9. Het eerste middelfaalt.
10. Het tweede middel bevat – mede blijkens de toelichting – de klachten dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid nu (1e) “het telefoonnummer dat aan verdachte wordt toegeschreven een zendmast in de buurt heeft aangestraald onvoldoende is om requirant aan te merken als pleger van de diefstal met braak” en (2e) het Hof het niet redengevende Uittreksel Justitiële Documentatie niet als bewijsmiddel mocht bezigen.
11. De eerste klacht faalt omdat deze op een onjuist uitgangspunt is gestoeld. Er is namelijk meer bewijs voor het tweede feit voorhanden dan de bevinding dat de telecommunicatie van een telefoontoestel met een aan verdachte te koppelen nummer in de bewezenverklaarde datum/tijdsperiode verliep via masten op de locatie Meent te Norg. Een uit de woning ontvreemde handtas is in de slaapkamer van de woning van verdachte aangetroffen, terwijl hij daarvoor geen redelijke ontzenuwende verklaring heeft gegeven (bewijsmiddelen 5, 6 en 7). Het stond anders dan in de tweede klacht wordt gesteld het Hof vrij om het Uittreksel Justitiële Documentatie als bewijsmiddel te bezigen. Immers zo’n Uittreksel is een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344, lid 1 sub 3, Sv en heeft dus zelfstandige bewijskracht. Bovendien is het redengevend voor de bewezenverklaarde zinsnede “terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”.
12. Het tweede middelfaalt.
13. Het derde middel richt zich tegen het gebruik van informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) voor het bewijs van feit 2.
14. In casu gaat het om het als bewijsmiddel 8 door twee met name genoemde verbalisanten opgemaakte proces-verbaal voor zover onder meer inhoudende: “Door de regionale Criminele inlichtingen eenheid werden enkele processen-verbaal verkregen. Aan de hand daarvan werd onder meer bekend dat Naser Zerouqui gebruik maakt van het telefoonnummer [001] .”
15. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat hier sprake is van schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, eerste lid, Sv. Zonder enige toelichting van de steller van het middel zie ik niet in dat het hier gaat om verklaringen van personen van wie vaststaat dat zij niet zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige kan verzoeken. Beide verbalisanten kunnen immers nader verklaren, eventueel ook over personen van wie zij hun informatie hebben. Maar zelfs indien de steller van het middel wordt gevolgd en het eerste lid van art. 344a Sv toepasselijk wordt geacht, is dat niet fataal. Immers aan de in het derde lid van art. 344a Sv gestelde voorwaarden is hier voldaan, omdat (a) de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt op de gestolen tas die bij een doorzoeking in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen en (b) niet van een verzoek tot het horen van enige getuige blijkt.
16. Ook het derde klachtmiddel geen doel.
17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG