Zaak 12/01303
Mr. P. Vlas
Zitting, 23 november 2012
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
1. Het gaat in deze zaak om een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. In het kader van het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit heeft verzoekster een kopie overgelegd van een op 20 september 1999 opgesteld uittreksel van een geboorteakte betreffende de geboorte op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] van [verzoekster] als dochter van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], thans [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
3. Ten tijde van de naturalisatie van [betrokkene 1] op 26 september 2000 was [verzoekster] minderjarig en deelde zij als minderjarig niet-Nederlands kind van een vader aan wie het Nederlanderschap is verleend in deze verkrijging.
4. De rechtbank 's-Gravenhage heeft onderzocht of de identiteit van verzoekster voldoende vaststaat en of verzoekster [verzoekster] is. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat verzoekster gebruik maakt van onjuiste persoonsgegevens en zich ten onrechte heeft uitgegeven voor [verzoekster], waarbij de rechtbank in het midden heeft gelaten of verzoekster al dan niet verwijtbaar heeft gehandeld.(1) Subsidiair heeft verzoekster onder verwijzing naar art. 1:209 BW aangevoerd dat zij de staat van wettig kind van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overeenkomstig haar geboorteakte heeft gevoerd. Zij verwijst daarbij naar het gegeven dat zij tot het gezin van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] behoorde en als hun kind is verzorgd en opgevoed. De rechtbank heeft in rov. 4.9 geoordeeld dat dit laatste het geval kan zijn geweest, maar dat dit niet is gebeurd met de identiteit van [verzoekster], waarvan de geboorteakte uitgaat, zodat het beroep op art. 1:209 BW niet kan slagen. Bij beschikking van 8 december 2011 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.
5. Verzoekster heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft verweer gevoerd.
6. Het middel keert zich tegen rov. 4.3 t/m 4.9 van de beschikking en valt uiteen in vier onderdelen. In onderdeel 1 worden enkele stellingen aangevoerd ten betoge dat de staat van verzoekster als kind van haar ouders in het maatschappelijk verkeer overeenkomstig haar afstamming is zoals in haar geboorteakte is opgenomen. In onderdeel 2 klaagt verzoekster dat de rechtbank ten onrechte heeft onderzocht of de identiteit van verzoekster voldoende vaststaat en of verzoekster [verzoekster] is. Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.8 dat het onderzoek naar de identiteit van verzoekster zorgvuldig was, hoewel bijlagen bij het desbetreffende rapport niet werden overgelegd. In onderdeel 4 wordt aangevoerd dat in strijd met art. 1:209 BW de afstamming van verzoekster is betwist en deze betwisting gegrond is bevonden. Verzoekster betoogt, kort gezegd, dat zij zowel volgens haar geboorteakte als volgens de door haar gevoerde persoonlijke staat de identiteit van [verzoekster] bezit.
7. De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De vraag naar de identiteit van verzoekster is van belang om te kunnen vaststellen of het naturalisatiebesluit van 26 september 2000 voor verzoekster rechtsgevolg heeft en of zij op grond hiervan de Nederlandse nationaliteit bezit. Bovendien mist de klacht (onder 2) feitelijke grondslag, omdat de identiteit van de verzoekster door de Staat is betwist. Het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig is, is niet onbegrijpelijk. Het oordeel dat de conclusies in het rapport onderbouwing vinden in de informatie in het rapport is overigens niet bestreden en is evenmin onbegrijpelijk.
8. Nu de rechtbank heeft aangenomen dat verzoekster gebruik maakt van onjuiste persoonsgegevens en dat zij zich ten onrechte heeft uitgegeven voor [verzoekster], kan zij geen beroep doen op de geboorteakte van [verzoekster], ook niet in het kader van art. 1:209 BW.(2)
9. Op het voorgaande stuiten de onderdelen van het middel af.
10. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 4.1 t/m 4.7 van de onderhavige beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage.
2 Zie ook S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, 2012, nr. 120; Asser/De Boer 1* 2010/751 en 752. Zie over 'bezit van staat' ook HR 9 maart 2012, LJN: BU9884, NJ 2012/291, m.nt. S.F.M. Wortmann.