12/05710
Mr. L. Timmerman
Zitting 1 februari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie,
1. Feiten en procesverloop(1)
1.1 [Verzoeker] heeft op 7 augustus 2012 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 16 oktober 2012 op grond van art. 288 aanhef lid 1 sub b Fw afgewezen. Omstandigheden die aanleiding konden geven tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw waren naar het oordeel van de rechtbank gesteld noch gebleken.
1.2 Het hof Amsterdam heeft dit vonnis bij arrest van 6 december 2012 bekrachtigd.
1.3 [Verzoeker] is van dit arrest tijdig(2) in cassatie gekomen.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 Krachtens art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw kan het verzoek tot schuldsanering alleen worden toegewezen, indien door de schuldenaar aannemelijk is gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest(3). Of dit laatste het geval is geweest dient volgens vaste jurisprudentie beoordeeld te worden naar de omstandigheden van het geval. Dit laatste brengt mee dat het oordeel omtrent de goede trouw-eis slechts beperkt toetsbaar is in cassatie(4).
2.2 In het recente verleden heeft de Hoge Raad, oordelend in het kader van art. 288 lid 1 Fw, meermalen bevestigd dat het oordeel dat zelfstandig ondernemers zelf zorg dienen te dragen voor het doen van belastingaangiften, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt(5).
2.3 In r.o. 2.5 van het bestreden arrest heeft het hof overwogen dat het feit dat [verzoeker] zijn administratie uit handen heeft gegeven aan een accountant omdat hij zelf weinig boekhoudkundige kennis bezit en de Nederlandse taal niet goed machtig is waardoor hij brieven van de belastingdienst niet goed begrijpt, hem niet van die verplichting ontslaat. Ook overwoog het hof dat aan [verzoeker] te verwijten is dat hij geen bedragen heeft gereserveerd voor de belasting, terwijl hij op grond van zijn behaalde winsten kon weten dat hij inkomstenbelasting zou moeten betalen, en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, toen het in de jaren 2008/2009 slecht ging in zijn bedrijf, zijn reserves heeft geherinvesteerd en daarom de navorderingsaanslag niet kon betalen. Aldus is de benodigde goede trouw onvoldoende aannemelijk gemaakt.
In r.o. 2.6 oordeelt het hof vervolgens dat het feit dat hij in 2008 en 2009 betalingen voor een totaalbedrag van € 383.326,- aan de belastingdienst heeft gedaan, het voorgaande niet anders maakt. In dit oordeel ligt besloten dat deze omstandigheid geen toepassing van de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw rechtvaardigt.
Deze oordelen getuigen gezien het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting, zijn niet onbegrijpelijk en behoeven evenmin nadere motivering.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80A RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2012, p. 1, en het arrest van het hof Amsterdam van 6 december 2012, §1 (procesverloop) en 2.2 (feiten).
2 Het verzoekschrift tot cassatie is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 13 december 2012, overeenkomstig de in art. 292 lid 3 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.
3 MvT, TK 2004-2005, 29 942, nr. 3, §8, p. 5.
4 HR 10 januari 2003, LJN AF0749 (NJ 2003, 195 m.nt. P. v. Schilfgaarde); HR 7 mei 2010, LJN BL7042 (RvdW 2010, 624; 81 RO); HR 12 november 2010, LJN BN8059 (81 RO).
5 HR 26 september 2008, LJN BD3796 (NJ 2008, 522; weigering ex art. 288 lid 1 sub c Fw); HR 22 december 2009, LJN BK2008 (RvdW 2010, 55; 81 RO); HR 7 mei 2010, LJN BL7042 (81 RO).