Nr. 12/01234
Mr. Vellinga
Zitting: 4 december 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, wegens 4. "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat verdachte van feit 4 dient te worden vrijgesproken bij gebrek aan wetenschap van de in haar tas aan getroffen GHB.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:
"zij op 06 september 2009 te Rhenen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 990,28 gram, in elk geval een hoeveelheid GHB (4-hydroxyboterzuur), zijnde GHB (4-hydroxyboterzuur) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."
5. Door verdachtes raadsman is bij pleidooi aangevoerd:
"Cliente dient te worden vrijgesproken van de feiten 2, 4 en 5
(...)
Feit 4 Dat zij op 6 september jl. in vereniging opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 990,28 gram GHB
Hiervoor geldt het zelfde als voor feit 2. [Betrokkene 1] verklaart hierover bij de rechtercommissaris dat [verdachte] hier volgens hem niets van afwist. Van belang is nog de verklaring van cliënte bij de rechter-commissaris dat zij al een paar weken daarvoor de tas in de auto van [betrokkene 1] had laten staan en niet meer had gebruikt en dus geen kennis droeg van de inhoud daarvan.
Er is evenals bij de vorige beschuldiging geen bewijs dat cliënte iets afwist van de aanwezigheid in de auto van deze GHB noch recent in de auto had gezeten al dan niet met [betrokkene 1].
Dient vrijspraak te volgen."
6. Dit verweer kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Het bevat immers een standpunt dat duidelijk door argumenten is geschraagd en is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.(1)
7. Het Hof heeft dit verweer niet gemotiveerd weerlegd en het vindt ook niet zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Deze houden met betrekking tot verdachtes tas slechts in dat het inderdaad de tas van verdachte is maar niets omtrent de wetenschap van de inhoud van die tas, die niet onder verdachte is aangetroffen maar in de auto van [betrokkene 1].
8. Het middel slaagt.
9. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase.
10. Het cassatieberoep is ingesteld op 14 april 2011. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 20 februari 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld en dient tot strafvermindering te leiden.
11. Dit middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.7.1.