“Partiële vrijspraak
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (Venezuela)
Het onder het vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde, voor zover dat ziet op het leveren van een schip en/of bemanning ten behoeve van het vervoer van de cocaïne, en het onder het laatste gedachtestreepje ten laste gelegde (betreffende de aanbetaling aan [betrokkene 1]) is niet wettig en overtuigend bewezen.
Op zichzelf blijkt wel uit de verklaring die getuige [betrokkene 1] op 20 september 2010 tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd, dat verdachte een schip wilde regelen om vanuit Zuid-Amerika tussen de 2500 en 3500 kg cocaïne te vervoeren naar Nederland. Ook blijkt uit deze verklaring dat [betrokkene 1] als aanbetaling een bedrag van 236.000 euro heeft ontvangen ten behoeve van dat transport.
Nu echter [betrokkene 1] slechts spreekt over één transport, welk transport niet is doorgegaan omdat hij werd gearresteerd, is het zeer waarschijnlijk dat de getuige doelt op het transport waarop de zaak Jamaica betrekking heeft, nu [betrokkene 1] en zijn vader [betrokkene 2] in dat transport een belangrijke rol hebben gespeeld. Niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] ook betrokken was bij het transport waarop de zaak Venezuela betrekking heeft.
Nu de verdachten in de zaak Venezuela gesproken hebben over verschillende dekladingen, waaronder groenten in blik (tapgesprek d.d. 1 mei 2006 te 19.28, telecomnr. [001] (inkomend), proces-verbaal nr. Z118005/URZ.)
- ladingen die gezien de aard en het volume van inhoud en verpakking naar het oordeel van het hof niet noodzakelijkerwijs per schip hoeven te worden vervoerd - en nu ook overigens uit de voorhanden bewijsmiddelen de desbetreffende onderdelen van de tenlastelegging niet kunnen worden afgeleid, dient de verdachte van deze onderdelen te worden vrijgesproken.”
Als bewijsmiddel 103 inzake het onder 1 bewezen verklaarde (zaak Venezuela) heeft het Hof een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de Rechtbank te Rotterdam van 20 september 2010 gebezigd, voor zover inhoudende als de op die dag door middel van een videoverbinding tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
“Ik heb [betrokkene 3] ontmoet in Nederland in 2006 samen met zijn zakenpartner. Ik kende [betrokkene 3] ook al daarvoor. Ik deed transporten voor vrienden in Colombia die [betrokkene 3] ook kenden. Van hen kreeg ik te horen dat het goed zou zijn om eens met hem te praten.
De gesprekken die ik met [betrokkene 3] heb gehad gingen over het regelen van een schip voor een transport van tussen de 2.500 en 3.500 kilo cocaïne naar Nederland. In die gesprekken zei [betrokkene 3] tegen mij dat hij contacten had in Zuid-Amerika en dat de cocaïne voor de kust van Columbia of Venezuela zou worden opgehaald. Het is juist dat ik heb verklaard dat [betrokkene 4] een tussenpersoon was tussen mij en [betrokkene 3]. [betrokkene 4] was een soort loopjongen voor [betrokkene 3]. Ik weet dat [betrokkene 3] naar Venezuela is gereisd om de eigenaar van de cocaïne te informeren over het plannen van het transport. Ik weet dat omdat [betrokkene 3] mij heeft gebeld vanuit Venezuela en mij telkens van de ontwikkelingen op de hoogte hield.
Ik heb [verdachte] in Nederland ontmoet. [betrokkene 3] heeft mij verteld dat hij zijn zakenpartner was. In Nederland hebben wij de details van het transport verder afgesproken. Er is toen ook expliciet over de manier gesproken waarop de cocaïne naar Nederland zou worden getransporteerd. We hebben verschillende dekladingen besproken.”
De bijlage bij het arrest (p.57) bevat, voor zover van belang, de volgende bewijsoverweging van het Hof:
“Invoer van cocaïne in Nederland
Het hof acht bewezen dat de voorbereidingshandelingen strekten tot de invoer van één of meer partijen cocaïne in Nederland en heeft daarbij op de volgende feiten en omstandigheden acht geslagen.
Gezien het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien stelt het hof vast dat de hierboven weergegeven voorbereidingshandelingen kennelijk betrekking hebben op de leverantie van goederen waarvoor een deklading benodigd is en waarover veelal versluierd wordt gesproken. De goederen moeten vanuit Venezuela geleverd worden aan betrouwbare Hollandse bedrijven. Ook is er blijkens een handgeschreven notitie die is aangetroffen in de woning van [betrokkene 5] sprake van een dubbele bodem. Dat het gaat om de invoer van cocaïne in Nederland volgt verder uit de bovenstaande getuigenverklaring van [betrokkene 1].
Dat nagelaten is om de vier containers met schroot die op 4 juni 2006 arriveren te bekijken doet aan het voorgaande niet aan af.”
Verzoeker is door het Openbaar Ministerie in verband gebracht met verschillende drugstransporten, respectievelijk aangeduid als de zaak “Venezuela” (feit 1), de zaak “Papyrus” (feit 2) en de zaak “Select” (feit 3). Blijkens de overweging van het Hof onder het hoofd “Partiële vrijspraak” is er ook een zaak “Jamaica”, waarin de getuige [betrokkene 1] kennelijk een belangrijke rol heeft gespeeld.
Het middel klaagt terecht dat het tot het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde bezigen van (een gedeelte van) de verklaring die de getuige [betrokkene 1] op 20 september 2010 tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd, in strijd is met de hierboven onder 9 weergegeven overweging van het Hof met betrekking tot deze door de getuige [betrokkene 1] afgelegde verklaring. Het Hof heeft in die overweging immers – kort gezegd – geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] (behalve bij het transport waarop de zaak Jamaica betrekking heeft) ook betrokken was bij het transport waarop de zaak Venezuela ziet, en dat [betrokkene 1] in zijn tot het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde gebezigde verklaring (uitgebreid) verklaart over een transport van 2500 – 3500 kilo cocaïne naar Nederland waarmee hij zeer waarschijnlijk doelt op de zaak Jamaica.
Anders dan de Hoge Raad in bijvoorbeeld zijn arrest van 12 maart 2002, LJN AD8906 oordeelde, kan het er in de onderhavige zaak niet voor worden gehouden dat dit bewijsmiddel als gevolg van een misslag in de bijlage is opgenomen en derhalve niet aan de bewijsbeslissing van het Hof ten grondslag zou liggen. Het Hof heeft immers in de hiervoor onder 11 opgenomen bewijsoverweging betreffende de invoer van cocaïne expliciet verwezen naar de als bewijsmiddel 103 opgenomen getuigenverklaring van [betrokkene 1] ter onderbouwing van zijn oordeel dat de voorbereidingshandelingen strekten tot de invoer van één of meer partijen cocaïne in Nederland. Voorts meen ik dat in de overige 102 bewijsmiddelen inzake het onder 1 bewezen verklaarde (zaak Venezuela) geen bewijs gevonden kan worden voor het oordeel van het Hof dat bewezen is dat de voorbereidingshandelingen strekten tot de invoer van één of meer partijen cocaïne in Nederland. Weliswaar blijkt uit de bewijsmiddelen 92 en 93 inzake het onder 1 bewezen verklaarde dat [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij van [betrokkene 7], een medeverdachte van verzoeker, een opdracht had gekregen om dakbedekking in Venezuela te bestellen, kennelijk bedoeld als ‘deklading’, en dat hij [betrokkene 8] (een “maat” van hem) zou waarschuwen als hij wist dat het om een cocaïnetransport zou gaan, maar dát hij die [betrokkene 8] ook heeft gewaarschuwd of anderszins wist dat het daadwerkelijk om cocaïne ging, blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Uit de als bewijsmiddel 92 gebezigde verklaring van [betrokkene 6] blijkt in dit verband niet meer dan dat hij tegen [betrokkene 7] heeft gezegd, na ontvangst van de factuur voor de dakbedekking, “dat het niet eerlijk was, dat deze bestelling niet was waarvoor het te doen was” en dat hij er verder niets meer mee te maken wilde hebben. Met weglating van de als bewijsmiddel 103 gebezigde verklaring van [betrokkene 1] zou het onder 1 bewezen verklaarde dan ook in zoverre onvoldoende met redenen zijn omkleed.
Het middel is terecht voorgesteld.
Nu het eerste middel slaagt, meen ik dat het tweede middel, dat eveneens met een bewijsklacht tegen het onder 1 bewezen verklaarde opkomt, geen bespreking behoeft. Mocht Uw Raad daar anders over denken, dan ben ik gaarne bereid tot een aanvullende conclusie in dat verband.
Het derde middel klaagt dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat verzoeker (dan wel één van zijn mededaders) op 18 oktober 2006 ongeveer 20,45 kilogram cocaïne heeft verkocht, zoals onder 3 is bewezen verklaard, zodat deze bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Aan verzoeker is onder 3 ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 18 oktober 2006 te Rotterdam en/of te Spijkenisse en/of te Schiedam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20,45 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (Zaak Select).”
Daarvan heeft het Hof bewezen verklaard dat:
“hij op 18 oktober 2006 te Rotterdam en te Spijkenisse tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en verstrekt en vervoerd, ongeveer 20,45 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
Deze bewezenverklaring steunt op de in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in de bewezenverklaring onderscheiden alternatieven mag openlaten wanneer de alternatieven strafrechtelijk en in het bijzonder voor de kwalificatie niet van belang zijn. Elk van die alternatieven zal dan wel door bewijsmiddelen dienen te worden ondersteund.
Door geen keuze te maken uit de tenlastegelegde feitelijke handelingen – verkopen dan wel afleveren, verstrekken en vervoeren - heeft het Hof geen onduidelijkheid doen ontstaan met betrekking tot de kwalificatie van het ten laste van verzoeker onder 3 bewezenverklaarde feit.
Het middel komt, als gezegd, op tegen de bewezenverklaring voor zover deze de verkoop van ongeveer 20,45 kilogram cocaïne betreft.
Ik zal niet de inhoud van alle door het Hof gebezigde bewijsmiddelen weergeven. Dat het om een hoeveelheid van ongeveer 20,45 kilogram cocaïne ging wordt op zichzelf niet door de steller van het middel bestreden. Terecht, want uit de bewijsmiddelen 1 t/m 4 volgt dat op 18 oktober 2006 te Rotterdam in een personenauto zijn aangehouden de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en dat in deze personenauto een rode sporttas, met daarin 150 plakken cocaïne (in drie partijen van respectievelijk 50, 40 en 60 plakken verdeeld), met een totaalgewicht van 20,45 kilogram, werd aangetroffen.
Waar het de steller van het middel om gaat is dat uit de bewijsmiddelen niet van de verkoop van deze hoeveelheid zou blijken.
Dit standpunt deel ik niet. Ik ben van mening dat ook het bewezenverklaarde “heeft verkocht” uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid. Zo blijkt, voor zover hier van belang, uit de bewijsmiddelen onder meer het volgende. Op 18 oktober 2006 heeft [medeverdachte 1] de rode sporttas op een parkeerterrein van een hotel in Spijkenisse van verzoeker overgedragen gekregen, waaraan gesprekken met verzoeker en medeverdachte [medeverdachte 3] voorafgingen (bewijsmiddelen 5, 6, 7 en 8). [medeverdachte 1] verklaart dat de vierde keer dat [verdachte] (verzoeker, EH) hem vroeg of hij het transport wilde doen daags voor zijn aanhouding, dus op 17 oktober 2006, bij het Sint Franciscus Gasthuis was en dat [medeverdachte 3] ([medeverdachte 3], EH) daar bij was, die aan hem, [medeverdachte 1], vroeg: “ga je het nou doen of niet?” (bewijsmiddel 5). Later op de dag spreekt [medeverdachte 1] medeverdachte [medeverdachte 3] op het kantoor van [C] over de hoogte van de vergoeding die [medeverdachte 1] zal krijgen voor het transport, in welk verband [medeverdachte 3] zegt dat [medeverdachte 1] daarvoor bij [verdachte] moet zijn (bewijsmiddel 5). [medeverdachte 1] kent [medeverdachte 3] van [C] (bewijsmiddel 5) en herkent verzoeker en [medeverdachte 3] op aan hem getoonde foto’s (bewijsmiddelen 7 en 8). Uit onderzoek naar de onder [medeverdachte 1] aangetroffen GSM-telefoon blijkt onder de opgeslagen contacten de 06-nummers van [verdachte] en [medeverdachte 3] te staan (bewijsmiddel 12). In een telefoongesprek op 17 oktober 2006 vraagt [medeverdachte 1] aan verzoeker of hij een pakket met sportschoenen kan krijgen en dat hij een grote nodig heeft, en zegt [medeverdachte 1] tegen verzoeker dat hij alles heeft kunnen doorschuiven naar morgenochtend (bewijsmiddel 19). In een telefoongesprek van 18 oktober 2006 met verzoeker bevestigt [medeverdachte 1] dat hij die dag een heel pakket met schoenendozen nodig heeft en spreken hij en verzoeker af bij het hotel in Spijkenisse (bewijsmiddel 20). In een telefoongesprek tussen verzoeker en [medeverdachte 3] op 18 oktober 2006 vraagt [medeverdachte 3] of het geregeld is, waarop verzoeker bevestigend antwoordt (bewijsmiddel 21).
Het voorgaande vindt steun in de politie-observaties (bewijsmiddelen 9 en 10). Op 17 oktober 2006 wordt geobserveerd dat medeverdachte [medeverdachte 3] in zijn Mercedes wegrijdt, verzoeker oppikt en naar het parkeerterrein van het Sint Franciscus Gasthuis te Rotterdam rijdt, en dat verzoeker daar contact maakt met een onbekende man met Hindoestaans uiterlijk (bewijsmiddel 9). Deze NN-man is [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 5). Op 18 oktober 2006 wordt vanaf 13.25 uur de gang van zaken geobserveerd en uiteindelijk gezien dat verzoeker de rode sporttas uit de kofferruimte van zijn auto pakt en neerzet in de kofferbak van de auto van NN1 en NN2 ([medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]).
Tegen deze achtergrond dienen de bewijsmiddelen 14 t/m 17 te worden geplaatst. Deze bewijsmiddelen houden het volgende in:
“14. Een geschrift, zijnde een niet-ondertekend proces-verbaal van het regionaal Taktisch Rechercheteam, d.d. 15 oktober 2006 als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal nr. Z118005. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- (p. 83):
Als uitwerking van een achtergrondgesprek tussen [verdachte] (stemherkenning) en [medeverdachte 3] (stemherkenning), opgevangen tijdens een op telecom nr. [002] afgeluisterd telefoongesprek d.d. 14 oktober 2006 te 11.52 uur:
[medeverdachte 3]: kijk, [verdachte], weet je wat het is,... als het langzaam verkoopt, dan zeg ik....tegen 30 ruggen, en dan reken ik dat gewoon... dan geef ik ze gewoon al die plakken mee,...
Het algemeen proces-verbaal zaak Select d.d. 17 november 2006 van de Dienst Nationale Recherche, nr.Z118005 opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p.6):
Opmerking verbalisanten bij het opgevangen achtergrondgesprek dat op 14 oktober 2006 omstreeks 11.52 is gevoerd tussen [verdachte] en [medeverdachte 3]: Later zou blijken dat de in beslag genomen hoeveelheid cocaïne verpakt was in dunne plakken.
Tevens is ambtshalve bekend dat 30 ruggen (30.000 euro) een gebruikelijke tussenhandelprijs is voor een kilo cocaïne.
Een geschrift, zijnde een niet-ondertekend proces-verbaal van het regionaal Taktisch Rechercheteam, d.d. 15 oktober 2006 als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal nr. Z118005. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- (p. 85):
Als uitwerking van een op telecom nr. [002] afgeluisterd telefoongesprek d.d. 14 oktober 2006 te 13.05 uur:
[verdachte] wordt gebeld door NN-man die gebruik maakt van telefoonnummer [003]. Op de achtergrond bij [verdachte] is [medeverdachte 3] hoorbaar die in het Engels zegt:
Because we make the business to..and .... 500 pieces...25 24000.
Een geschrift, zijnde een niet-ondertekend proces-verbaal van het regionaal Taktisch Rechercheteam, d.d. 17 oktober 2006 als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal nr. Z118005. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- (p. 97):
Als uitwerking van een op telecom nr. [002] afgeluisterd telefoongesprek d.d. 16 oktober 2006 te 14.27 uur:
Kruidenier wordt gebeld door NN-man die gebruik maakt van telefoonnummer [003]. Er is een achtergrondgesprek hoorbaar tussen [verdachte] (stemherkenning) en [medeverdachte 3] (stemherkenning) waarbij [verdachte] zegt:
Hij heb er een nieuwe vent voor.... Of je een monster kan leveren.
Op de achtergrond bij [verdachte] is [medeverdachte 3] hoorbaar die in het Engels zegt:
Because we make the business to..and .... 500 pieces...25 24000.”
Anders dan de steller van het middel meen ik dat de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de bewijsmiddelen 14 t/m 17, redengevend zijn voor het bewezenverklaarde “heeft verkocht” (wat nog iets anders is dan het feitelijk afleveren aan de afnemer). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof dan ook uit het samenstellend beeld dat de bewijsmiddelen laten zien mede het tenlastegelegde “heeft verkocht” afgeleid.
Overigens ontgaat mij het belang van het middel. Als Uw Raad tot het oordeel komt dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat het in de tenlastelegging omschreven “heeft verkocht”, zoals is bewezen verklaard, zich heeft voorgedaan, dan kan, lijkt mij, aangenomen worden dat dit onderdeel van de tenlastelegging als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring is opgenomen. Ik merk daarbij op dat in de strafmotivering van het Hof niet (in zoveel woorden) over het verkopen wordt gesproken. Wel overweegt het Hof dat het in het bijzonder in aanmerking heeft genomen dat verzoeker samen met anderen een voor derden bestemde partij van ongeveer 20,45 kilogram cocaïne (kort gezegd) heeft vervoerd en afgeleverd. Uw Raad zou in dat geval de bewezenverklaring met herstel van deze misslag kunnen lezen. Aangezien, naar ik meen, in die lezing de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft de kennelijke vergissing van het Hof, zo daarvan sprake is, niet tot cassatie te leiden.
Het vierde middel klaagt dat de berechting van verzoeker in cassatie niet plaatsvindt binnen de redelijke termijn waarop verzoeker ex art. 6 EVRM aanspraak mag maken, nu tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad meer dan acht maanden is verstreken.
Verzoeker heeft op 1 juni 2011 cassatieberoep doen instellen. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel eerst op 10 september 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat sprake is van een overschrijding van de inzendtermijn van acht maanden met ruim zeven maanden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak doen. De redelijke termijn is dus ook in zoverre overschreden. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
Het middel kan echter onbesproken blijven indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen dan wel verwezen. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak aan de orde worden gesteld.
Het eerste en het vierde middel slagen. Het derde middel faalt. Het tweede middel is (vooralsnog) niet besproken.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde en de strafoplegging, tot terugwijzing naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG