ECLI:NL:PHR:2013:828

ECLI:NL:PHR:2013:828, Parket bij de Hoge Raad, 18-06-2013, 11/04097

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 18-06-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11/04097
Rechtsgebied Internationaal publiekrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2013:779
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

1. Voorwaardelijk opzet bij poging tot zware mishandeling. 2. Vordering b.p., rechtstreekse schade. Ad 1. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR ECLI BI4736. Het Hof heeft een opgenomen bm redengevend geacht voor het bewijs van het voorwaardelijk opzet van verdachte t.a.v. het eerste incident en daaruit klaarblijkelijk afgeleid dat de mogelijkheid is blijven bestaan dat verdachte ‘per ongeluk’ op de verbalisant is ingereden. Het oordeel dat t.a.v. het eerste incident sprake is van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling - waarbij verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat hij de motoragent zou raken en dat deze daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen - valt niet te verenigen met die opengebleven mogelijkheid. De bewezenverklaring, vzv. behelzende dat verdachte t.a.v. het eerste incident (voorwaardelijk) opzettelijk heeft gehandeld, kan dan ook niet uit de gebezigde bewijsvoering volgen. Ad 2. Het Hof heeft kennelijk aangenomen dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het bestaan van zodanig verband in gevallen als deze niet is uitgesloten (vgl. HR ECLI ZD0985) en door of namens verdachte in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de b.p. en dus ook niet is betwist dat i.c. dit verband aanwezig was. Conclusie AG: anders m.b.t. de b.p.

Uitspraak

Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen zal ik eerst de bewezenverklaring en ’s Hofs bewijsoverwegingen weergeven voor zover die voor de beoordeling van de middelen van belang zijn.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

1.

hij op 06 november 2009 te Soest, tezamen en in vereniging met een anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 2] (politieambtenaar te Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - meerdere goederen en/of voorwerpen (bouwmaterialen/stenen) vanuit een rijdende auto in de richting van [betrokkene 2] (die op een motor reed) hebben gegooid, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2 primair

hij op 06 november 2009 te Soest, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [betrokkene 2] (politieambtenaar te Utrecht) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere keren met een auto met aanmerkelijke snelheid op [betrokkene 2] is ingereden zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3 subsidiair

hij in de periode van 5 november 2009 tot en met 6 november 2009 te Amsterdam en/of te Utrecht, een personenauto (Fiat Uno Selecta U9) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde het voorhanden krijgen van voornoemde auto redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:

Overwegingen

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof hecht geen geloof aan de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte, behalve voor zover verdachte heeft verklaard dat hij op 6 november 2009 te Soest een personenauto van het merk Fiat Uno heeft bestuurd.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast, waarbij voor het grootste gedeelte de overwegingen van de rechtbank worden overgenomen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Verbalisant [betrokkene 2] was op 6 november 2009 werkzaam als motoragent. Hij was gekleed in uniform en reed op een opvallende politiemotor. Rond 21.30 uur zag hij te Soest een auto op zich afkomen. De auto had een kapotte koplamp. Op het moment dat de auto [betrokkene 2] passeerde zag hij dat er drie of vier personen in de auto zaten en dat de bestuurder een wit petje op had. Vanwege de kapotte koplamp heeft [betrokkene 2] zijn motor gekeerd en is achter de auto aangereden om de bestuurder een stopteken te geven. De bestuurder negeerde dit stopteken en verhoogde zijn snelheid. [betrokkene 2] is vervolgens achter de auto aangereden. Tijdens de achtervolging zag [betrokkene 2] dat de ramen van de auto werden open gedraaid en dat er goederen uit de auto werden gegooid in zijn richting. [betrokkene 2] reed op dat moment kort achter de auto met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur. Toen de auto bij een middengeleider op de Koningsweg aankwam werd er hard geremd, kennelijk met de bedoeling om de auto te keren en aan de andere kant van de middengeleider weer terug te rijden. Omdat de auto de bocht niet in een keer kon maken moest hij een keer extra steken. [betrokkene 2] is toen om de auto heen gereden en er voor gaan staan. De bestuurder van de auto was inmiddels vier a vijf meter achteruit gereden en reed vervolgens recht op [betrokkene 2] af. Door direct gas te geven en weg te rijden kon [betrokkene 2] een aanrijding voorkomen. De auto reed daarna via een rotonde een doodlopende weg in. [betrokkene 2] bleef in de buurt van de rotonde wachten tot de auto zou terugkeren. Toen de auto terug kwam rijden zag [betrokkene 2] dat de auto recht op hem af reed, terwijl hij op geen enkele manier de weg voor de auto blokkeerde. [betrokkene 2] moest opnieuw wegrijden om een aanrijding te voorkomen. [betrokkene 2] is vervolgens weer achter de auto aangereden totdat hij de auto stil ziet staan. Hij ziet drie jongens een bedrijventerrein op rennen. Hij weet één van deze jongens aan te houden. Vervolgens treft hij op de weg waarop hij de auto heeft achtervolgd een tweetal stenen midden op de weg aan. Bij de reconstructie van de beide pogingen tot aanrijding van [betrokkene 2] is geconcludeerd dat de auto [betrokkene 2] bij het eerste incident ongeveer met een snelheid van 18 kilometer per uur zou hebben aangereden indien hij niet was uitgeweken en bij het tweede incident met een snelheid van ongeveer 34 kilometer per uur. Voorts is geconcludeerd dat het bij het eerste incident mogelijk is dat de bestuurder, door het ontbreken van stuurbekrachtiging en door het zeer hard en abrupt gas geven, per ongeluk op de motorrijder is ingereden en daarnaast is het mogelijk dat de bestuurder per ongeluk het in de auto gemonteerde tweede gaspedaal (links naast de rem) bediend heeft, terwijl hij de koppeling wilde bedienen. Ten aanzien van het tweede incident wordt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geconcludeerd dat de bestuurder opzettelijk op [betrokkene 2] is ingereden, omdat het dynamisch rijgedrag van het voertuig tijdens de rijproeven zodanig was dat dit slechts kon duiden op een bewuste stuurbeweging in de richting van de parallelweg (de plaats waar [betrokkene 2] stond). Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 november 2009 met drie andere jongens in de auto gereden heeft en dat hij de auto (vóór de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten) bestuurd heeft. Verdachte heeft voorts verklaard dat de bestuurder van de auto tot tweemaal toe recht op de motoragent is afgereden. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat de andere inzittenden, toen de politieagent hen achtervolgde, stenen uit het raam van de auto gooiden. De andere drie jongens in de auto droegen volgens verdachte donker gekleurde petjes en hijzelf droeg een wit petje. In de auto werd door verbalisanten een stuk speksteen aangetroffen, soortgelijk aan de stenen waannee naar [betrokkene 2] is gegooid.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij in Amsterdam Noord is ingestapt in een auto met hem onbekende inzittenden, dat hij direct is bedreigd met een vuurwapen en dat hij na een stukje rijden gedwongen is om de auto te besturen. Verdachte heeft voorts verklaard dat, hoewel hij niet in het bezit is van een rijbewijs, hij onder dwang de auto heeft bestuurd tot aan de afrit Volendam en dat daar een van de andere inzittenden de auto is gaan besturen.

Het hof hecht - behalve voor zover de verdachte heeft verklaard dat ook hij de auto bestuurd heeft - geen waarde aan de verklaring van verdachte, aangezien het hof de door verdachte geschetste gang van zaken ongeloofwaardig acht en deze verklaring op geen enkele wijze nader onderbouwd is. Naar het oordeel van het hof voegt ook de verklaring van de getuige [getuige] ter zitting van het hof niets toe aan de verklaring van verdachte.

Het hof stelt aan de hand van de verklaring van verdachte dat hij een wit petje en de overige inzittenden donkere petjes droegen in samenhang met de verklaring van [betrokkene 2] dat de bestuurder een wit petje droeg alsmede de verklaring van de verdachte dat ook hij de auto heeft bestuurd, dat verdachte de auto ook heeft bestuurd gedurende de achtervolging en de twee pogingen om [betrokkene 2] aan te rijden.

(…)

Het hof is van oordeel dat de inzittenden door het gooien van de bouwmaterialen/stenen zich hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [betrokkene 2] ten val zou komen en dat hij als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Nu vast staat dat de auto door verdachte is bestuurd, is - los van de vraag of verdachte zelf ook stenen heeft gegooid - naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de overige inzittenden. Verdachte was immers de bestuurder van de auto en uit zijn verklaring volgt dat hij wist dat de andere inzittenden stenen uit die auto wilden gooiden. Als bestuurder bepaalde verdachte de snelheid van de auto en daarmee de snelheid van de achtervolging door [betrokkene 2]. Die snelheid was bepalend voor de aanmerkelijke kans dat [betrokkene 2] tengevolge van een val zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte heeft zich niet gedistantieerd van het stenen gooien. Als bestuurder van de auto had hij de auto tot stilstand kunnen brengen om zodoende de achtervolging te beëindigen. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte zich - samen met anderen - schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof kwalificeert ook het met een auto inrijden op [betrokkene 2] als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gelet op de aard van het handelen van de verdachte, het van korte afstand inrijden op een persoon, en alle omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, zoals deze blijken uit de hiervoor weergeven beschrijving van de feiten en omstandigheden, is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk dat als de verdachte [betrokkene 2] had geraakt hij zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen. Ten aanzien van het eerste incident is, gelet op de uitkomsten van de reconstructie, naar het oordeel van het hof sprake van voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling. Het is niet vast te stellen of verdachte bewust of per ongeluk op de verbalisant inreed, maar door in de gegeven omstandigheden in een auto zonder stuurbekrachtiging zeer hard en abrupt gas te geven, heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij de motoragent zou raken en dat deze daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ten aanzien van het tweede incident stelt het hof vast dat, gelet op de uitkomsten van de reconstructie en de verklaring van [betrokkene 2], verdachte opzettelijk op [betrokkene 2] is ingereden.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

Tussen 5 november 2009 te 17.00 uur en 6 november 2009 te 10.00 uur is in Amsterdam de auto van [betrokkene 1], merk Fiat, type Uno Selecta U9, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], gestolen. De auto was voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Op 6 november 2009 rond 21.30 uur ziet de verbalisant [betrokkene 2] te Soest een Fiat met het kenteken [AA-00-BB] rijden. Uit het onderzoek en de onderliggende stukken, mede gelet op het tijdsverloop tussen het tijdstip van ontvreemding en het tijdstip waarop verdachte in die Fiat werd aangetroffen, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van die personenauto. Wel kan daaruit worden afgeleid dat verdachte op 6 november 2009 te Soest die auto voorhanden heeft gehad terwijl hij had moeten vermoeden dat het door een misdrijf verkregen auto betrof. Het hof leidt dat vermoeden van verdachte met name af uit de omstandigheid dat de Fiat na de achtervolging met een lopende motor is achtergelaten, terwijl er geen sleutel in het contact zat.”

De bewezenverklaring steunt voorts op bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkorte arrest zijn te vinden. Ik merk daarbij op dat het Hof onder die bewijsmiddelen een verklaring van de verdachte heeft opgenomen waaraan het blijkens zijn bewijsoverwegingen maar in zeer beperkte mate geloof heeft gehecht. De middelen klagen daarover echter niet.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?