Nr. 11/03166
Mr. Hofstee
Zitting: 28 augustus 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoekster=verdachte]
1. Verzoekster is bij arrest van 3 november 2010 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de griffienummers 11/03164 en 11/03166. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verzoekster heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, behelst de klacht dat het Hof niet kon komen tot een bewezenverklaring van witwassen, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoekster bekend was met de inhoud van in een kluis bewaarde enveloppen met geld van haar echtgenoot en derhalve evenmin wist dat dit geld van misdrijf afkomstig was.
5. Ten laste van verzoekster is bewezen verklaard dat:
"dat zij in of omstreeks de periode van oktober 2006 tot en met 30 maart 2007 te Nieuwerkerk tezamen en in vereniging met een ander meermalen een voorwerp, te weten: een geldbedrag, voorhanden heeft gehad terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat, dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf."
6. Dienaangaande heeft het Hof in zijn Promis-arrest op grond van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:(1)
"De verdachte heeft tijdens het verhoor op 18 april 2007 verklaard dat zij met haar man, [betrokkene 1], in een woning aan de [a-straat 1] in [plaats] samenwoont. In de kluis van deze woning is op 13 april 2007 een groot bedrag aan contant geld aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat zij en [betrokkene 1] geld en goederen van waarde bewaarden in de kluis. [Betrokkene 1] bewaarde in de kluis twee enveloppen met daarin zijn geld.
[Betrokkene 1] was ten tijde van het tenlastegelegde werkzaam als accountmanager bij [A] N.V. te Rotterdam. Uit hoofde van zijn functie was hij zelfstandig bevoegd om standaardkredieten te verstrekken tot een maximum bedrag van € 125.000. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij in de periode van oktober 2006 tot 12 april 2007 kredieten heeft verstrekt en dat hij hiervoor (provisie)gelden ontving. Over het aangetroffen geld in de kluis heeft hij verklaard dat het afkomstig is van de provisie voor het afsluiten van kredieten. Voorts heeft hij verklaard dat de verdachte op de hoogte was van zijn werkzaamheden en dat zij zich ervan bewust waren dat zij hierdoor diep in de problemen konden komen.
Gevraagd of er tussen hem en de verdachte wel eens strijd is geweest omtrent zijn werkwijze, het innen van provisie over verstrekte kredieten, verklaart hij dat zij daar nooit strijd over hebben gehad.
De verdachte heeft verklaard dat zij en [betrokkene 1] altijd alles bespraken, dat zij vanuit haar eigen achtergrond ook wel kennis heeft van kredietaanvragen, dat zij wist dat hij contant geld kreeg en dat zij op de hoogte was van zijn drankgebruik en het gokken."
7. Voorts heeft het Hof in het bestreden arrest het volgende overwogen:
"Het standpunt van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat de provisiegelden niet uit misdrijf zijn verkregen en de verdachte derhalve van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Het oordeel van het hof
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen staat vast dat de man van de verdachte, in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 maart 2007 (provisie)gelden ontving, die hij in de kluis van de woning te [plaats], waar hij en de verdachte woonden, bewaarde en dat de verdachte hiervan op de hoogte was. Het hof is voorts van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door [betrokkene 1] ontvangen en in de echtelijke woning bewaarde gelden niet op legale wijze waren verkregen en derhalve uit enig misdrijf afkomstig waren."(2)
8. Het Hof heeft uit de inhoud van de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen afgeleid dat verzoekster ervan op de hoogte was dat: (i) haar echtgenoot contant (provisie)gelden ontving voor het verstrekken van kredieten, (ii) verzoekster weet had van de herkomst van deze gelden en (iii) verzoekster en haar echtgenoot zich ervan bewust waren dat zij hierdoor diep in de problemen konden komen. Voorts heeft het Hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat verzoekster en haar echtgenoot alles bespraken en dat zij ook zelf kennis heeft van kredietaanvragen. Verder neem ik in aanmerking dat het Hof in de onderhavige zaak aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen expliciet heeft vastgesteld dat de bedoelde (provisie)gelden, naar verzoekster wist, in een kluis van de woning van verzoekster en haar medeverdachte waren verborgen en werden bewaard. Met deze vaststelling heeft het Hof tevens voldaan aan het in HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 m.nt. Keijzer (met betrekking tot de in art. 420bis, eerste lid, en 420quater Sr omschreven gedragingen) geformuleerde vereiste dat het voorhanden hebben van het voorwerp heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp.
9. Gelet op het voorgaande, meer in het bijzonder de in de bewezenverklaring omschreven gedragingen van verzoekster en hetgeen het Hof in dat verband heeft vastgesteld (zie hierboven onder 6), geeft het bestreden oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Omwille van de leesbaarheid laat ik de voetnoten van het Hof, waarin de bronnen van de gebezigde bewijsmiddelen zijn vermeld, achterwege.
2 Gelet op deze voorwaardelijk opzet formulering is het verwonderlijk dat het Hof verzoekster terzake van schuldwitwassen heeft veroordeeld en niet voor opzetwitwassen (ook het aanhalen van art. 420bis Sr onder het kopje "Toepasselijke wettelijke voorschriften" doet een veroordeling inzake opzetwitwassen vermoeden). Ik laat deze onduidelijkheid hier verder rusten, nu het middel er niet over klaagt en verzoekster voor het mindere is veroordeeld.