12/05158
Mr. L. Timmerman
Parket: 21 december 2012
Conclusie inzake:
1. [Verzoeker 1]
2. [Verzoeker 2]
verzoekers tot cassatie
(hierna tezamen: [verzoeker] c.s.)
Bij verzoekschrift van 11 april 2012 hebben [verzoeker] c.s. om toepassing van de schuldsaneringsregeling gevraagd. Bij vonnis van 11 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek afgewezen op de grond dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt 1) dat [verzoeker] c.s. te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend en 2) dat [verzoeker] c.s. de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het hof 's-Gravenhage heeft dit vonnis bij arrest van 30 oktober 2012 bekrachtigd. [Verzoeker] c.s. zijn hiervan bij verzoekschrift van 7 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen - in beroep gekomen. De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Het oordeel omtrent de goede trouw - dat met middel I wordt aangevallen - is feitelijk en is in casu niet onbegrijpelijk. De omstandigheden die worden aangevoerd, nopen niet tot een ander oordeel, waarbij ik opmerk dat de CJIB-boetes niet aan 's hofs oordeel ten grondslag liggen. Het oordeel dat [verzoeker] c.s. niet aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zullen voldoen - waarover middel II klaagt -, is eveneens feitelijk en niet onbegrijpelijk. Ik verwijs daarbij kortheidshalve naar rov. 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van vorige week in zaak 12/03219 (LJN: BY6143).
Overigens is het aan de schuldenaar om aannemelijk te maken dat aan art. 288 lid 1 sub c Fw wordt voldaan. Het was dan ook aan [verzoeker] c.s. om een en ander uit eigen beweging aan te dragen. Waar middel III aanvoert dat [verzoeker] c.s. op 17 oktober 2012 stukken heeft overgelegd waaruit zou blijken dat zij "aantoonbaar inspanningen hebben verricht tot het verkrijgen van werk", merk ik op dat 's hofs oordeel in het licht van de stukken die ik in het dossier aantrof, onjuist noch onbegrijpelijk is.
Ik concludeer tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G