Nr. 12/01965 B
Mr. Vellinga
Zitting: 19 maart 2013
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1. Bij beschikking van 28 februari 2012 heeft de Rechtbank te Utrecht het beklag strekkende tot teruggave van onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedragen ongegrond verklaard.
2. Namens klaagster heeft mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de Rechtbank geheel is voorbijgegaan aan de stelling van klaagster dat de geldbedragen eigendom van klaagster zijn.
4. De Rechtbank heeft de bestreden beslissing als volgt gemotiveerd:
"Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen.
De rechtbank stelt vast dat op het voormelde goed beslag is gelegd op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. Uit de beschikking d.d. 20 september 2011 volgt dat op het geldbedrag tevens conservatoir beslag rust.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich in dit geval verzet tegen teruggave van het geldbedrag. Immers, het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de verplichting tot betaling van een geldbedrag zal opleggen, waarbij het betreffende goed tot verhaal kan dienen."
5. In het klaagschrift stelt klaagster zich op het standpunt dat de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedragen haar toebehoren.
6. Uit hetgeen de Rechtbank overweegt moet worden afgeleid dat de Rechtbank zich niet uitlaat over de vraag of het beslag, voor zover gelegd op de voet van art. 94 Sv, moet worden gehandhaafd, doch van oordeel is dat het beslag, voor zover gelegd op de voet van art. 94a Sv, gehandhaafd dient te blijven omdat de inbeslaggenomen geldbedragen kunnen dienen tot verhaal voor een door de rechter op te leggen geldboete. Daarom moet worden onderzocht of de Rechtbank de toetsingsmaatstaven heeft aangelegd, die dienen te worden gehanteerd bij de beoordeling van beklag tegen beslag op de voet van art. 94a Sv, en wel in het bijzonder of deze toetsingsmaatstaven meebrengen dat de Rechtbank had moeten ingaan op de stelling van klaagster dat de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedragen haar in eigendom toebehoren.
7. In casu doet zich het geval voor dat een derde, klaagster, stelt eigenaar te zijn van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedragen. In dat geval dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk geven.(1)
8. De Rechtbank is niet ingegaan op de stelling van klaagster dat de inbeslaggenomen geldbedragen haar toebehoren. Dit betekent dat zij heeft verzuimd bij de beoordeling van het beklag de juiste maatstaf aan te leggen.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.15.