Nr. 12/01328 B
Mr. Vellinga
Zitting: 4 december 2012
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1. Bij beschikking van 11 mei 2011 heeft de Rechtbank te 's-Hertogenbosch het klaagschrift van klaagster strekkende tot teruggave van onder meer sieraden en een personenauto gegrond verklaard.
2. De Officier van Justitie bij de Rechtbank heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de Rechtbank aan de gegrondverklaring van het beslag ten grondslag heeft gelegd dat het beslag in de kern ziet op een verbintenis uit onrechtmatige daad, het openbaar ministerie geen beroep toekomt op de derdenwerking van art.1:116 BW en derhalve geen verhaal heeft op de goederen toebehorende aan de echtgenote van verdachte.
4. Het oordeel van de Rechtbank moet aldus worden begrepen dat het bepaalde in art.1:116 BW zich niet uitstrekt tot het geldend maken van rechten die hun grondslag vinden in de wet, zoals het recht tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 36e Sr). Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(1) In geval een vordering ontstaat uit de wet is er immers niet een derde die beschermd dient te worden tegen onbekendheid met de huwelijkse voorwaarden, omdat deze vordering ontstaat ongeacht enige (rechts)betrekking tussen de derde en degene die onder huwelijksvoorwaarden gehuwd is.
5. Niettemin kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Conservatoir beslag kan worden gelegd onder een derde mits is voldaan aan het bepaalde in art. 94a lid 3 Sv. Door te oordelen dat de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen beroep toekomt op de derdenwerking van art.1:116 BW meebrengt dat het Openbaar Ministerie geen verhaal heeft op de goederen toebehorend aan de echtgenote van verdachte zonder de vraag onder ogen te zien of is voldaan aan de in art. 94a lid 3 Sv genoemde voorwaarden, heeft de Rechtbank dit miskend.
6. Het middel slaagt.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 18 juni 1952, NJ 1953, 530 t.a.v. inschrijving in het Handelsregister, m.nt. Ph.A.N.H., alsmede Asser's Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Recht, Personenrecht, eerste stuk, 9e druk, bewerkt door J. de Boer, Deventer 2010, nr. 425, Asser's Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Recht, Personenrecht, eerste stuk, 9e druk, bewerkt door J. Wiarda, Zwolle 1957, p. 256, H.C.F. Schoordijk, Het nieuwste huwelijksvermogensrecht, Groningen 1969, p. 68.