1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens “opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.079,52. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. R. Skála, advocaat te Haren, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat de door de rechter opgelegde omgangsregeling pas kan worden afgedwongen wanneer de uitspraak waarbij de omgangsregeling is opgelegd aan verdachte is betekend.
4. Het Hof heeft een ter zake gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Het Hof overweegt als volgt.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het gegeven dat geen sprake is van een afdwingbare verplichting tot het nakomen van een omgangsregeling onverlet laat dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is, indien zij de door de civiele rechter vastgestelde omgangsregeling niet naleeft. Het Hof verwerpt het verweer van de raadsman.”
5. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat verdachte niet verplicht is de door de rechter opgelegde omgangsregeling na te leven zolang de naleving daarvan bij gebrek aan betekening niet kan worden afgedwongen. Die opvatting is niet juist. Het ontbreken van de betekening doet immers niet af aan de rechtskracht van de rechterlijke uitspraak waarbij de omgangsregeling is vastgesteld. Het Hof heeft een ter zake gevoerd verweer dus terecht verworpen.
6. Het middel faalt.
7. Het tweede middel richt zich kennelijk tegen het oordeel van het Hof dat er geen gegronde redenen aanwezig waren om te vermoeden dat de kinderen beschermd dienden te worden tegen hun vader.
8. Het Hof heeft te dier zake overwogen:
“Voor zover is betoogd dat sprake was van het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid dan wel noodtoestand omdat de verdachte de omgangsregeling niet heeft nageleefd ter bescherming van de kinderen tegen hun vader geldt het volgende.
Uit het dossier, noch uit de door de raadsman bij pleidooi overgelegde beschikkingen van 8 februari 2012 en 15 juli 2010 blijkt dat gegronde redenen aanwezig waren om te vermoeden dat de kinderen beschermd dienden te worden tegen hun vader. De enkele stelling van de verdediging dat dit wel het geval was, acht het hof daartoe onvoldoende. Daarbij heeft het hof tevens rekening gehouden met de eerder genomen beslissingen door de civiele rechter van 12 januari 2010, 16 maart 2010 en 29 juni 2010, die telkens (opnieuw) inhouden dat de verdachte de aldaar vastgestelde omgangsregeling dient na te leven, terwijl in die uitspraken niet blijkt van de noodzaak om de kinderen te beschermen tegen de vader. Reeds daarop stuit dit deel van het verweer van de raadsman af.”
9. Het oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en leent zich wegens zijn verwevenheid met oordelen van feitelijke aard niet voor verdere toetsing in cassatie. Voor zover in de toelichting op het middel beroep wordt gedaan op feiten en omstandigheden waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan en waaromtrent door het Hof ook niets is vastgesteld wordt miskend dat op dergelijke feiten en omstandigheden in cassatie niet voor het eerst een beroep kan worden gedaan.
10. Het middel faalt.
11. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
12. Ik heb mij afgevraagd of de middelen niet kunnen worden afgedaan op de voet van art. 80a RO. Mijns inziens kan dat niet. Daarvoor mist het eerste middel de vereiste klaarblijkelijke ongegrondheid.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederland
AG