Nr. 11/02308
Mr. Vegter
Zitting: 2 april 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zittinghoudende te Arnhem, bij arrest van 29 april 2011 wegens "feitelijke aanranding van de eerbaarheid" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Alkmaar, beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. B.P. de Boer en mr. T. de Bont, advocaten te Haarlem, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste, resp. tweede middel houdt in dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de gedragingen van de verdachte ontuchtige handelingen, resp. dwang tot dulden in de zin van artikel 246 Wetboek van Strafrecht opleveren, althans dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 09 december 2009 in de gemeente Zeewolde, door feitelijkheden [betrokkene 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het meermalen maken van een video-opname van [betrokkene 1], terwijl [betrokkene 1] gebruik maakt van een kleedhokje en zich (deels) uitgekleed had en/of aan het afdrogen was en bestaande die feitelijkheden uit (terwijl [betrokkene 1] zich (al afdrogend) (deels) naakt in dat kleedhokje bevond) het onverhoeds en heimelijk steken van zijn verdachtes, hand met daarin een mobiele telefoon voorzien van camera onder de tussenwand van dat kleedhokje en vervolgens het filmen met die camera van die mobiele telefoon van onder meer naakte lichaamsdelen van [betrokkene 1]."
5. In HR 8 mei 2012, LJN BW5000, NJ 2012/505(1), m.nt. B.F. van Keulen, dat dateert van na de datum van indienen van de schriftuur, werd onder 2.3 het volgende overwogen:
"In art. 139f, eerste lid, Sr is strafbaar gesteld het met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen. Een dergelijke gedraging is op zichzelf niet - tevens - een ontuchtige handeling in de zin van art. 246 Sr. Dat is niet anders indien bedoelde persoon naakt is en/of indien de afbeelding is vervaardigd om deze later te (laten) gebruiken ter bevrediging van lustgevoelens (vgl. HR 14 februari 2012, LJN BU5254).
Weliswaar kan van belang zijn of er enige voor het plegen of dulden van ontucht relevante interactie tussen de verdachte en die persoon heeft plaatsgevonden, omdat in uitzonderlijke gevallen ook zonder lichamelijke aanraking sprake kan zijn van het dwingen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen (vgl. HR 22 maart 2011, LJN BP1379, NJ 2011/146), maar ook zonder lichamelijke aanraking moet het dan wel gaan om een handeling waarvan het plegen of dulden als ontuchtig is aan te merken.
Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 246 Sr en is zijn oordeel toereikend gemotiveerd."
6. Nu ik geen relevante verschillen met het geciteerde gedeelte uit het arrest van 8 mei 2012 zie, volsta ik met de slotsom dat het eerste middel slaagt, omdat van ontuchtige handelingen in de zin van art. 246 Sr geen sprake is. Het tweede middel dat ziet op de vaststelling van het Hof dat er sprake is van een voor het dulden van ontucht relevante interactie behoeft in verband hiermee geen nadere bespreking.
7. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak behoren te leiden.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie ook HR 15 mei 2012, LJN BW5528.