2. Bespreking van het cassatiemiddel
La Linda heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel is gericht tegen de hiervóór (onder 1.10) geciteerde rov. 3.2. Volgens het middel is in de benadering van La Linda, ná de ambtshalve vermindering van de in 2001 opgelegde aanslag op 11 januari 2006, in het overleg met de Inspecteur overeengekomen dat de bij die ambtshalve vermindering op Afl 680.452,70 bepaalde boete (gelijk aan 100% van het ambtshalve verminderde belastingbedrag) nader zou worden verlaagd tot (het inmiddels geldende wettelijke maximum van) Afl 10.000,-. Althans heeft, nog steeds volgens het middel, in de benadering van La Linda de Inspecteur bij haar het rechtens te honoreren vertrouwen gewekt dat de boete in die mate zou worden verlaagd en had de Inspecteur de boete in de gegeven omstandigheden in elk geval op Afl 50.000,-, althans een lager bedrag dan Afl 680.452,70 moeten vaststellen. Daartoe verwijst het middel naar de stellingen die La Linda in appel heeft aangevoerd. Het middel betoogt dat rov. 3.2 van het bestreden vonnis rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is, voor zover het Hof daarin heeft geoordeeld dat de argumenten die La Linda in het onderhavige geding heeft aangevoerd door de belastingrechter zijn beoordeeld of aan die rechter hadden kunnen worden voorgelegd, en wel in de procedure tegen de ambtshalve vermindering en/of in de procedure tegen de in 2001 opgelegde aanslag. Volgens het middel heeft La Linda de door het Hof bedoelde argumenten ten overstaan van de Raad van Beroep weliswaar aangevoerd, maar heeft de Raad van Beroep geoordeeld dat, in ieder geval in de aan zijn oordeel onderworpen zaak, geen rechtsmiddel openstond, omdat een “nieuwe” beslissing over (het percentage van) de boete in de beschikking van de Inspecteur ontbrak. Het middel betoogt dat dit alles met zich brengt dat een beslissing over de in deze procedure door La Linda aangevoerde argumenten in de procedure bij de Raad van Beroep niet mogelijk was en dat het bestreden oordeel in elk geval zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Voor zover zulks niet in het algemeen zou gelden, geldt dit, nog steeds volgens het middel, in ieder geval voor het door La Linda in deze civiele procedure op art. 6 EVRM gedane beroep. Het middel onderstreept ten slotte dat de argumenten van La Linda zijn ontleend aan wat is voorgevallen in het kader van het gevoerde overleg dat heeft geleid tot een compromis met de fiscus, zodat het gaat om argumenten die, per definitie, niet reeds hadden kunnen zijn aangevoerd bij het (achterwege gebleven) beroep tegen de oorspronkelijke ambtshalve aanslag.
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat het faalt, voor zover het berust op de stelling dat La Linda voor de Raad van Beroep reeds de argumenten heeft aangevoerd waarop het hof in de voorlaatste volzin van rov. 3.2 doelde. Het gaat hier om een ontoelaatbaar feitelijk novum. Bij de beoordeling van het middel kan daarom niet ervan worden uitgegaan dat La Linda (in de feitelijke instanties heeft gesteld dat zij) voor de Raad van Beroep schending van het vertrouwensbeginsel daadwerkelijk heeft aangevoerd. Op deze basis zal ik het middel beoordelen.
De leer van de formele rechtskracht komt erop neer dat, wanneer tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, de burgerlijke rechter, zo deze beroepsgang niet (of niet met succes) is gebruikt, in geval de geldigheid van de beschikking in het voor hem gevoerde geding in geschil is, ervan dient uit te gaan dat die beschikking, zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft, in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.
Het Hof heeft zich in rov. 3.2 onmiskenbaar gebaseerd op de leer van de formele rechtskracht. Blijkens de eerste volzin van rov. 3.2 heeft het Hof zich, gelet op de beschikking van de Raad van Beroep, gehouden geacht van de rechtmatigheid van de ambtshalve vermindering uit te gaan. In de gedachtegang van het Hof had La Linda haar argumenten - die naar de kennelijke opvatting van het Hof tegen de rechtmatigheid van de ambtshalve vermindering waren gericht - niet in de civiele, maar in de bestuursrechtelijke procedure kunnen en moeten aanvoeren.
Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag van 11 januari 2006 de rechtspositie van La Linda jegens het Land heeft gewijzigd. Evenmin is in geschil dat deze aanslag als besluit moet worden aangemerkt. In de beroepsprocedure heeft de Raad van Beroep zich echter onbevoegd verklaard, omdat naar zijn oordeel tegen een aanslag, houdende een ambtshalve vermindering, geen rechtsmiddelen openstaan. Dat oordeel sluit toepasselijkheid van de leer van de formele rechtskracht uit. Formele rechtskracht vooronderstelt dat tegen het betrokken besluit een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, maar niet (of niet met succes) is benut. Zonder dat de bestuursrechter überhaupt bevoegd is, is van het openstaan van een bestuursrechtelijke rechtsgang geen sprake. Onbevoegdheid van de bestuursrechter sluit (anders dan een door hem aangenomen niet-ontvankelijkheid) een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang uit. Voor zover het middel daarop gerichte klachten bevat, acht ik die klachten gegrond.
Aan het vorenstaande doet niet af dat de beschikking van de Raad van Beroep althans in die zin twijfel oproept, dat zij de afwezigheid van rechtsmiddelen relateert aan de “ambtshalve aanslag vermindering”. De vraag dringt zich op of de Raad van Beroep hier niet veeleer een niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen een dergelijke aanslag in verband met het ontbreken van een toereikend belang op het oog heeft gehad; een niet-ontvankelijkheid in verband met het ontbreken van een toereikend belang behoeft immers niet uit te sluiten dat aan de voorwaarde van een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang is voldaan. Dat de Raad van Beroep heeft bedoeld dat tegen een ambtshalve vermindering nimmer langs bestuursrechtelijke weg kan worden opgekomen, is ook daarom twijfelachtig, omdat de Raad van Beroep kennelijk van belang heeft geacht dat de vermindering van de aanslag geen nieuwe beslissing omtrent de strafwaardigheid van het door belanghebbende gepleegde verzuim inhoudt; dat roept minst genomen de vraag op of de Raad van Beroep zich wél bevoegd zou hebben geacht als de ambtshalve vermindering van de aanslag een dergelijke nieuwe beslissing wél zou hebben ingehouden. Als het Hof zich door deze twijfels zou hebben laten leiden, dan had het echter op zijn weg gelegen nader te motiveren waarom de beschikking van de Raad van Beroep, ondanks de uitdrukkelijke onbevoegdverklaring in haar dispositief, ertoe zou dwingen van de rechtmatigheid van de ambtshalve vermindering uit te gaan.
Voor zover het middel aan de bestrijding van rov. 3.2 (overigens zonder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken) mede het door La Linda gedane beroep op art. 6 EVRM ten grondslag legt, kan ik het niet volgen. La Linda heeft, in het bijzonder in haar conclusie van repliek onder 26-33, art. 6 EVRM in stelling gebracht tegen het oude boetestelsel. De beslissing van de Raad van Beroep, wat daarvan overigens zij, impliceert dat de ambtshalve vermindering, afgezien van de automatisch uit de vermindering van het belastingbedrag voortvloeiende herberekening van de boete, géén beslissing over de (strafwaardigheid van de) boete omvat en dat in zoverre de formele rechtskracht van de in 2001 opgelegde aanslag onverkort geldt; de formele rechtskracht van die in 2001 opgelegde aanslag impliceert mede dat de daarbij volgens het oude boetestelsel opgelegde boete moet worden geacht in overeenstemming met art. 6 EVRM te zijn opgelegd.
Alhoewel het middel daarover niet klaagt, teken ik nog aan dat de vordering van La Linda niet slechts ertoe strekt de rechtmatigheid van de ambtshalve vermindering (althans voor zover die op de verminderde boete betrekking heeft) ter discussie te stellen. La Linda heeft het Land immers mede verweten dat het onrechtmatig heeft gehandeld door ná de ambtshalve vermindering van 11 januari 2006 een (beweerdelijk) op 11 mei 2006 gedane toezegging om de verminderde boete verder te verlagen, niet gestand te doen. De aldus aan het Land verweten onrechtmatigheid (wat daarvan overigens zij) staat naar mijn mening los van de (on)rechtmatigheid van het besluit van 11 januari 2006. Ook als het Land niet onrechtmatig heeft gehandeld door de boete op 11 januari 2006 niet verder te verlagen dan het toen heeft gedaan, sluit dat niet uit dat het Land alsnog onrechtmatig jegens La Linda heeft gehandeld door geen gevolg te geven aan een in een later stadium gedane toezegging de boete verder te zullen verlagen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal