1. De Rechtbank te Middelburg heeft bij beschikking van 13 november 2012 een namens [klaagster] ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 1:37 van de Algemene Douanewet ongegrond verklaard en voorts afgewezen hetgeen meer verzocht is.
2. Mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik zal deze middelen niet bespreken nu ik zal concluderen tot niet-ontvankelijkheid van klager in het ingestelde beroep. Ik licht dat als volgt toe.
3. Op 29 januari 2013 is de aanzegging als bedoeld in art. 447 lid 3 Sv in persoon aan betrokkene uitgereikt. De mededeling betekening is op 11 februari 2013 verzonden. De in art. 447 lid 5 Sv gestelde termijn om een schriftuur in te dienen, liep af op 28 februari 2013. Blijkens de afdruk op de per fax ingediende schriftuur is deze op 1 maart 2013 om 00:08:22 beginnen binnen te komen. Dat betekent dat de schriftuur te laat is ingekomen en de betrokkene niet-ontvankelijk is in zijn beroep. Slechts in geval van bijzondere de betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, kan dit anders zijn. De mededeling van de raadsman in onderhavige zaak dat hij om 23:54 reeds een faxbericht heeft verzonden en hij een foutmelding ontving bevat mijns inziens niet een dergelijke omstandigheid.
4. Nu klager niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 447 lid 5 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe klager niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG