“Onttrekking aan het verkeer
Het hierna te noemen in beslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Het behoort aan verdachte toe en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
(…)
BESLISSING
(…)
De in beslag genomen voorwerpen
Onttrekking aan het verkeer
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp onder nummer 2, te weten:
- Een Colt 9mm pistool”
Hoewel enige toelichting van het Hof aangaande zijn conclusie dat het pistool aan verzoeker toebehoort niet had misstaan, zie ik niet in wat het belang van verzoeker bij dit middel is.
Het middel faalt.
Het achtste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het beroep in cassatie is ingesteld op 23 maart 2011. De stukken van de zaak zijn blijkens een op de stukken geplaatst stempel ingekomen op 1 augustus 2012. De inzendtermijn van 8 maanden is derhalve ruimschoots overschreden. Ambtshalve merk ik op dat vanaf het instellen van het cassatieberoep thans meer dan twee jaar zijn verlopen, zodat ook in dat opzicht de redelijke termijn is geschonden. Wanneer de rechter die zich opnieuw in hoger beroep over de zaak zal moeten buigen tot een strafoplegging komt, zal deze met de schending van de redelijke termijn rekening dienen te houden.
Het eerste middel, het eerste gedeelte van de eerste klacht van het tweede middel, het derde middel en het zevende middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het tweede deel van de eerste klacht alsmede de tweede en de derde klacht in het tweede middel, het zesde middel en het achtste middel slagen.
Afsluitend merk ik ambtshalve het volgende op. Het vonnis van de Rechtbank Arnhem bevat naast een beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ook een beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 2] en [slachtoffer 3]. Zowel [betrokkene 2] als [slachtoffer 3] is door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Beide benadeelde partijen hebben te kennen gegeven hun vordering in hoger beroep te willen handhaven. Het arrest van het Hof houdt niet een beslissing in over de vorderingen van deze benadeelde partijen, zulks in strijd met de artikelen 335 en 361, vierde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG