1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 18 oktober 2012 verdachte wegens 1. “poging tot moord” en 2. primair “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, op de wijze vermeld in het arrest.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde feit, nu daaruit niet (zonder meer) het opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden afgeleid.
4.2. Ten laste van verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:
“2 primair:
hij op 18 oktober 2010 te Zandvoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een bijl op het lichaam van [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
4.3. Het middel komt allereerst tevergeefs op tegen ’s Hofs waardering van het voorhanden bewijsmateriaal en tegen de niet onbegrijpelijke gevolgtrekkingen die het Hof op grond daarvan heeft getrokken. Dit behoeft geen nadere motivering, nu het middel in zoverre geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de desbetreffende klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
4.4. Het middel klaagt voorts met een beroep op de annotatie van N. Keijzer onder HR 8 januari 2013, LJN BX6742, NJ 2013/112 over de onverenigbaarheid van de uitleg die het Hof heeft gegeven aan de term poging met art. 7 EVRM. Hiertoe is aangevoerd dat tot het wezen van “poging” behoort dat is gehandeld met de op het betreffende gevolg gerichte bedoeling. De omstandigheid dat een verdachte (slechts) in de mogelijkheid van een gebeuren heeft berust, brengt niet mee dat die verdachte het teweegbrengen daarvan zich ten doel heeft gesteld en dat doel heeft nagestreefd. De interpretatie van het Hof is niet “consistent with the essence of the offence” noch “reasonable to be foreseen”, aldus de steller van het middel.
4.5. Voormelde klacht bestrijdt de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad met het enkele argument dat die jurisprudentie in strijd is met art. 7 EVRM. Naar mijn mening is dat argument niet steekhoudend. De bestendige jurisprudentie maakt immers deel uit van de “national law”, zodat verdachte, zo nodig met behulp van een advocaat, de consequenties van zijn handelen kon voorzien. Daarbij merk ik op dat deze klacht voorts niet tot cassatie kan leiden omdat zodanig beroep op schending van art. 7 EVRM niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG