de steller van het middel dat de rechtbank daar gelet op de hiervoor onder 16 weergegeven overweging juist wél op in is gegaan. De toets van artikel 4 Handvest is geen andere. Het middel faalt mitsdien in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag.

18. Het middel faalt in al haar onderdelen.

19. Het vierde middel klaagt zoals blijkt uit de toelichting daarop over de samengevatte weergave door de rechtbank van het door de verdediging gevoerde verweer, voor zover inhoudende dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering nu wordt gevraagd, door functionarissen in de Verenigde Staten zou zijn gefolterd (onderstreping steller van het middel). Gesteld wordt dat niet sprake is geweest van veronderstelde foltering van de opgeëiste persoon, maar van foltering. Daartoe verwijst de steller van het middel naar de asielbeslissing van de staatssecretaris van Justitie van 8 oktober 2009, waaruit volgt dat de opgeëiste persoon als verdragsvluchteling dient te worden beschouwd zodat hij daardoor ingevolge het in art. 33 van het Vluchtelingenverdrag verankerde beginsel van het verbod op refoulement beschermd wordt tegen gedwongen terugkeer naar de Verenigde Staten. Door het relaas van de opgeëiste persoon marginaal te toetsen en diens verweer samengevat weer te geven dat hij “gefolterd zou zijn” – terwijl uit de asielbeslissing van de staatssecretaris van Justitie van 8 oktober 2009 blijkt dat de opgeëiste persoon heeft verbleven in een land (te weten de Verenigde Staten), waarvan aannemelijk is gemaakt dat dat land die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt – heeft de rechtbank volgens de steller van het middel de artikelen 3 EVRM en de 1 juncto 4 juncto 19, tweede lid, van het Handvest geschonden.

20. Uit de aan het proces-verbaal van de zitting gehechte pleitaantekeningen blijkt dat de raadsman van de opgeëiste persoon een beroep heeft gedaan op de asielbeslissing van de staatssecretaris van Justitie van 8 oktober 2009 en de daaruit voortvloeiende schendingen van het Handvest.

21. De rechtbank heeft ten aanzien van een mogelijke schending van art. 3 EVRM geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor thans zijn uitlevering wordt gevraagd – te weten zorgfraude en dus niet bedreiging – door de functionarissen van de verzoekende straat is gefolterd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Dat de rechtbank daarbij het verweer van de raadsman van de opgeëiste persoon samengevat heeft weergegeven als dat de opgeëiste persoon “gefolterd zou zijn” en niet dat hij “gefolterd is”, doet niet af aan de begrijpelijkheid van de overweging van de rechtbank.

22. De rechtbank heeft voorts het door de verdediging gedane beroep op bescherming vanwege zijn asielstatus opgevat als een beroep op schending van het in art. 33 van het Vluchtelingenverdrag verankerde beginsel van non-refoulement. Daaromtrent heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Strijd met het non-refoulementbeginsel

De raadsman heeft gesteld dat de opgeëiste persoon in Nederland de status van verdragsvluchteling heeft en op grond van het in art. 33 Vluchtelingenverdrag verankerde non-refoulementbeginsel niet mag worden teruggestuurd naar de Verenigde Staten.

Uit jurisprudentie (HR 13 januari 1987, NJ 1987, 835, m.nt. Swart en HR d.d. 29 mei 2012, nr. S 09/01712U) volgt dat het feit dat een persoon onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag valt, voor de uitleveringsrechter geen grond kan bieden de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

Artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag heeft geen betrekking op de procedure inzake de toelaatbaarverklaring van uitlevering. Een beoordeling van een beroep op artikel 33 Vluchtelingenverdrag is aan de Minister van Justitie voorbehouden.

Voornoemd verweer dient dan ook te worden verworpen.”

23. Aldus is de rechtbank wel degelijk ingegaan op de thans in cassatie gestelde asielbeslissing van de staatssecretaris van justitie van 8 oktober 2009 en een eventuele daaruit voortvloeiende schending van art. 33 van het Vluchtelingenverdrag. Het oordeel van de rechtbank dat een beoordeling van een beroep op artikel 33 Vluchtelingenverdrag aan de minister van Justitie is voorbehouden is onjuist noch onbegrijpelijk. De klacht dat de rechtbank aldus de asielbeslissing van de staatssecretaris van Justitie van 8 oktober 2009 van onwaarde heeft verklaard en zijn beslissing in de plaats daarvan heeft gesteld, waardoor er sprake is van schending van art. 3 EVRM, faalt mitsdien.

24. Het middel faalt in al haar onderdelen.

25. Beoordeling van het vijfde en het zesde middel

26. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in artikel 437 Sv. Als dergelijke middelen kunnen alleen gelden stellige en duidelijke klachten over schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuimen van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De klacht dient dus een voldoende nauwkeurige omschrijving te bevatten van de rechtsregel die is geschonden, of het vormvoorschrift dat verzuimd zou zijn, en van de omstandigheden die op deze rechtsschending of dit vormverzuim wijzen, en dient dus uit zichzelf begrijpelijk te zijn, zonder dat daarvoor andere stukken geraadpleegd behoeven te worden.

27. In beide 'middelen' heb ik evenwel niet kunnen ontwaren of, en zo ja, welke en op welke gronden, de rechtbank vormen zou hebben verzuimd dan wel het recht zou hebben geschonden. Ik ben dan ook van mening dat deze als vijfde en zesde middel aangeduide klachten geen middelen van cassatie in de zin van de wet zijn.

28. Het zevende middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het door de verdediging gevoerde verweer dat de opgeëiste persoon door de functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd. Geklaagd wordt dat de, ik citeer: ‘hele behandeling door de rechtbank Midden-Nederland’ in strijd is met art. 3 EVRM respectievelijk 4 juncto art. 19, tweede lid, van het Handvest. Voorts klaagt het middel erover dat de rechtbank ‘als doekje voor het bloeden’ in de bestreden uitspraak het advies heeft opgenomen om aan Amerikaanse autoriteiten een terugkeergarantie naar Nederland te vragen, dit terwijl de opgeëiste persoon bij uitlevering aan de Verenigde Staten zal worden blootgesteld aan vormen van, ik citeer wederom, ‘machinaties en vormen van terreur’.

29. Voor zover het middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het door de verdediging gedane beroep op het ‘folterverbod’, faalt het eveneens op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van het derde en het vierde middel. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de terugkeergarantie het volgende overwogen:

“Terugkeergarantie

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon na het uitzitten van zijn gevangenisstraf door de Verenigde Staten zal worden uitgezet naar Iran. In dit land zou zijn leven gevaar lopen. Zolang er geen garantie wordt gegeven inhoudende dat hij na zijn detentie ten spoedigste zal worden teruggeleverd aan Nederland, dient de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar te worden verklaard, aldus de raadsman.

De rechtbank zal voornoemd verweer verwerpen. De beslissing over de vraag of de uitlevering van een opgeëiste persoon bij gebreke van een terugkeergarantie behoort te worden geweigerd, is voorbehouden aan de Minister van Justitie. De rechtbank geeft de Minister van Justitie in overweging aan de Verenigde Staten garanties te vragen om uit te sluiten dat de opgeëiste persoon na zijn detentie door de Verenigde Staten zal worden uitgezet naar Iran en na detentie terugkeer naar Nederland te verzekeren.”

30. Ik stel voorop dat op grond van art. 31, eerste lid, Uitleveringswet beroep in cassatie slechts openstaat tegen de uitspraak van de rechtbank betreffende het verzoek tot uitlevering en niet tegen de inhoud van het advies van de uitleveringsrechter aan de minister. Het is niet aan de uitleveringsrechter om van de verzoekende staat garanties te verlangen met het oog op de strafprocedure die daar tegen de opgeëiste persoon nog zal worden gevoerd. De rechtbank heeft het gevoerde verweer derhalve terecht verworpen, zodat ook het laatste middel faalt.

31. De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

32. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?