1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 30 maart 2011 verzoeker wegens subsidiair “opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 84 uren, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 42 dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr. M. Mulder, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd doordat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de door [betrokkene 1] door middel van valsheid in geschrift verkregen uitkeringsgelden.
4. Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat:
“subsidiair:
in de periode vanaf 9 september 2005 tot en met 31 augustus 2006 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Amsterdam en de in die woning aanwezige voorzieningen, zoals gas/water/elektriciteit en levensmiddelen, terwijl hij wist dat deze voorzieningen en goederen geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [betrokkene 1] - met wie hij, verdachte, op bovenvermeld adres in gezinsverband samenwoonde - door valsheid in geschrift was verkregen, aldus heeft hij, verdachte, toen en daar opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel getrokken.”
5. Het Hof heeft in zijn arrest ten aanzien van het bewijs overwogen:
“Bewijsoverweging
De verdachte heeft in gezinsverband samengewoond met zijn (ex) vriendin [betrokkene 1], terwijl hij wist, dat de uitgaven voor levensonderhoud die zij in dit verband deden, geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering die door [betrokkene 1] was verkregen door valsheid in geschrift. De verdachte heeft op deze manier geprofiteerd van goederen die door het misdrijf van een ander waren verkregen.”
6. De in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen houden in:
1. Een proces-verbaal van verhoor van verzoeker van de Gemeente Amsterdam, Dienst Werk en Inkomen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar op 19 juli 2007:
“Ik woon sinds 17 mei 2005 op de [a-straat 1]. Ik ken [betrokkene 1] sinds een jaar of acht.
Uit onderzoek is gebleken, dat [betrokkene 1] veelvuldig bij u op de [a-straat 1] verbleef. Kunt u dat toelichten?
[betrokkene 1] was bang en daarom was ze vaak bij mij. Daarom was ze vaker bij mij thuis. Als ik daardoor als verdachte wordt aangemerkt, dan is het maar zo. We hebben samen een kind. Ze had een eigen bed bij mij thuis. [betrokkene 1] was er heel vaak, dat geef ik toe. [betrokkene 1] was bijna nooit op de [b-straat 1].
Wie doet de boodschappen?
Ze doet voor haar zelf boodschappen en soms haalt ze iets voor mij. Ik haal ook eten voor mijn kind.
Wie verzorgt u als u ziek bent?
[betrokkene 1]
Wie doet het huishouden?
[betrokkene 1]
Wat kunt u vertellen over de voorwaarden waaronder de uitkering van [betrokkene 1] werd verstrekt?
Ze heeft wel eens van die maandbriefjes van de Sociale Dienst bij mij thuis ingevuld.
Ik had veel schulden en die kon ik niet meer aan. Ik zit in de schuldsanering.
Wat zou de dienst Werk en Inkomen hebben gedaan als zij op de hoogte waren geweest van deze samenwoning?
Dan zouden ze de uitkering hebben beëindigd.
Waarom heeft u niet bij de Dienst Werk en Inkomen gemeld dat u samenwoonde met [betrokkene 1]?
Waarom wel? Als ik had geweten dat dit een rechtszaak zou worden, dan had ik het wel gemeld.”
2. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 1] van de Gemeente Amsterdam, Dienst Werk en Inkomen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar op 17 juli 2007:
“U staat sinds 21 november 2006 ingeschreven op het adres [a-straat 1] te Amsterdam. Met wie woont u daar?
Met [verdachte] en mijn kinderen [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Ik ken hem sinds ongeveer zeven jaar.
U stond van 9 augustus 2005 tot en met 21 november 2006 ingeschreven op het adres [b-straat 1] te Amsterdam. Met wie woonde u daar?
Ik woonde daar met [betrokkene 3].
Ik ontving een uitkering in de periode september 2005 tot september 2006. Ik was vaker op de [a-straat 1] dan op de [b-straat 1].
Wie betaalt de rekeningen?
[verdachte].
Wie doet de boodschappen?
Samen.
Wie doet het huishouden?
Ik en soms [verdachte].
Ik toon u de inkomstenverklaringen van 01/2005 tot en met 08/2005. Herkent u de handtekeningen?
Dat zijn mijn handtekeningen.
Ik toon u de inkomstenverklaringen 01/2006 tot en met 05/2006. Herkent u de handtekeningen?
Dat zijn mijn handtekeningen.
Waar heeft u de formulieren ingevuld en ondertekend?
Soms op de [b-straat 1] en soms bij [verdachte].
U heeft op de getoonde formulieren niet gemeld dat u feitelijk samenwoonde met [verdachte] op de [a-straat 1]. Waarom heeft u dat niet gemeld?
Ik wist niet dat het moest.
Waarom stond u dan niet gewoon bij [verdachte] ingeschreven en na de beëindiging van de uitkering wel?
Ik kreeg een baan. Ik had aan de Sociale Dienst gevraagd wat er zou gebeuren wanneer ik bij [verdachte] zou staan ingeschreven. Toen werd mij verteld, dat de uitkering beëindigd zou worden. Toen ik geen uitkering meer kreeg, kon ik me dus gewoon inschrijven bij [verdachte].
Wat zou er met uw uitkering zijn gebeurd als u deze inlichtingen wel had medegedeeld aan de DWI?
De eerste keer hebben ze de uitkering beëindigd, dus ik neem aan dat ze de tweede keer ook de uitkering zouden hebben beëindigd.”
3. Een proces-verbaal van relaas van uitkeringsfraude van de Gemeente Amsterdam, Dienst Werk en Inkomen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar op 14 augustus 2007.
7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verzoeker en [betrokkene 1] veelvuldig samen aan de [a-straat 1] te Amsterdam verbleven en dat verzoeker wist dat [betrokkene 1] een bijstandsuitkering ontving. Maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, die voorzieningen – gas/water/elektriciteit en levensmiddelen – geheel of gedeeltelijk werden betaald van de uitkering van [betrokkene 1], en evenmin dat verzoeker telkens wist dat die voorzieningen geheel of ten dele werden bekostigd met door valsheid in geschrift verkregen geld. Het enkele antwoord van verzoeker - op de vraag wie de boodschappen (feitelijk) doet -, dat [betrokkene 1] soms iets voor hem haalt, betekent nog niet dat dit iets, al aangenomen dat daarmee levensmiddelen bedoeld zijn, met het vorenbedoelde uitkeringsgeld van [betrokkene 1] is betaald. Ik meen dat het middel reeds in zoverre doel treft. Overigens komt het mij voor dat ook ’s Hofs bewijsconstructie met betrekking tot de aan verzoeker verweten wetenschap dat de uitkering van [betrokkene 1] telkens door valsheid in geschrift was verkregen, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgt. Niet toereikend daarvoor is, lijkt mij, het antwoord van verzoeker - op de vraag wat de dienst Werk en Inkomen zou hebben gedaan als zij op de hoogte waren geweest van deze samenwoning - dat deze dienst de uitkering zou hebben beëindigd.
8. Het middel slaagt.
9. Om die reden kan de overschrijding van de redelijke termijn hier onbesproken blijven.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG