“De bewijsminimumregel ten aanzien van getuigenbewijs
De raadsman heeft bij pleidooi aandacht gevraagd voor de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en hij heeft gesteld dat met betrekking tot
veel van de ten laste gelegde feiten niet aan het in deze regel vervatte vereiste is voldaan. Volgens deze bepaling kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
De Hoge Raad heeft het belang van deze bepaling bij herhaling onderstreept door te overwegen dat deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Een nadere invulling wordt door de Hoge Raad echter niet gegeven met de motivering dat de vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid allereerst, dat voldoende is dat de bewezenverklaring als geheel door meer dan één bewijsmiddel wordt geschraagd, waaronder dient te worden verstaan dat er, buiten de getuigenverklaring een tweede onafhankelijke bewijsgrond bestaat. Deze tweede bewijsgrond kan direct inhoudelijk betrekking hebben op één of meer onderdelen van de tenlastelegging, maar dit is niet noodzakelijk. Ingeval van een meer indirect verband tussen de eerste en de tweede bewijsgrond wordt de deugdelijkheid van de bewijsconstructie bepaald door de motivering die de rechter ervoor heeft gegeven. Een verklaring van een getuige waarin deze uitsluitend bevestigt hetgeen deze van de andere getuige heeft gehoord, kan zonder bijkomend bewijsmateriaal niet als zodanige tweede bewijsgrond gelden.
Voorts geldt de aan de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontleende eis dat de directe betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit in voldoende mate dient te blijken uit een andere bron ingeval de verdachte de getuige die belastend heeft verklaard niet heeft kunnen ondervragen.
In het licht van deze rechtspraak zal het hof bij de beoordeling van ondersteunende verklaringen op hun bruikbaarheid telkens toetsen hetzij of er sprake is van bevestiging van significante elementen uit de belastende getuigenverklaring dan wel of er sprake is van onmiskenbaar unieke of authentieke elementen, waardoor de geloofwaardigheid van de getuige, op wier verklaring het bewijs in aanmerkelijke mate steunt, buiten redelijke twijfel kan staan.
De aard van de ten laste gelegde feiten en de besloten relationele context waarin dit type misdrijven doorgaans wordt gepleegd brengen met zich dat aanvullend bewijs regelmatig bestaat in ondersteunende verklaringen, die zijn gebaseerd op mededelingen die de betrokken aangeefsters of slachtoffers over de feiten of over de verdachte ten overstaan van derden hebben gedaan. Het hof zal telkens hebben te beoordelen of de getuigen nader hebben verklaard over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zij wetenschap hebben gekregen van de informatie, of hun weergave daarvan aannemelijk is en of hieraan een oordeel valt te ontlenen over de betrouwbaarheid.
Bruikbaarheid van getuigenverklaringen in het licht van hun totstandkoming
Het onder de naam Judo verrichte onderzoek heeft een eigen, karakteristieke dynamiek gehad. Nadat de verdachten waren aangehouden zijn de getuigen zowel gericht als via algemene publiciteit opgeroepen om een verklaring af te leggen dan wel aangifte te doen.
Via zeer uiteenlopende trajecten zijn vervolgens de verklaringen tot stand gekomen. Zo hebben sommige getuigen het gelaten bij oriënterende gesprekken met de politie, waarvan de inhoud is neergelegd in processen-verbaal van bevindingen. In andere gevallen zijn in een aantal stappen verklaringen opgenomen, waarvan een deel in een later stadium uitmondde in een aangifte. Enkele vrouwen hebben tijdens de opsporingsfase in het geheel niet willen verklaren. Zij hebben pas bij de rechter-commissaris, bij wie zij verplicht waren te verschijnen, een verklaring afgelegd.
In die gevallen waarin vrouwen meer verklaringen hebben afgelegd, vertonen de verklaringen soms verschillen. Deze bevinden zich soms op, overigens niet minder relevant, detailniveau.
Daarnaast doen zich ook meer fundamentele verschillen voor, met name tussen de verklaringen
afgelegd bij de politie en die zijn afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. Veelal is tussen de momenten van opnemen van deze verklaringen een periode van ongeveer een jaar gelegen. Hierbij is bij de onderscheiden getuigen zowel het patroon dat een eerder afgelegde belastende verklaring wordt ingetrokken bij de rechter-commissaris, als het patroon dat eerst bij de rechter-commissaris belastend wordt verklaard zichtbaar.
Gelet op deze omstandigheden en naar aanleiding van verzoeken van de verdediging heeft het hof enkele getuigen ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals gehoord.
Het hof overweegt dat de enkele omstandigheid dat een getuige wisselend heeft verklaard onvoldoende is om van gebruik van de verklaring voor het bewijs af te zien. De wisselingen kunnen veelal, mede op basis van de toelichting die de vrouwen zelf geven voor de wijzigingen, worden begrepen in het licht van hetgeen is gebleken omtrent hun persoon en/of hun relatie met de verdachte.
Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat de belastende verklaring gereed ligt voor gebruik voor het bewijs. De verklaringen dienen door het hof met behoedzaamheid te worden beoordeeld en er dienen, zonder dat hiervoor een algemeen criterium kan worden gegeven, substantiële eisen te worden gesteld aan de bewijskracht van het steunbewijs.
Afzonderlijke vermelding behoeven de verklaringen van getuigen die expliciet en bij herhaling hebben gezegd dat zij door de verdachte niet zijn uitgebuit, terwijl het dossier verschillende aanwijzingen bevat dat hiervan wel sprake is geweest en de advocaat-generaal op die grond ten aanzien van de betrokken getuige een bewezenverklaring heeft gevorderd.
Tegen de achtergrond van hetgeen eerder is overwogen over de relationele context van de ten laste gelegde feiten en over het beoordelingskader hiervoor zal het hof als vertrekpunt hanteren dat niet te snel kan worden aangenomen dat het niet anders kan zijn dan dat die getuige in strijd met de waarheid heeft verklaard. Andere, zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zullen in zo’n geval voldoende duidelijkheid moeten bieden over het ten laste gelegde feit. Aan deze eis is niet voldaan als de bewijswaarde van de gepresenteerde bewijsmiddelen gelegen is op de ondergrens van de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, Sv. De verklaring van de getuige dat zich ten aanzien van haar persoon geen uitbuiting heeft voorgedaan dient, met andere woorden, in aanzienlijke mate met bewijsmiddelen waaruit het tegendeel blijkt te worden gecompenseerd.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4
Met inachtneming van hetgeen hiervoor in algemene zin is overwogen omtrent de aard van de tenlastegelegde feiten en de aan het bewijs te stellen eisen, overweegt het hof met betrekking tot de in de feiten 1, 2, 3 en 4 genoemde vrouwen - ieder afzonderlijk - het navolgende.
(…)
Met betrekking tot [slachtoffer 1]
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor de onder de feiten 2 en 3 ten aanzien van [slachtoffer 1] tenlastegelegde gedragingen. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring ten aanzien van de ten aanzien van [slachtoffer 1] ten laste gelegde gedragingen.
De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit, dat de verdachte van hetgeen hem met betrekking tot [slachtoffer 1] ten laste is gelegd zal worden vrijgesproken. Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat op grond van de inhoud van de in het voorbereidend onderzoek door [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen moet worden geconcludeerd dat deze op grond van de onbetrouwbaarheid daarvan niet voor de bewijslevering in aanmerking dienen te komen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat haar relaas naar zijn inhoud onwaarschijnlijk is en op onderdelen in strijd is met de door haar moeder afgelegde verklaringen, terwijl het voorhanden steunbewijs feitelijk slechts de auditu-verklaringen betreft die ook inhoudelijk, vanwege hun algemene karakter, niet bruikbaar zijn voor het bewijs.
Het hof overweegt met betrekking tot de op [slachtoffer 1] toegespitste feiten het volgende.
[slachtoffer 1] heeft, als getuige gehoord door de rechter-commissaris op 25 juni 2009, kort gezegd verklaard dat zij een relatie met de verdachte heeft gehad en door hem in de prostitutie terecht is gekomen. Zij heeft verklaard dat zij op zeventienjarige leeftijd met de verdachte het ouderlijk huis heeft verlaten en dat zij diezelfde avond in Arnhem als prostituee is gaan werken. De verdachte heeft [slachtoffer 1] naar Arnhem gebracht waar al een kamer voor haar geregeld was. De verdachte heeft haar gezegd dat zij moest werken in de prostitutie. Haar verdiensten legde [slachtoffer 1] neer en het werd door de verdachte gepakt. De huur van de kamer verliep via de verdachte. [slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat zij, voordat zij 18 jaar was, heeft gewerkt op een vals paspoort op naam van [betrokkene 1]. Dit paspoort had zij van de verdachte gekregen. Toen zij 19 jaar oud was, is [slachtoffer 1] bij de verdachte weggegaan en is zij naar haar moeder, die toen op vakantie was in Turkije, gegaan. [slachtoffer 1] was bang dat de verdachte haar weer zou ophalen en dat zij weer in het prostitutieleven moest terugkeren. [slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat zij, nadat zij de verdachte had verlaten, hem is tegengekomen en dat zij toen voor hem in een drogisterij is gevlucht.
Het hof overweegt in de eerste plaats dat [slachtoffer 1] tegenover de rechter-commissaris een consistente en duidelijke verklaring heeft afgelegd, waarbij zij niet de indruk wekt de verdachte in een, vanuit haar perspectief onnodig, kwaad daglicht te willen stellen. Het hof baseert dit op de omstandigheid dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de operatief aangebrachte borstvergroting en het aanbrengen van de tatoeages het gevolg van louter haar eigen beslissingen waren, dat de verdachte haar nooit zwaar heeft mishandeld en dat hij niet heeft gezegd dat hij “haar tieten er af zou snijden”.
Het hof overweegt voorts dat bovenstaande verklaring, anders dan de verdediging heeft betoogd, op essentiële punten steun vindt in andere verklaringen en bevindingen.
De verdachte heeft zelf bij herhaling verklaard dat zijn eerste vriendin [slachtoffer 1] was en dat deze in de prostitutie werkte.
De moeder van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar dochter in 2000 de ouderlijke woning heeft verlaten en met de verdachte ging wonen. Zij had het vermoeden dat [slachtoffer 1] als prostituee aan het werk was gezet door de verdachte en zij heeft daarvan melding gemaakt bij de politie. In 2003, toen [slachtoffer 1 haar] moeder op vakantie was in Turkije, stond haar dochter [slachtoffer 1] plotseling voor de deur en deze vertelde huilend dat zij bij de verdachte weg was en dat zij niet eerder weg was gegaan omdat hij haar had bedreigd dat hij haar familie wat aan zou doen. Van een nichtje hoorde [betrokkene 2] dat haar dochter enige tijd daarna de verdachte was tegengekomen en bij een drogisterij naar binnen was gevlucht. Het hof merkt naar aanleiding van de stelling van de raadsman, inhoudende dat de moeder van [slachtoffer 1] eerst in 2008 deze verklaring heeft afgelegd
op, dat uit het dossier blijkt dat zij reeds in 2001 en 2003 gelijkluidende verklaringen tegenover de politie heeft afgelegd. Het hof merkt voorts op, dat waar de raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en haar moeder omtrent “de eerste werkdag” tegenstrijdig zijn, in de eerste plaats niet zonder meer vaststaat dat beiden over dezelfde dag verklaren en in de tweede plaats dat die tegenstrijdigheid - gelet op het feit dat deze betrekking heeft op verklaringen over een gebeurtenis die 8 á 9 jaren voordien heeft plaatsgevonden - onvoldoende is om aan de betrouwbaarheid van één van beide verklaringen twijfel te moeten hechten.
In het dossier bevindt zich een geschrift, te weten een uidraai van een proces-verbaal van 2 mei 2001, waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] op l mei 2001 - toen zij 17 jaar was, derhalve - achter het raam in Amsterdam is aangetroffen in het bezit van een vervalst paspoort ten name van[betrokkene 1].
Genoemde [betrokkene 1] heeft als getuige een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Zij heeft verklaard dat zij voor de verdachte in de prostitutie heeft gewerkt en dat zij erachter kwam dat de verdachte haar paspoort aan [slachtoffer 1] had gegeven. Zij heeft voorts bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] haar verteld had dat zij een drogisterij was binnengevlucht omdat de verdachte er aan kwam. Hoewel uit de verklaringen moet worden afgeleid dat deze gebeurtenis heeft plaats gevonden na de ten laste gelegde periode, ziet het hof hierin een aanwijzing dat de relatie het karakter heeft gehad zoals [slachtoffer 1] daarover heeft verklaard.
Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat er voldoende ondersteunend bewijs is voor de verklaring van [slachtoffer 1]. Nu het hof ook overigens geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen, acht het wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte met betrekking tot [slachtoffer 1] ten laste is gelegd, zoals hierna bewezen zal worden verklaard.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 3 primair in feite volledig zijn gebaseerd op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1], nu de bewijsmiddelen 3, 4, 5 en 6 de auditu-verklaringen betreffen, terwijl overigens onvoldoende steunbewijs voorhanden is.
Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor dat het Hof in een nadere bewijsoverweging gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom het van oordeel is dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, en dat zodoende is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv.
Uit de nadere bewijsoverweging, gelezen in samenhang met de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, kan worden afgeleid dat verschillende onderdelen van de door aangeefster [slachtoffer 1] afgelegde verklaring steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voor wat betreft het onder feit 2 bewezenverklaarde – dat betrekking heeft op de periode dat [slachtoffer 1] minderjarig was - vindt de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij als zeventienjarige op een vals paspoort, te weten een paspoort op naam van [betrokkene 1], in Amsterdam als prostituee werkte steun in de verklaring van [betrokkene 1], inhoudende dat zij haar paspoort enkele dagen kwijt was en erachter was gekomen dat verzoeker haar paspoort aan [slachtoffer 1] (ik begrijp: [slachtoffer 1], EH) had gegeven, en voorts dat zij een paar jaar later van een vriendin hoorde dat die vriendin een kopie van haar paspoort (met een andere foto) had gezien, en dat [betrokkene 1] vermoedt dat haar paspoort lang door een ander is gebruikt (bewijsmiddel 4). Dat aangeefster [slachtoffer 1] op dit valse paspoort heeft gewerkt wordt ondersteund door een afdruk van een proces-verbaal, inhoudende dat op 1 mei 2001 – derhalve toen [slachtoffer 1] 17 jaar oud was - tijdens een controle in een raambordeel te Amsterdam door [slachtoffer 1] een paspoort op naam van [betrokkene 1] (waarvan de kleuren van de ondergrondbedrukking alsmede de beveiligingskenmerken van de personaliapagina niet overeenkwamen met de originele kleuren en beveiligingskenmerken van paspoorten van het betreffende model) aan de zedencontroleur werd overgelegd (bewijsmiddel 7). Voorts komt de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij (een gedeelte van) het door haar als prostituee verdiende geld aan verzoeker moest afstaan overeen met de verklaring van [betrokkene 1], inhoudende dat zij erachter was gekomen/wist dat [slachtoffer 1] – evenals zijzelf (bewijsmiddel 4) - geld aan verzoeker moest afstaan (bewijsmiddel 5). Ook de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij een relatie met verzoeker had gedurende de periode dat zij in de prostitutie werkzaam was, vindt steun in de verklaring van verzoeker, inhoudende dat zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] (ik begrijp: [slachtoffer 1], EH) in de prostitutie zat toen hij een relatie met haar had (bewijsmiddel 14). Ten slotte merk ik op dat het tijdstip waarop [slachtoffer 1] het ouderlijk huis heeft verlaten om samen met verzoeker te wonen, bevestiging vindt in de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 3). In het licht van het voorgaande geeft het oordeel van het Hof dat er ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit voldoende ondersteunend bewijs is voor de verklaring van [slachtoffer 1], niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
Voor wat betreft het onder feit 3 primair bewezenverklaarde feit wijs ik, naast de hiervoor genoemde omstandigheden dat [slachtoffer 1] haar geld aan verzoeker moest afstaan en gedurende haar prostitutietijd een relatie met verzoeker had, op de omstandigheid dat de verklaring van [slachtoffer 1] over het tijdstip waarop zij bij verzoeker is weggegaan en naar Turkije is gevlogen (augustus 2003), steun vindt in de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1], inhoudende dat haar dochter in de zomer van 2003 plotseling op haar vakantieadres in Turkije voor de deur stond en huilend vertelde dat ze weg was bij verzoeker (bewijsmiddelen 3 en 6). Ook vindt de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij bang was dat verzoeker haar zou ophalen en dat zij weer in het prostitutieleven moest terugkeren, steun in de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1], inhoudende dat verzoeker niet pikte dat [slachtoffer 1] bij hem weg was en hij haar door middel van bedreiging en intimidatie probeerde terug te krijgen (bewijsmiddel 6). Verder merk ik op dat het Hof in verband met de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1], voor zover betrekking hebbende op de druk die verzoeker in de bewezenverklaarde periode op de aangeefster heeft uitgeoefend, acht heeft kunnen slaan op het na de bewezenverklaarde periode plaatsgevonden hebbend incident dat [slachtoffer 1] toen zij verzoeker op straat zag samen met haar nichtje een drogisterij is ingevlucht (bewijsmiddelen 3 en 5). Gelet op al deze omstandigheden getuigt het oordeel van het Hof dat er met betrekking tot het onder feit 3 primair bewezenverklaarde feit voldoende ondersteunend bewijs is voor de verklaring van [slachtoffer 1], niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
Het vijfde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 4 ontoereikend is gemotiveerd, nu het Hof deze uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2]. Voorts houdt het middel de klacht in dat de omstandigheid dat verzoeker [slachtoffer 2] heeft geslagen niet uit de bewijsvoering kan volgen.
Ten laste van verzoeker is onder 4 bewezen verklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 7 oktober 2005 tot en met 1 januari 2008
te Amsterdam en/of te Haarlem en/of te Utrecht en/of elders in Nederland, een ander, te weten
[slachtoffer 2] ,
door geweld en één of meer andere feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,
heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 2],
en
[slachtoffer 2] met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen,
en
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2]
en
[slachtoffer 2] met een van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [slachtoffer 2] met een derde,
bestaande dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat voordeel trekken hierin dat hij, verdachte,
- een relatie met [slachtoffer 2] heeft onderhouden, en
- [slachtoffer 2] de indruk heeft gegeven dat als zij bij hem, verdachte wilde blijven zij prostitutiewerkzaamheden moest verrichten, en
- [slachtoffer 2] onderdak heeft verschaft door haar in zijn, verdachtes woning te laten verblijven), en
- [slachtoffer 2] heeft meegenomen naar de rosse buurt in Antwerpen en [slachtoffer 2] daar wegwijs heeft gemaakt in de prostitutie, en in de prostitutie heeft gebracht, en
- [slachtoffer 2] naar haar werk in de prostitutie heeft gebracht, en
- [slachtoffer 2] (telkens) heeft verboden met haar zus om te gaan, en/of
- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden door [slachtoffer 2] heeft laten afstaan aan hem, verdachte, en
- nadat [slachtoffer 2] had aangegeven dat zij wilde stoppen met de prostitutiewerkzaamheden hij [slachtoffer 2] heeft geslagen, en
- [slachtoffer 2] heeft gedwongen om hem, verdachte, € 20.000,- te geven om van hem af te komen en zichzelf vrij te kopen, en
- [slachtoffer 2] heeft verboden prostitutiewerkzaamheden te verrichten in Amsterdam en Utrecht, als zij niet meer voor hem, verdachte, zou werken,”
Aan deze bewezenverklaring liggen de navolgende bewijsmiddelen ten grondslag:
“8.
De verklaring van de getuige [slachtoffer 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ken [verdachte] sinds 4 á 5 jaar. Ik kende hem van horen zeggen nog eerder, maar toen was dat niet persoonlijk. Ik kwam met [verdachte] in contact via een vriend van mij. Vervolgens kregen we vrij snel een relatie. Deze heeft twee jaar geduurd met een keer een onderbreking van een maand. De relatie is nu beëindigd.
Een dag na mijn 19e verjaardag (het hof begrijpt: 7 oktober 2005) ben ik begonnen met mijn werk in de prostitutie in Antwerpen. [verdachte] had voorgesteld dat ik dit werk zou gaan doen. Hij zei dat als ik bij hem wilde zijn, ik dit werk voor hem moest doen. Anders zou het over zijn. Dit voorstel deed hij nadat wij een aantal maanden een relatie hadden. Ik was verbaasd over deze vraag. We zijn hierna een tijdje uit elkaar geweest. Ik voelde toen hoe het was om zonder hem te zijn. Na twee weken zocht hij weer contact. We zijn toen weer bij elkaar gekomen en ik ben voor hem gaan werken. Ik heb hiermee ingestemd om mee te kunnen gaan in zijn leven.
Ik wilde gewoon bij [verdachte] zijn, ik was verliefd op hem. Dan maar met dat leven. Ik had er nooit uit mezelf aan gedacht om dit werk te gaan doen.
Ik heb twee weken in Antwerpen gewerkt. Elke dag gingen [verdachte] en ik in zijn auto heen en weer vanuit Rotterdam naar Antwerpen.
De eerste paar dagen gebeurde er niets met het geld dat ik had verdiend. Na een paar dagen zei hij: “geef het geld maar aan mij”. Ik wist eigenlijk wel dat het niet goed was dat ik het geld aan hem gaf, maar toch deed ik het. We hebben hier nooit over gesproken. Zodra ik sindsdien in de auto stapte, gaf ik hem het geld en gingen we naar huis.
Om bij hem weg te mogen moest ik hem 20.000,- euro betalen.
9.
Een proces-verbaal, opgemaakt door mr. O.P.G. Vos, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 juli 2009 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 2]:
Ik wilde weg. We kwamen uit op de afkoopsom van 20.000 euro. Dan mocht ik niet werken in Amsterdam en Utrecht.
10.
Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2008085327 van 12 maart 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 2000048 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 februari 2009 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 2]:
V: Dus vanuit België ben je in Amsterdam gaan werken en ben je gaan samenwonen?
Ja na drie maanden werk ben ik gaan samenwonen in Beverwijk. (p. 2000053)
V: Je hebt op oudejaarsavond (het hof begrijpt: van 2007) besloten om bij hem weg te gaan.
Nee op 1 januari. Hij moest kiezen op 1 januari, zij of ik. Dat maandje dat we geprobeerd hadden met haar er bij, ging niet.
V: Hoe lang heb je een relatie gehad of is hij je pooier geweest?
Twee jaar en twee maanden. Vanaf mijn negentiende verjaardag. (p. 2000062)
V: Hoe was je relatie met je zus [betrokkene 4] tijdens je relatie met [verdachte]?
Niet. Hij heeft me wel van haar weggehouden. Hij wilde niet dat ik met mijn zus omging. Ik kwam ook helemaal niet meer thuis vooral in de beginfase in Beverwijk. Toen ben ik stiekem van klanten gaan bellen naar mijn zusje. Ik kwam een bekende tegen toen ik op de wallen werkte. Het kon me niet schelen dat die me zag. Als hij mijn zusje maar kon regelen. Dan kon ik haar bellen. (p. 2000064)
11.
Een proces-verbaal met nummer 2008 085327 van 12 maart 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 2000025 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 12 maart 2009 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 5]:
Ik weet dat [slachtoffer 2] gedwongen werkzaam was als prostituee. Zij heeft me dat verteld toen ik bij haar was in de kamer van een ander meisje die ook op het Zandpad (het hof begrijpt: prostitutiegebied in Utrecht) werkte.
We zaten in die kamer omdat [slachtoffer 2] overstuur was. Ze zei dat ze knettergek werd en het allemaal niet meer aankon. Dat ze bij hem (het hof begrijpt: de verdachte) weg wilde gaan maar niet durfde.
Uiteindelijk heeft [verdachte] haar gezegd dat ze bij hem weg mocht gaan maar dan moest ze hem wel een geldbedrag betalen. Ik dacht dat ze het over 10.000 euro had. [slachtoffer 2] heeft mij dit allemaal verteld. Ze zei ook dat ze het werk als prostitutie niet meer mocht doen van [verdachte] als ze bij hem wegging. En al helemaal niet in Utrecht.
Nou ze heeft wel veel verdiend denk ik. Ze had het erg druk altijd. Maar het geld wat ze verdiende moest ze allemaal afdragen aan [verdachte]. Dat heeft ze me verteld. Ze nam het geld mee naar huis waar ze het bij [verdachte] in moest leveren.
12.
Een geschrift zijnde een faxbericht van de Federale Politie te Antwerpen (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 2000001).
Dit bericht houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[verdachte] werd op 07-10-2005 omstreeks 1800 uur – 1830 uur gecontroleerd te Antwerpen, Falconplein, toen hij samen met zijn ‘vriendin’ naar de rosse buurt wandelde, teneinde daar een vitrine te huren waar ze zich kon prostitueren.
‘vriendin’ betrof: [slachtoffer 2] (06/10/86) – die verklaarde toen wel dat ze het werk vrijwillig deed – ze werd op 15-10-2005 dan ook in een vitrine op het Schipperskwartier aangetroffen.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2008085327 van 20 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina 3000001 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 november 2008 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:
V: Maar [slachtoffer 2] zegt dat jij in die periode van haar geld hebt geleefd, ze zei dat jij geen inkomsten had in die periode.
A: Ja maar zij heeft ook van mijn geld geleefd. Ze wist echt wel dat ik gewoon inkomsten had. We hebben toen gewoon samen geleefd.
14.
Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2008085327 van 20 november 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10] (zaaksdossier “[slachtoffer 2]”, dossierpagina’s 3000001 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 20 november 2008 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:
V: Heb jij ex vriendinnen die toen jij een relatie met hun had in de prostitutie zaten?
A: Ja
V: Wie dan?
A: Ja, [slachtoffer 1], daar hebben jullie al een foto van laten zien en [slachtoffer 2], verder weet ik niet.”
Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
“Met betrekking tot [slachtoffer 2]
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor de onder feit 4 ten aanzien van [slachtoffer 2] ten laste gelegde gedragingen. De advocaat-generaal heeft dienaangaande gerekwireerd tot bewezenverklaring ten aanzien van [slachtoffer 2]. De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit dat de verdachte van hetgeen hem met betrekking tot [slachtoffer 2] ten laste is gelegd, zal worden vrijgesproken. Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat [slachtoffer 2] als een normale mondige Nederlandse prostituee had te gelden en dat zij vrijwillig in de prostitutie is gaan werken. Van dwang of misleiding door de verdachte was geen sprake. Het is onverantwoord de verklaringen van de getuige [betrokkene 5] te gebruiken voor het bewijs, niet alleen omdat hij geen betrouwbare getuige is, maar ook omdat de bron van zijn informatie [slachtoffer 2] zelf is.
Het hof overweegt met betrekking tot [slachtoffer 2] het volgende.
[slachtoffer 2] heeft in de loop van het onderzoek meer verklaringen afgelegd. Van verhoren bij de politie op respectievelijk 18 en 20 november 2008 zijn processen-verbaal van bevindingen opgemaakt. Ook van een verhoor als getuige op 26 februari 2009 is door verbalisanten een uitgebreid - niet door de getuige ondertekend - proces-verbaal opgemaakt. [slachtoffer 2] heeft vervolgens op 9 juli 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris als getuige een verklaring afgelegd. Tenslotte heeft zij als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011 een verklaring afgelegd. Haar verklaringen vormen naar hun inhoud een bevestiging van het eerder door het hof vastgestelde algemene beeld van de onderlinge relaties en de gevolgen daarvan voor de houding van de betrokkenen tijdens het onderzoek. [slachtoffer 2] wenst geen aangifte te doen tegen de verdachte; zij wil wel, zoals zij zegt, haar verhaal doen. Ook bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij weliswaar zowel tegenover de politie als de rechter-commissaris steeds naar waarheid heeft verklaard, maar dat zij haar verklaring niet wenst te ondertekenen omdat het dan net een aangifte lijkt en dat zij geen aangifte wil doen.
Het hof overweegt dat [slachtoffer 2] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep uitgebreid heeft verklaard en dat haar bij die gelegenheid afgelegde verklaring in grote lijnen, doch tevens op essentiële details, gelijkluidend was aan hetgeen zij eerder tegenover de politie en de rechter-commissaris had verklaard. Ook overweegt het hof dat [slachtoffer 2] ter terechtzitting in hoger beroep niet de indruk heeft gewekt dat zij de verdachte ‘zwart wilde maken’. Integendeel, zij heeft ook verklaard dat zij met hem een goede tijd heeft gehad en dat zij ook zichzelf kwalijk neemt een aandeel te hebben gehad in de gang van zaken tijdens haar relatie met de verdachte. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] maakt het hof onder meer het volgende op. Zij heeft een relatie gehad met de verdachte. Eén dag na haar 19e verjaardag is zij op voorstel van de verdachte gaan werken in de prostitutie in Antwerpen. De verdachte had haar gezegd dat zij dit moest doen als zij bij hem wilde blijven en dat de relatie anders beëindigd zou zijn. Omdat [slachtoffer 2] verliefd was, heeft zij met het voorstel ingestemd. De verdachte bracht haar naar Antwerpen. Al snel nadat [slachtoffer 2] in de prostitutie was begonnen gaf zij het verdiende geld aan de verdachte. Toen zij op enig moment tegen de verdachte zei dat zij met het werk wilde stoppen, heeft hij haar geslagen. Later, toen zij bij de verdachte is weggegaan, moest zij € 20.000 aan hem betalen als afkoopsom. Zij mocht dan niet meer werken in Amsterdam en Utrecht.
De inhoud van de verklaringen van [slachtoffer 2] vinden op essentiële en specifieke punten steun in overige bewijsmiddelen. In de eerste plaats bevestigt de verdachte zelf dat hij een relatie met [slachtoffer 2] heeft gehad en dat zij in de prostitutie werkte. Voorts bevindt zich in het dossier een faxbericht van de Belgische Federale politie, waaruit blijkt dat de verdachte en [slachtoffer 2] op 7 oktober 2005 - één dag na de 19e verjaardag van [slachtoffer 2] - zijn gecontroleerd nabij de rosse buurt te Antwerpen. De getuige [betrokkene 5] heeft op 12 maart 2009 bij de politie verklaard dat hij van [slachtoffer 2] heeft gehoord dat ze gedwongen werkzaam was in de prostitutie. Hij heeft verklaard dat zij overstuur was toen ze dat vertelde. Ook heeft hij verklaard van [slachtoffer 2] te hebben gehoord dat ze een groot geldbedrag aan de verdachte moest betalen als zij bij hem weg zou gaan en dat ze dan het werk als prostituee niet meer mocht doen en al helemaal niet in Utrecht.
Het hof overweegt dat het, anders dan de verdediging, de verklaringen van de getuige [betrokkene 5] bruikbaar acht voor het bewijs. Dat deze getuige werkzaam is bij de Sociale Werkvoorziening en door [slachtoffer 2] zelf, kennelijk vanwege het vertekende beeld dat hij in haar ogen van hun relatie had, als “gek” wordt aangemerkt, is geen reden om zijn verklaringen, gelet op de samenhang die deze zowel elk op zichzelf als in hun onderlinge verband vertonen, terzijde te schuiven. [slachtoffer 2] bevestigt immers wel degelijk dat zij regelmatig met hem heeft gesproken en hem bijvoorbeeld ook privé-filmpjes op haar mobiele telefoon heeft laten zien. Ook overweegt het hof dat [betrokkene 5] - hoewel hij zich volgorde en tijdstippen van gebeurtenissen niet altijd goed wist te herinneren - bij de raadsheer-commissaris bij zijn tegenover de politie afgelegde verklaring is gebleven.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar en geloofwaardig zijn en in voldoende mate steun vinden in overige bewijsmiddelen. Het hof overweegt dat - anders dan de verdediging heeft aangevoerd - uit die verklaringen volgt dat [slachtoffer 2], voor zover het de tenlastegelegde periode betreft niet een “gewone mondige Nederlandse prostituee was” -de kennelijk aan de wetsgeschiedenis en jurisprudentie ontleende “maatvrouw” die vrijwillig werkzaam was in de prostitutie. De verdachte heeft, terwijl [slachtoffer 2] verliefd op hem was, aan een relatie met hem de voorwaarde verbonden dat zij in de prostitutie zal werken. Reeds daardoor heeft hij haar keuzevrijheid beperkt. Vervolgens heeft hij haar, door haar te slaan en door een afkoopsom te eisen, gedurende geruime tijd belet, althans belemmerd om richting te geven aan het werk, het daarmee stoppen daaronder mede begrepen.
Het voorgaande leidt er toe dat het hof bewezen acht hetgeen de verdachte onder feit 4 ten aanzien van [slachtoffer 2] ten laste is gelegd, zoals hierna bewezen zal worden verklaard.”
In de toelichting op het middel wordt allereerst aangevoerd dat de kern van het bewezenverklaarde feit volledig is gebaseerd op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2], aangezien aan het enige inhoudelijke steunbewijs (te weten de verklaring van [betrokkene 5]) geen zelfstandige betekenis toekomt nu dit een de auditu-verklaring uit dezelfde bron betreft.
Het Hof heeft ook ten aanzien van dit feit in een nadere bewijsoverweging uiteengezet waarom het van oordeel is dat de verklaringen van [slachtoffer 2] op essentiële en specifieke punten steun vinden in andere bewijsmiddelen, en dat zodoende is voldaan aan het voorschrift van art. 342, tweede lid, Sv. Uit deze nadere bewijsoverweging, bezien in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen, kan worden afgeleid dat deze verklaringen op een drietal punten worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Zo stemt het onderdeel van de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij gedurende haar prostitutiewerk een relatie had met verzoeker overeen met de verklaring van verzoeker dat zijn ex-vriendin [slachtoffer 2] (ik begrijp: [slachtoffer 2], EH) in de prostitutie zat toen hij een relatie met haar had (bewijsmiddel 14). De verklaring van [slachtoffer 2] dat zij op 7 oktober 2005 in Antwerpen is begonnen met prostitutiewerkzaamheden en daar twee weken heeft gewerkt, vindt steun in een faxbericht van de Federale Politie te Antwerpen, inhoudend dat verzoeker op 7 oktober 2005 samen met aangeefster naar de rosse buurt wandelde om een vitrine te huren waar aangeefster zich kon prostitueren, en dat aangeefster op 15 oktober 2005 in een vitrine op het Schipperskwartier werd aangetroffen (bewijsmiddel 12). De verklaring van [slachtoffer 2] dat zij haar verdiende geld aan verzoeker afstond komt overeen met de instemmende verklaring van verzoeker dat hij in de periode dat hij en [slachtoffer 2] een relatie hadden van haar verdiende geld heeft geleefd (bewijsmiddel 13), en ook met de verklaring van Agterberg dat aangeefster hem verteld had dat ze haar verdiende geld aan verzoeker moest afstaan (bewijsmiddel 11). Voorts heeft getuige [betrokkene 5] verklaard dat [slachtoffer 2] hem overstuur heeft verteld dat ze het allemaal niet meer aankon en bij verzoeker weg wilde, maar dit niet durfde (bewijsmiddel 11). Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het Hof dat de bewijsconstructie aangaande het onder 4 tenlastegelegde feit niet alleen steunt op hetgeen aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard, maar ook op ander zelfstandig bewijsmateriaal, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
De klacht dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat verzoeker [slachtoffer 2] zou hebben geslagen, ziet eraan voorbij dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011 de verklaring van getuige [slachtoffer 2] inhoudt dat zij, toen zij verzoeker vertelde dat het haar allemaal teveel werd, vanuit het niets harde klappen van hem kreeg en hij haar drie keer met zijn vuist tegen de zij- en/of achterkant van haar hoofd heeft geslagen. Het Hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging onmiskenbaar het oog gehad op deze verklaring.
Het middel faalt in beide onderdelen.
Behoudens het derde middel kunnen de voorgestelde middelen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG